AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bestuursrechtelijke uitspraak over indeling van sputterplaten en toepassing steekproef in douanerecht
In deze bestuursrechtelijke zaak oordeelt de rechtbank Noord-Holland over de indeling van sputterplaten in de Gecombineerde Nomenclatuur (GN) en de toepassing van een steekproef door de Douane. Verweerder had aan eiseres een naheffingsaanslag opgelegd op basis van een steekproef die fouten in de aangiften zou aantonen. De rechtbank stelt vast dat verweerder niet alle relevante stukken heeft overgelegd en dat de steekproef niet statistisch-wetenschappelijk verantwoord is vanwege het ontbreken van homogeniteit in de populatie en onvoldoende transparantie.
De rechtbank overweegt dat de sputterplaat onmisbaar is voor de mechanische en elektronische werking van de sputtermachine, omdat deze zorgt voor vacuümafsluiting, koeling en het sluiten van het elektronische circuit. Op grond van jurisprudentie en de objectieve kenmerken van de sputterplaat wordt deze dan ook als deel van de sputtermachine ingedeeld onder GN-post 8486 90. Hierdoor is de door verweerder gehanteerde indeling onjuist.
De rechtbank vernietigt de uitspraak op bezwaar en de naheffingsaanslag. Tevens oordeelt zij dat de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak is overschreden, waardoor eiseres een immateriële schadevergoeding wordt toegekend. Daarnaast wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De rechtbank wijst een forfaitaire proceskostenvergoeding toe, omdat er geen sprake is van uitzonderlijke omstandigheden.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt de naheffingsaanslag en uitspraak op bezwaar wegens onjuiste toepassing van de steekproef en onjuiste indeling van sputterplaten als deel van de sputtermachine.
Uitspraak
Rechtbank noord-holland
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 22/3501
uitspraak van de meervoudige douanekamer van 15 januari 2026 in de zaak tussen
[eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. B.J.B. Boersma)
en
de inspecteur van de Douane, verweerder.
Inleiding en procesverloop
In deze zaak oordeelt de rechtbank over de indeling van sputterplaten (hierna ook: trefplaten) in de Gecombineerde Nomenclatuur (hierna: GN) en de toepassing van de door verweerder gehanteerde steekproef.
Verweerder heeft aan eiseres met dagtekening 25 januari 2017 een uitnodiging tot betaling (hierna: utb) uitgereikt van € 555.105,87, zijnde een bedrag van € 547.082 aan douanerechten en € 8.023,87 aan rente op achterstallen.
Verweerder heeft met zijn uitspraak op bezwaar van 29 juni 2022 het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard. Verweerder heeft € 108.015 aan douanerechten en € 1.584,22 aan rente op achterstallen verrekend, en de utb voor het bedrag van € 439.067 aan douanerechten en € 6.439,65 aan rente op achterstallen gehandhaafd.
Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting is aangevangen op 27 februari 2025.
Namens eiseres is verschenen mr. B.J.B. Boersma. Namens verweerder zijn verschenen mr. [naam 1] en [naam 2] RA. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst.
Het onderzoek ter zitting is hervat op 3 oktober 2025.
Namens eiseres zijn verschenen: mr. B.J.B. Boersma en [naam 10] .
Namens [bedrijf 1] GmbH (hierna: [bedrijf 1] ) zijn verschenen: [naam 4] en [naam 5] .
Namens verweerder zijn verschenen: mr. [naam 1] , [naam 3] RA,
[naam 6] RA, [naam 2] RA en [naam 7] .
Feiten
1. Eiseres is douane-expediteur en verzorgt aangiften voor het brengen in het vrije verkeer van goederen voor derden waaronder [bedrijf 1] .
2. Verweerder heeft bij eiseres een administratieve controle ingesteld, onder meer naar de aangiften die zij over de periode 1 januari 2013 tot en met 31 december 2014 heeft gedaan ten behoeve van [bedrijf 2] ( [bedrijf 2] ). De bevindingen van dit onderzoek heeft verweerder vastgelegd in een rapport met dagtekening 25 januari 2017 (hierna: het controlerapport). Het controlerapport luidt – voor zover van belang – als volgt:
1. Controleopdracht
(..)
In de controleperiode is de [bedrijf 2] ( [bedrijf 2] ) gebruikt voor de volgende klanten van [eiseres]:
- [klant 1] BV
- [klant 2] B.V.
- [klant 3] B.V.
- [klant 4] B.V.
- [klant 5] B.V.
- [klant 6] B.V.
- [klant 7]
- [klant 8] BV.
- [klant 9]
(..)
2.2
Goederenassortiment en goederenstromen
Het goederenassortiment is divers, omdat [eiseres] verschillende opdrachtgevers heeft. [Eiseres] verzorgt de GPA voor diverse importeurs in Nederland. (…)
2.6
Logistieke administratie en de GPA
(..)
Inventarisatie
[Eiseres] is op dit moment bezig met het actualiseren van de AO/IB, elke branche heeft haar eigen AO/IB.
4. Steekproef
4.1
Algemeen
(..)
Bij de inrichting van de steekproef is – met het oog op de gewenste efficiëntie – het zo snel mogelijk goedkeuren van de populatie als uitgangspunt gehanteerd. In navolging op hetgeen binnen accountantskringen gebruikelijk is, is daarbij uitgegaan van een betrouwbaarheid van 95%. Bij de trekking van de steekproef is voorts uitgegaan van een materialiteit van € 108.000, een controletolerantie die gelijk is aan de materialiteit en een nul foutenverwachting. Een en ander heeft geleid tot een interval van € 36.000,00. De steekproef is getrokken uit een populatie, die bestaat uit de positieve bedragen van het totaal van de maximaal te missen douanerechten.
Van elke aangifteregel wordt de maximum te heffen douanerechten berekend. In de GPA van 2014 is € 3.888.717,35 het bedrag aan maximaal te missen douanerechten en vormt de populatie uitgedrukt in euro’s waarop de steekproef getrokken is. Elke getrokken euro is weer te herleiden tot de origineel ingediende aangifte.
