Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
[eiser], te [plaats], eiser
de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Groningen, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Betreft: Uitspraak op het bezwaarschrift
Kostenvergoeding
Toelichting
Binnenkort ontvangt uw cliënt de bij deze uitspraak behorende cijfermatige uitwerking vanuit Apeldoorn.” Deze cijfermatige uitwerking betreft de brief van 28 juli 2021. De inhoud van die brief is ook daarmee in lijn. Uit de inhoud van de brief van 28 juli 2021 in samenhang met (de inhoud van) de brief van 14 juli 2021, volgt dan ook naar het oordeel van de rechtbank dat de brief van 28 juli 2021 geen uitspraak op bezwaar betreft. Dat de brief van 28 juli 2021 door verweerder als een uitspraak op bezwaar is aangeduid en dat in de brief een rechtsmiddelenverwijzing is opgenomen, maakt voorgaande niet anders.
binnende beroepstermijn van zes weken na 14 juli 2021, eiser niet in onzekerheid heeft kunnen brengen over de aanvang van de beroepstermijn. Van een verschoonbare termijnoverschrijding is dus geen sprake. De rechtbank overweegt daartoe dat de brief van 14 juli 2021 onmiskenbaar is aan te merken als de uitspraak op bezwaar (zie 7.). Verder acht de rechtbank van belang dat de brieven van 14 en 28 juli 2021 rechtstreeks zijn gestuurd naar het adres van de gemachtigde van eiser. De gemachtigde van eiser is een belastingadviseur die veelvuldig procedeert in belastingzaken. Van hem mag dan ook worden verwacht dat hij in het algemeen, en ook in dit geval in het bijzonder, kon beoordelen dat de brief van 14 juli 2021 als de uitspraak op bezwaar had te gelden. Ook kan van hem worden verwacht dat hij de brief van 28 juli 2021, gelet op de inhoud daarvan en (de inhoud van) de brief van 14 juli 2021, diende te beschouwen als een cijfermatige uitwerking van de uitspraak op bezwaar.
welberoep heeft ingesteld naar aanleiding van die brieven. Enkel omdat in dit geval het beroep gegrond is verklaard, heeft de gemachtigde van eiser het bericht uit Heerlen afgewacht en is van de dagtekening van dat document uitgegaan wat betreft de aanvang van de beroepstermijn. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Blijkbaar was de inhoud van de brieven van 14 en 28 juli 2021 voor de gemachtigde van eiser niet leidend, maar de gestelde gebruikelijke werkwijze van verweerder bij gegronde bezwaren. Dat in dit geval is afgeweken van die gebruikelijke werkwijze, wat daar verder ook van zij, is onvoldoende om te kunnen spreken van een verschoonbare termijnoverschrijding. De inhoud van de brieven van 14 en 28 juli 2021 is voldoende duidelijk voor de gemachtigde van eiser om daaruit het aanvangsmoment van de beroepstermijn te kunnen afleiden.