De populatie bestaat uit € 3.888.717,35 waaruit aselect 108 geldeenheden ter controle zijn geselecteerd. Deze 108 geldeenheden maken deel uit van 107 GPA-regels.
4.2
Indeling in het gebruikstarief
“(..) Voor de volgende goederen is vastgesteld dat zij niet juist zijn ingedeeld:
Goederencode
(aangegeven)
Goederencode
(bevonden)
Goederen-
omschrijving
DR%
(aangegeven)
DR%
(bevonden)
Aantal
aangiften
regels
4011 99 00 00
4011 10 00
buitenbanden voor cart (auto’s)
4
4,5
1
8486 90 90 00
8112 99 70
Target, trefplaat van indium tin oxide (ITO)
3
1
8486 90 90 00
8102 99 00
Trefplaten molybdeen (…)
7
1
8486 90 90 00
8103 90 90 10
Trefplaat van tantalium (TA)
4
1
8486 90 90 00
8108 90 90 99
TARGET, trefplaat van titaan
7
1
8486 90 90 00
7419 99 90 99
trefplaten van koper
3
23
8486 90 90 00
8103 90 90 10
Trefplaat van Tantalium (TA)
4
15
8486 90 90 00
8111 00 90
trefplaten van Mangaan
5
1
8486 90 90 00
3824 90 97 99
trefplaten van Lanthanum
6,5
2
8536 61 90 90
8504 40 84 90
C-HGFIB HG100W Adapter
2,3
3,3
1
9012 10 90 00
9011 80 00
Optische microscopen
3,7
6,7
2
9031 49 90 00
9012 90 90
delen, toebehoren van microscopen (…)
3,7
1
(..)
Trefplaten:
In de GPA zijn door [eiseres] trefplaten aangegeven onder de Taric-code 8486 9090 00.(..)
(..) Bij de indeling is uitgegaan van de indelingsregels 1,3b en 6. Het wezenlijke karakter van de trefplaten wordt toegekend aan het metaal dat wordt verbruikt bij het sputterproces, het zogenoemde depositiemateriaal. In het Gebruikstarief wordt onder afdeling XV ‘Onedele metalen en werken daarvan’ en de bijbehorende hoofdstukken per metaalsoort, de trefplaat met naam genoemd. In het Gebruikstarief worden de trefplaten met de diverse depositiematerialen van soorten metaal, dan ook onder het hoofdstuk van dat betreffende metaal ingedeeld.”(..)
(..) De importeur [bedrijf 1] is van mening dat trefplaten als onderdeel van de machine gezien moeten worden. (..).”
5. Evaluatie steekproef
(..) Ten aanzien van 50 boekingen hebben wij geconcludeerd dat goedkeuring niet mogelijk is; de hiermee samenhangende bekende fout bedraagt € 96.138,00.
De maximale fout binnen de populatie bedraagt € 758.980,00 en overstijgt daarmee het bedrag van de materialiteit van € 108.000,00. Onder deze omstandigheden kan de onderzochte populatie – als gevolg van de daarin voorkomende fouten – niet worden goedgekeurd.
Op basis van de uitkomsten van de steekproef is tevens een berekening gemaakt van de foutprojectie. Hierbij gaat het om de beste schatting van de som van de fouten in de populatie, zoals die op basis van de uitkomsten van de steekproef kan worden gemaakt. De foutprojectie bedraagt € 547.082,00. (..)
(..)
Conclusie:
Het steekproefonderzoek zal worden afgewikkeld met een correctie ten bedrage van de foutprojectie € 547.082. (..)
3. Verweerder heeft eiseres tijdens de controle verzocht om nadere informatie omtrent de samenstelling van de trefplaten te verstrekken. Eiseres heeft op 14 december 2015 het volgende e-mailbericht van [naam 5] aan eiseres naar verweerder gestuurd:
‘As we discussed today, our product descriptions don’t include the term “Sputtering Targets” as our customers already know they are buying targets. The descriptions focus on the actual material, target dimensions, and sometimes the backing plate material. Here are some additional details for each of the Item Numbers you’ve listed.
FNQTAA000248A – Ta target (…)
FNQTAX000341A – Ta target (…)
LCQ05X000052A – Indium Tin Oxide (ITO) target (…)
CLQTA1000025D – TA coil (…)
FNQC03000570A – Cu target (…)
FNQC68000421E – Cu-Alloy target (…)
FNQC68000421E – Cu target (…)
FNQTAX000201D – Ta target (…)
FNQTAA000204B – Ta target (…)
4. Verweerder heeft naar aanleiding van de bevindingen tijdens de controle op 25 januari 2017 de in het procesverloop vermelde utb uitgereikt.
5. In de uitspraak op bezwaar heeft verweerder meegedeeld dat een aantal artikelen ten onrechte waren aangemerkt als trefplaten, maar dat dit ‘coils’ betreffen. De coils merkt verweerder aan als toebehoren van sputtermachines. Indeling dient dan plaats te vinden onder Taric-code 8486 90 90 00 waarvoor in 2014 en 2015 een tarief van 0% douanerecht gold. Verweerder heeft deze wijziging verwerkt in de nieuwe evaluatie van de geldsteekproef (hierna: steekproef). Daarin is vastgesteld dat er in de steekproef van de 108 getrokken geldeenheden 42 euro’s (geheel of gedeeltelijk) niet goedgekeurd kunnen worden. Op basis van deze wijziging ten opzichte van de evaluatie in het rapport, komt de foutprojectie uit op een verschuldigd bedrag van € 439.067 aan douanerechten en € 6.439,65 aan rente op achterstallen.
Geschil
6. In geschil is of de utb terecht en voor het juiste bedrag aan eiseres is uitgereikt.
Meer in het bijzonder is in geschil de indeling van het product ‘trefplaat’ in de GN, en de toepassing van de door verweerder gehanteerde steekproef.
Omvang van het geding
7. In de uitspraak op bezwaar is het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard. Verweerder heeft € 108.015 aan douanerechten en € 1.584,22 aan rente op achterstallen verrekend, maar handhaaft de utb voor het bedrag van € 439.067 aan douanerechten en
€ 6.439,65 aan rente op achterstallen.
8. Verweerder heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat het handelen van eiseres niet was gericht op het ontduiken van rechten bij invoer. Hierdoor is de verlengde navorderingstermijn niet van toepassing. Dit betekent dat voor de toepassing van de steekproef de periode vóór 26 januari 2014 buiten beschouwing dient te blijven. Dit heeft geleid tot een aangepaste berekening van het bedrag van de correctie. Het bedrag dat aan douanerechten na herberekening resteert is € 410.215,90. Het bedrag aan rente op achterstallen wordt naar evenredigheid bepaald op € 6.016,50.
Het beroep dient volgens verweerder daarom gegrond te worden verklaard. De rechtbank zal, overeenkomstig het standpunt van partijen, voor wat betreft de omvang van het geding van deze hoogte van de douaneschuld en de rente op achterstallen uitgaan.
Standpunt eiseres
9. Naar de mening van eiseres is de utb ten onrechte aan haar uitgereikt en zij voert daartoe het volgende aan:
- Verweerder heeft nog steeds niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.
- De trefplaten zijn een essentieel onderdeel van sputtermachines. Ze sluiten de kamers af waarin het sputterproces plaatsvindt. Indien een kamer niet juist wordt afgesloten werkt de sputtermachine niet. Er is dan geen vacuüm, geen koeling en het elektrische circuit wordt niet kortgesloten. Delen van de sputtermachine dienen daarom te worden ingedeeld in dezelfde post als de sputtermachine zelf, GN-code 8486 9000. Verweerder heeft herhaaldelijk bevestigd dat deze goederencode correct is.
- De steekproefmethode is niet geschikt voor de berekening van het na te vorderen bedrag. Er is geen sprake van een homogene massa. Het gaat immers niet alleen om sputterplaten, maar ook over onder meer buitenbanden voor vervoermiddelen, een adapter, optische microscopen en delen of toebehoren voor microscopen. Voorts gaat het niet over aangiften voor één opdrachtgever, maar voor negen verschillende importeurs die compleet verschillende producten en productgroepen importeren. Reeds hierom kwalificeren de resultaten van de steekproef niet als een representatieve weerslag van de juistheid van de ingediende GPA-aangifteregels. Verweerder wil over 50 aangifteregels navorderen, terwijl de steekproef betrekking had op 107 aangifteregels. Over de resterende aangifteregels is niets bekend. Het is niet te controleren wat de invloed van de andere 57 aangifteregels is en er valt dus ook geen oordeel te geven in hoeverre de steekproef tot een reëel resultaat komt. Onbegrijpelijk is dat 44.049 aangifteregels de basis vormen, terwijl in het controlerapport staat dat er 103.059 records in de GPA zijn teruggevonden. Onduidelijk is hoe verweerder aan GN-code 6911 1000 komt, waarop het percentage van 12% als hoogst voorkomend douanerechttarief is gebaseerd.
- Reeds omdat verweerder geen toelichting heeft gegeven op de rente op achterstallen, kan die niet in rekening worden gebracht.
Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van haar beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en de utb en verzoekt om een integrale vergoeding van haar proceskosten. Ook verzoekt eiseres om vergoeding van de door haar geleden immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak.
Standpunt verweerder
10. Verweerder voert ten aanzien van de indeling aan dat op basis van de jurisprudentie van het Hof van Justitie trefplaten niet als ‘delen van sputtermachines’ moeten worden ingedeeld. De trefplaat is niet onmisbaar voor de mechanische of elektrische werking van de sputtermachine. De trefplaat voldoet niet aan de voorwaarden van aantekening 2, letter b, op afdeling XVI en indeling als ‘deel van’ een sputtermachine onder GS-post 84.86 is niet mogelijk. De functie van een trefplaat is het voorzien van een substraat van een laag depositiemateriaal en daarom dient met toepassing van indelingsregel 3b indeling plaats te vinden als ‘andere werken van metaal’ onder de post van het depositiemateriaal.
Verweerder voert ten aanzien van de steekproef aan dat verweerder er terecht voor heeft gekozen om deze toe te passen, dat deze correct is uitgevoerd en kon dienen als basis voor de utb.
Verweerder concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, als weergegeven onder punt 8.
Beoordeling door de rechtbank
Op de zaak betrekking hebbende stukken.
11. Op grond van artikel 8:42, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zendt het bestuursorgaan binnen vier weken na de dag van verzending van de gronden van het beroepschrift de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de bestuursrechter. Ingevolge artikel 8:31 vanPro de Awb kan de rechtbank indien een partij niet voldoet aan de verplichting stukken over te leggen daaruit de gevolgtrekkingen maken die haar geraden voorkomen.
Bij de beantwoording van de vraag of verweerder alle op de zaken betrekking hebbende stukken heeft overgelegd, heeft de rechtbank betrokken hetgeen de Hoge Raad in dit verband en voor zover van belang heeft geoordeeld op 23 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1182, 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672 en 25 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:995.
12. De rechtbank heeft verweerder bij brieven van 28 juli 2022, 6 maart 2024, 31 mei 2024, 9 juli 2024 en 18 juli 2024 verzocht de stukken van het geding te overleggen. Daarbij is aangegeven dat bij het uitblijven van een reactie de rechtbank de gevolgtrekkingen zal maken die haar geraden voorkomen. In de brief van 22 juli 2024 is aan verweerder uitstel verleend tot 15 september 2024 om de stukken over te leggen. Verweerder heeft echter pas op 14 februari 2025, 13 dagen voor de zitting van 27 februari 2025, de processtukken samen met het verweerschrift ingediend. In een e-mailbericht van de plaatsvervangend directeur van de Douane Amsterdam staat dat het laat aanleveren van stukken mede het gevolg is van de vertraagde behandeling van het beroep door de rechtbank. Dit is, gelet op het bepaalde in artikel 8:42, eerste lid, van de Awb, evenwel geen rechtvaardiging voor het later indienen van de stukken. De werkwijze van verweerder is om de stukken tezamen met het verweerschrift over te leggen. Echter, het verweerschrift is in beginsel niet een verplicht over te leggen stuk en staat los van de verplichting de op de zaak betrekking hebbende stukken te overleggen.
13. De rechtbank heeft ter zitting op 3 oktober 2025 vastgesteld dat verweerder, bij zijn brief en verweerschrift van 14 februari 2025, niet alle stukken van het geding heeft overgelegd. De rechtbank merkt op dat de op de zaak betrekking hebbende stukken niet alleen de stukken zijn die verweerder heeft gebruikt voor het opstellen van het verweerschrift, maar alle stukken die verweerder ter beschikking hebben gestaan bij het nemen van zijn besluit en die nog steeds relevant kunnen zijn voor de beoordeling van het geschil.
14. De rechtbank constateert dat in ieder geval de volgende stukken niet zijn overgelegd:
- het concept-controlerapport, dat volgens de toelichting van verweerder ter zitting ook moet worden aangemerkt als de mededeling van artikel 22, zesde lid, van het Douanewetboek van de Unie;
- de uitleg van de heer [naam 9] over de uitgevoerde steekproef die is gegeven tijdens het hoorgesprek en welke naar verweerder ter zitting heeft aangegeven – is vastgelegd in een
e-mail;
- de lijst met 44.049 aangifteregels;
- informatie over de euro’s (van de 108 getrokken euro’s) die in de steekproef wél zijn goedgekeurd;
- reden/aanleiding voor de steekproef;
- tussenstappen in de berekening van de steekproef.
15. Hoewel deze stukken als gevolg van voornoemde werkwijze van verweerder niet zijn overgelegd en het dossier dus incompleet is, met name ten aanzien van de begrijpelijkheid en inzichtelijkheid van de steekproef, is de rechtbank van oordeel dat zij de zaak inhoudelijk kan beoordelen.
Steekproef
16. Aangezien verweerder wenst af te wijken van de douaneaangiften van eiseres, waarbij de resultaten van de steekproef worden gebruikt als bewijsvermoeden voor geconstateerde fouten in de in de steekproef betrokken populatie, rust op hem de bewijslast voor de door hem voorgestane juiste toepassing van de steekproef.
17. Om de resultaten van een steekproef als bewijsmiddel te aanvaarden is vereist dat de steekproef wordt uitgevoerd op een statistisch-wetenschappelijk verantwoorde en controleerbare wijze. Omdat bij een vaststelling van fouten aan de hand van de resultaten van een steekproef per definitie (deels) wordt geconcludeerd tot het bestaan van feiten, of liever fouten, die niet daadwerkelijk zijn waargenomen, kan aan het bewijsmiddel echter niet meer bewijskracht worden toegekend dan dat de inspecteur daarmee het vermoeden van het bestaan van die feiten of fouten tot de berekende omvang kan scheppen. Dat bewijsvermoeden is voor ontzenuwing vatbaar. De belastingplichtige moet de gelegenheid tot die ontzenuwing worden geboden. De belastingplichtige kan in dat verband elk middel aanwenden ter staving van de stelling dat de uitkomst van de steekproef is beïnvloed door voor hem ongunstige omstandigheden, dan wel dat de steekproef is gebaseerd op verkeerde uitgangspunten [1] .
18. Verweerder heeft ten aanzien van de steekproef – kort weergegeven – het volgende overwogen.
Verweerder heeft gekozen voor een populatie die bestaat uit de maximaal niet geheven euro’s douanerechten. De populatie waaruit de steekproef is getrokken heeft betrekking op 44.049 aangifteregels. Voor de samenstelling van de populatie is uitgegaan van het in de GN hoogst voorkomende douanerechttarief dat in de aanvullende aangiften in het jaar 2014 is vermeld, namelijk een douanetarief van 12%. De steekproef is getrokken uit de populatie ‘maximaal potentieel te weinig afgedragen douanerechten’ ten bedrage van
€ 3.888.717,35. Er zijn 107 GPA-regels gecontroleerd. Tijdens de beoordeling is vastgesteld dat in de steekproef van de 108 getrokken geldeenheden er 50 euro’s (geheel of gedeeltelijk) niet goedgekeurd kunnen worden. Tijdens de behandeling van het bezwaarschrift is het aantal niet goedgekeurde geldeenheden gewijzigd en verminderd naar 47 (waarvan 42 bestreden op de indeling). De foutprojectie bedraagt € 439.067 (dit was in het onderzoeksrapport € 547.082) en is volgens verweerder de beste schatting voor het bedrag aan fouten binnen de populatie, zoals die op basis van de uitkomsten van de steekproef kan worden gemaakt. De foutprojectie geldt als bewijsvermoeden.
19. De rechtbank stelt vast dat gegevens over de aanleiding en rechtvaardiging van de steekproef ontbreken. Voorts ontbreekt informatie over de 44.049 in de controle betrokken aangifteregels die tezamen de basis voor de populatie van de statische steekproef vormen. Daarnaast ontbreken tussenstappen in de berekening van de steekproef en ontbreekt de
e-mail waarin de heer [naam 9] de steekproef heeft uitgelegd, terwijl in het verweerschrift wordt geciteerd uit de inhoud van deze e-mail, die kennelijk is opgesteld ten behoeve van of naar aanleiding van het hoorgesprek van 14 maart 2018. Ook is niets bekendgemaakt over de posten/euro’s die wel zijn goedgekeurd. Zonder informatie over het vorenstaande is voor eiseres en de rechtbank niet of niet voldoende vast te stellen of zelfs maar in te schatten welke waarde moet worden gehecht aan de posten/euro’s die niet zijn goedgekeurd.
20. De rechtbank is van oordeel dat er dusdanig veel gegevens ontbreken dat de rechtbank niet kan toetsen welke controle verweerder op welke posten (euro’s/aangiften/goederen) heeft uitgevoerd. Verweerder kan reeds daarom niet gevolgd worden in zijn standpunt dat de resultaten van de steekproef kunnen dienen als bewijsvermoeden voor de onderbouwing van de utb.
21. Daarnaast overweegt de rechtbank het volgende. Wil een steekproef zoals de onderhavige steekproef vanuit statistisch-wetenschappelijk oogpunt verantwoord zijn, dan is onder meer vereist dat de elementen (in casu: euro’s) van de steekproef een homogene populatie vormen en dat de keuze voor die populatie aan de hand van objectieve maatstaven plaatsvindt [2] . Homogeniteit vereist samenhang tussen de elementen van de populatie. In het kader van de populatievorming zijn onder meer bedrijfsverkenning en de analyse van de administratie relevant. Eiseres bestrijdt dat sprake is van een homogene populatie, omdat zij voor diverse opdrachtgevers verschillende soorten goederen aangeeft voor het vrije verkeer.
22. De rechtbank is van oordeel dat sprake moet zijn van homogeniteit van een populatie wanneer de steekproefmethode wordt gebruikt met als doel de niet geheven euro’s aan douanerechten per aangifteregel te onderzoeken, om consistentie in de foutverwachting te kunnen aannemen.
Ten aanzien van de tariefindeling, op basis waarvan de douanerechten worden bepaald, die uiteindelijk het onderwerp van onderzoek zijn, kan niet worden vastgesteld dat de onderzochte posten voldoende gelijk zijn om de homogeniteit van de populatie te kunnen onderbouwen. Daaraan doet niet af het door verweerder ter zitting ingenomen standpunt dat hij een deugdelijke Administratieve Organisatie/Interne Beheersing (hierna: AO/IB) aanneemt en daardoor er vanuit kan gaan dat de populatie homogeen is. Deze aanname komt bovendien niet overeen met de passage in het controlerapport onder punt 2.6 over de AO/IB. Daarin staat enkel vermeld: “[Eiseres] is op dit moment bezig met het actualiseren van de AO/IB, elke branche heeft haar eigen AO/IB”. Stukken waaruit blijkt dat de AO/IB daadwerkelijk is getoetst, ontbreken. Daarom kan enkel op basis van voornoemde passage niet geconcludeerd worden dat sprake is van een homogene populatie. Voorts betekent het feit dat eiseres in eigen naam en voor eigen rekening aangifte doet, niet dat reeds daarom al haar aangiften als homogene populatie kunnen worden aangemerkt, nu verweerder in het controlerapport heeft vastgesteld dat het goederenassortiment van eiseres divers is, omdat zij verschillende opdrachtgevers heeft.
23. Nu verweerder tegenover de gemotiveerde betwisting van eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een homogene populatie, kan de steekproef niet als bewijsvermoeden dienen.
24. Voorts overweegt de rechtbank dat van de 108 euro’s die getrokken zijn, 50 (later 47, waarvan 42 bestreden op de indeling) als “fout” werden aangemerkt. Dat betekent dat 61 euro’s in ieder geval zijn goedgekeurd. Ervan uitgaande dat de 61 euro’s die zijn goedgekeurd betrekking hadden op andere goederen dan de “fouten” in de onderhavige zaak (sputterplaten, microscopen en dergelijke), heeft eiseres andere goederen dan wel correct ingedeeld, zodat de resultaten van de steekproef in ieder geval niet kunnen worden omgeslagen over de rest van de populatie nu van de rest geen gegevens bekend zijn. Zonder nadere toelichting – die ontbreekt – kan niet tot op het niveau van een bewijsvermoeden worden aangenomen dat een wiskundig berekend aantal van de aangiften onjuist ingedeelde goederen betreft. Wanneer de geconstateerde fout de tariefindeling van sputterplaten betreft, kan bovendien niet worden aangenomen dat dezelfde fout, namelijk de verkeerde tariefindeling van sputterplaten, is gemaakt bij andere goederen. Dit betekent dat de resultaten van het onderzoek van verweerder niet ten grondslag kunnen worden gelegd aan de utb voor zover deze zien op goederen die niet daadwerkelijk zijn onderzocht. Ten overvloede overweegt de rechtbank nog als volgt.
25. Voor zover de controle aangemerkt kan worden als statistische steekproef, dient eiseres de gelegenheid te krijgen om het bewijsvermoeden te ontzenuwen, door bijvoorbeeld het aanwijzen van fouten in de steekproef of inconsistenties, maar wordt zij daarin gehinderd door voornoemde onvolledige informatie over de uitgevoerde steekproef. De stelling van verweerder ter zitting dat argumenten over de tariefindeling van de sputterplaten niet worden gezien als tegenbewijs, volgt de rechtbank niet. Ten eerste is deze in strijd met de eveneens door verweerder ter zitting ingenomen stelling dat als de indeling van de sputterplaten die eiseres voorstaat juist is, dit de uitkomst van de steekproef zal wijzigen, waarvoor hij ter zitting een berekening heeft gegeven. Ten tweede komt het niet overeen met de stelling van verweerder dat als tegenbewijs wel kan worden aangemerkt de onderbouwing van de tariefindeling van alle andere aangiften.
26. Naar verweerder onweersproken heeft gesteld, bestaat de populatie uit alle (euro’s in douanewaarde van de) aangiften voor het vrije verkeer uit 2014. Tegenbewijs dat moet bestaan uit een integrale controle door eiseres op alle aangiften voor het vrije verkeer (met verslaglegging aan de douane) is een bewijslast die niet wordt gerechtvaardigd door de keuze van verweerder om de controle met een steekproef uit te voeren. Dit klemt temeer nu uit de stukken van het geding niet blijkt dat verweerder een rechtvaardiging heeft gegeven voor het uitvoeren van een steekproef en daarover geen afstemming met eiseres heeft gehad.
Een integrale controle van alle aangiften kan in deze zaak redelijkerwijs niet van eiseres worden verlangd, nu verweerder niet bekend heeft gemaakt wat precies door verweerder is onderzocht, welke gegevens zijn gebruikt en niets is bekend gemaakt over de 61 posten waarin de goederen kennelijk wél juist zijn ingedeeld.
In dit verband wijkt deze zaak af van het arrest van de Hoge Raad en de bijbehorende conclusie van de Advocaat-Generaal uit 2008 waar verweerder ter zitting naar heeft verwezen [3] . In die zaak was de vraag aan de orde of terecht vergoedingen voor woon-werkverkeer niet in de loonheffing waren betrokken, waarbij relevant was of de betrokken werknemers een woonplaats in Engeland of in Nederland hadden. Een steekproef kon daar worden ingezet om uit de hele populatie (van woon-werkvergoedingen) a-selecte guldens te trekken om te controleren of de woonplaats daadwerkelijk in Engeland is gelegen.
Aan de uitslag van de steekproef ligt dan ten grondslag dat de aangetroffen fouten iets kunnen zeggen over de daadwerkelijk aanwezige (totaal aanwezige) hoeveelheid fouten in de homogene populatie, dat het bewijsvermoeden gerechtvaardigd is dat wanneer een x-aantal fouten wordt aangetroffen er meer fouten in die populatie zitten, en dat de hoeveelheid fouten evenredig kan worden berekend. Omdat de steekproef in die zaak, anders dan in thans voorliggende zaak, wel controleerbaar was, kon tegenbewijs in die zaak bestaan uit een integrale controle van álle woon-werkvergoedingen door voor alle vergoedingen de woonplaats Engeland aan te tonen.
27. Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat verweerder niet is geslaagd in de op hem rustende bewijslast voor de door hem voorgestane toepassing van de steekproef. De beroepsgrond van eiseres slaagt.
Indeling in de GN
28. Bij deze stand van het geding is de tariefindeling van de daadwerkelijk onderzochte sputterplaten in geschil.
29. Tussen partijen is niet in geschil dat de sputtermachine ingedeeld dient te worden in GN-post 8486. In geschil is de vraag of de trefplaat een deel is van de sputtermachine in de zin van GN-post 8486 90. De rechtbank zal allereerst deze vraag beantwoorden.
Toepasselijke regelgeving
30. GN-post 8486 luidde ten tijde van de aangifte – voor zover van belang – als volgt:
8486 Machines en apparaten van de soort die uitsluitend of hoofdzakelijk wordt gebruikt voor de vervaardiging van staven of schijven (wafers) van halfgeleidermateriaal, van elementen of schakelingen van halfgeleidermateriaal, van elektronische geïntegreerde schakelingen of van platte beeldschermen; machines en apparaten bedoeld bij aantekening 9, onder C), op dit hoofdstuk; delen en toebehoren
8486 90 – delen en toebehoren
– – andere
8486 90 90 – – – andere
31. Aantekening 2 op afdeling XVI luidde ten tijde van belang:
“2. Behoudens het bepaalde in aantekening 1 op deze afdeling en in de aantekeningen 1 op de hoofdstukken 84 en 85, worden delen van machines (andere dan delen van artikelen bedoeld bij post 8484 , 8544 , 8545 , 8546 of 8547 ) ingedeeld met inachtneming van de volgende regels:
a. a) (…);
b) delen, andere dan die bedoeld onder a) hiervoor, waarvan kan worden onderkend dat zij uitsluitend of hoofdzakelijk bestemd zijn voor een bepaalde machine (…), worden ingedeeld onder de post waaronder die machine valt of die machines vallen (…);
c) (…)”.
Jurisprudentie
32. In het arrest van het Hof van Justitie van 15 februari 2007, Ruma, C‑183/06, Jurispr. blz. I‑1559, is geoordeeld dat een toetsenbordfolie (een schakelmat van polycarbonaatfolie, met aan de bovenkant voorgevormde toetsen en aan de onderkant contactpennen, die wordt gebruikt als bedienings- en afdekmat voor het toetsengedeelte van het toetsenbord van mobiele telefoons) moet worden ingedeeld als deel van een mobiele telefoon. Het Hof van Justitie heeft onder meer overwogen:
“31. Zoals reeds gezegd, impliceert het begrip „deel” de aanwezigheid van een geheel, voor de werking waarvan dit deel noodzakelijk is (zie arrest Peacock, reeds aangehaald, punt 21, en arrest van 7 februari 2002, Turbon International, C‑276/00, Jurispr. blz. I‑1389, punt 30).
32. Dienaangaande moet worden vastgesteld dat door de assemblage van de toetsenbordfolie met de andere onderdelen van de mobiele telefoon de functionele eenheid van die telefoon ontstaat. Van een „functionele eenheid” zoals gedefinieerd door de rechtspraak van het Hof is sprake wanneer een machine of toestel bestaat uit afzonderlijke elementen, die zijn ontworpen om gezamenlijk een welbepaalde functie te verrichten (arrest van 7 oktober 1985, Telefunken Fernseh und Rundfunk, 223/84, Jurispr. blz. 3335, punt 29).
33. In casu speelt de folie een rechtstreekse rol in het gebruik van de mobiele telefoon, doordat hij het mogelijk maakt de contactpunten te bedienen en daardoor ook, toegang te krijgen tot de verschillende functies van de telefoon. Zonder de toetsenbordfolie is het onmogelijk toegang te krijgen tot die verschillende functies. Bijgevolg is de folie ontegenzeglijk een onmisbaar onderdeel voor de werking van de mobiele telefoon.
(…)
37. In casu sluiten de structuur van de toetsenbordfolie – met name de speciaal voor een bepaald type mobiele telefoon geschikte vorm – en de manier waarop hij werkt, ieder ander gebruik van deze folie dan als onderdeel van die telefoon uit. Door de eigenschappen van de toetsenbordfolie wordt tevens een zekere mate van dichtheid van de telefoon verzekerd, doordat met name het indringen van stof en vocht wordt verhinderd.”
33. In het arrest van het Hof van Justitie van 12 december 2013, C-450/12 (Hark GmbH & Co KG Kamin- und Kachelofenbau) is onder meer overwogen:
“36. De GN bevat geen definitie van het begrip „delen” in de zin van GN-post 7321. Niettemin volgt uit de rechtspraak die het Hof heeft ontwikkeld binnen de context van de hoofdstukken 84 en 85 van afdeling XVI en van hoofdstuk 90 van afdeling XVIII van de GN, dat het begrip „delen” de aanwezigheid impliceert van een geheel, voor de werking waarvan deze delen noodzakelijk zijn (zie met name arresten van 15 februari 2007, Ruma, C‑183/06, Jurispr. blz. I‑1559, punt 31; 16 juni 2011 Unomedical, C‑152/10, Jurispr. blz. I‑5433, punt 29, en reeds aangehaald arrest Rohm & Haas Electronic Materials CMP Europe e.a., punt 34). Uit die rechtspraak volgt dat om een artikel te kunnen doen vallen onder de „delen”, in de zin van bovengenoemde hoofdstukken, het niet voldoende is dat wordt aangetoond dat de machine of het apparaat zonder dat artikel niet de functie kan vervullen waarvoor het is bestemd, doch dient eveneens te worden aangetoond dat de mechanische of elektronische werking van die machine of dat apparaat afhangt van de aanwezigheid van dat artikel (zie in die zin arrest van 7 februari 2002, Turbon International, C‑276/00, Jurispr. blz. I‑1389, punt 30, en reeds aangehaald arrest Rohm & Haas Electronic Materials CMP Europe e.a., punt 35). Bovendien moet aantekening 2, sub a, op afdeling XV van de GN in aanmerking worden genomen, die preciseert dat waar, inter alia, in post 7321 „delen” worden genoemd, zulks niet slaat op „delen voor algemeen gebruik”.”
Vervolgens heeft het Hof van Justitie overwogen dat in het belang van een coherente en uniforme toepassing van het gemeenschappelijk douanetarief het begrip „delen”, in de zin van GN-post 7321, dezelfde definitie dient te krijgen als die welke voortvloeit uit de in punt 36 van dat arrest genoemde en ten aanzien van andere hoofdstukken van de GN gewezen rechtspraak. Gelet op de feitelijke vaststellingen van de verwijzende rechter stelt het Hof van Justitie vervolgens vast dat een buisbochtstuk van een kachel onmisbaar is voor de werking van de kachel en dan ook moet worden aangemerkt als een deel van de kachel.
Die feitelijke vaststellingen betroffen de omstandigheid dat het buisbochtstuk (een verbindingsstuk met afsluiter), dat ertoe dient de kachel te verbinden met de schoorsteen, voor die kachel exclusief bestemd is, en bij het ontbreken van dit stuk de kachel niet in werking kan worden gesteld, daar anders de rookgassen zouden ontsnappen.
34. In het arrest van de Hoge Raad van 1 juni 2018, nr. 16/05293, ECLI: NL:HR:2018:799 (aquariumverlichtingsreflector) heeft de Hoge Raad met verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van 8 december 2016, Lemnis Lighting B.V., C-600/15, ECLI:EU:C:2016:937, overwogen dat een reflector ten behoeve van een aquariumverlichtingstoestel niet als deel daarvan kan worden ingedeeld, omdat de aquariumverlichting goed functioneert zonder dat de reflector op de tl-buis is bevestigd, de werking van het aquariumverlichtingstoestel niet afhangt van de aanwezigheid van de reflector, en de reflector voor de werking daarvan als geheel niet noodzakelijk is.
Overwegingen
35. Voor de indeling zijn wettelijk bepalend de bewoordingen van de posten en de postonderverdelingen, de aantekeningen op de afdelingen en op de hoofdstukken en de algemene indelingsregels (indelingsregel 1).
Het is vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie, dat in het belang van de rechtszekerheid en van een gemakkelijke controle, het beslissende criterium voor de tariefindeling van goederen in het algemeen moet worden gezocht in hun objectieve kenmerken en eigenschappen, zoals deze in de tekst van de GN-posten en in de aantekeningen op de afdelingen en de hoofdstukken zijn omschreven. Hierbij vormen de GS- en de GN-toelichtingen nuttige aanwijzingen voor de tariefindeling, ook al zijn deze toelichtingen slechts uitleggingen en rechtens niet bindend (zie HvJ 26 april 2017, C-51/16 (Stryker EMEA Supply Chain Services BV), r.o. 39 en 45).
36. De rechtbank stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter zitting vast dat de trefplaat de volgende objectieve kenmerken en eigenschappen heeft.
Een trefplaat bestaat uit een metalen plaat (‘backing plate’) welke dient als drager voor het zich daarop bevindende depositiemateriaal. Het depositiemateriaal bestaat uit verschillende metalen en legeringen van metalen zoals koper, kobalt, tantaal, kopermangaan, platinamangaan etc. De trefplaat wordt met behulp van schroeven gemonteerd aan de binnenzijde van het deksel van de kamer van de sputtermachine. De kamer betreft de vacuümruimte van de sputtermachine waarin het sputterproces plaatsvindt. In de bovenzijde van het deksel bevindt zich water dat voor de koeling zorgt tijdens het sputterproces. Zowel in de trefplaat als in het deksel bevindt zich een uitsparing waarin voorafgaand aan het sputterproces een zogenaamde rubberen ‘O-ring’ wordt aangebracht. De trefplaat zorgt in combinatie met beide O-ringen mede ervoor dat – nadat het deksel is gesloten – er geen water vanuit de bovenzijde van het deksel in de kamer van de sputtermachine kan komen en zorgt in combinatie met de O-ringen, voor een vacuüm afsluiting van de kamer van de sputtermachine. De beide rubberen O-ringen maken geen deel uit van de trefplaat.
In de kamer van de sputtermachine bevindt zich het substraat. Dit is een voorwerp (bijvoorbeeld een siliciumwafer) waarop door middel van de sputtertechniek een deklaag depositiemateriaal wordt aangebracht. Met behulp van de sputtertechniek worden in de kamer van de sputtermachine deeltjes depositiemateriaal met hoge snelheid op het substraat afgeschoten waardoor het depositiemateriaal zich aan het substraat hecht door middel van de zogenoemde ‘Vanderwaalsbinding’. Het sputterproces wordt aangestuurd door een besturingsapparaat en gemonitord vanuit een controlekamer.
Na het sputterproces blijft de backing plate (drager) over en bevindt het depositiemateriaal zich op het substraat. De levensduur van een trefplaat is afhankelijk van de oppervlakte van het te sputteren materiaal, van het aantal lagen dat op de trefplaat zit en de intensiteit. (Dat kan een week, een maand of een jaar zijn). De backing plate, nadat het sputterproces heeft plaatsgevonden, wordt niet hergebruikt. De vorm van de trefplaten verschilt per kamer waarvoor zij worden gebruikt.
37. Gelet op voornoemde jurisprudentie dient – kort samengevat – te worden vastgesteld of het “deel” noodzakelijk, en dus onmisbaar is voor de elektronische of mechanische werking van het geheel. Genoemde werking van het geheel moet afhankelijk zijn van het desbetreffende deel. Daarbij moet worden bedacht dat het begrip “werking” in vorenbedoelde zin wel is begrensd, zoals ook blijkt uit het hierboven in overweging 33 reeds genoemde arrest Lemnis Lighting B.V., waarin is geoordeeld dat een ledlamp geen “deel” is van een verlichtingstoestel. Zonder ledlamp kan het verlichtingstoestel (de armatuur) niet de functie vervullen waarvoor het verlichtingstoestel is bestemd (het verspreiden van licht), maar het verlichtingstoestel is voor de werking ervan niet afhankelijk van de ledlamp (het niet verspreiden van licht is niet het gevolg van een gebrekkige werking van het verlichtingstoestel, maar van het ontbreken van een lamp). In gelijke zin ook het arrest van 7 februari 2002, Turbon International, C‑276/00 (arrest Turbon), waarin door het Hof van Justitie is geoordeeld dat een inktcartridge zonder geïntegreerde printkop geen deel van een printer betreft.
38. Het vorenstaande in aanmerking genomen komt bij de beantwoording betekenis toe aan wat in meer inhoudelijke zin onder “werking” van het geheel op zichzelf beschouwd moet worden verstaan. Uit de overwegingen in samenhang met de feitelijke vaststellingen in de hiervoor reeds genoemde zaken Hark, Ruma en die betreffende de aquariumverlichtingsreflector, leidt de rechtbank af dat het een goede werking van een machine of apparaat, gedurende een langere periode (“blijft werken”) moet betreffen. Tevens leidt de rechtbank uit Hark en Ruma af dat de goede werking betrekking kan hebben op veiligheidsaspecten (het voorkomen van het ontsnappen van rookgassen) en de bescherming van de werking van de machine of het apparaat tegen negatieve invloeden van buitenaf (het verhinderen van het indringen van stof en vocht) [4] .
39. De rechtbank is van oordeel dat een goede mechanische en elektronische werking van de sputtermachine afhangt van de aanwezigheid van de trefplaat. Immers niet in geschil is dat door de trefplaat en de O-ringen, de kamer vacuümdicht kan worden afgesloten. De trefplaat dient daarvoor een exacte afmeting voor de trefplaat te hebben en een uitsparing voor de O-ringen. Zonder trefplaat is er geen vacuümafsluiting en treedt het sputtermechanisme niet in werking. Ook is er zonder de trefplaat geen gesloten elektronisch circuit. Als de sputterplaat op het deksel bevestigd zit, is er in het deksel een ruimte waarin water wordt gepompt. Zonder de aanwezigheid van de sputterplaat stroomt het water uit het deksel. De trefplaat dient dus ook voor het insluiten van het koelwater in het deksel. Dat water dient tijdens het sputteren voor de koeling van de sputterplaat. Zonder trefplaat vindt er geen koeling plaats. De functies van de trefplaat die af te leiden zijn uit de objectieve kenmerken en eigenschappen, stijgen uit boven de functie van drager van het depositiemateriaal. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een functionele eenheid als genoemd in het arrest Ruma omdat sprake van een machine die bestaat uit afzonderlijke elementen, die zijn ontworpen om gezamenlijk een welbepaalde functie, namelijk die van de sputtermachine te verrichten. Dat de trefplaat na het sputterproces niet wordt hergebruikt, doet aan het voorgaande niet af. De vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie geeft geen aanleiding te veronderstellen dat voor de indeling als ‘deel van’ verwisselbare onderdelen anders worden beoordeeld dan permanente onderdelen [5] .
40. De stelling van verweerder (met verwijzing naar het arrest Turbon) dat de specifieke vorm van de sputterplaat waardoor deze alleen in de betreffende sputtermachine past, nog niet maakt dat sprake is van een deel van de sputtermachine, kan niet slagen. In het arrest Turbon was de cartridge speciaal voor een bepaald type printer ontworpen en trad de machine wel in werking, maar kwam er geen inkt op het papier. Bij de onderhavige trefplaat echter, treedt de machine in het geheel niet in werking. Zonder trefplaat is immers geen vacuümdichte afsluiting mogelijk en vindt er geen koeling plaats, omdat het deksel zonder de sputterplaat geen koelwater kan bevatten. Ook treedt het elektronisch circuit niet in werking. In het arrest Unomedical van 16 juni 2011 (C‑152/10) waarin de indeling van urineopvangzakken voor katheters in geschil waren, oordeelde het Hof van Justitie dat de aanwezigheid van een veiligheidsmechanisme dat eruit bestaat dat zonder een opvangzak het elektronische circuit niet geactiveerd wordt, niet tot de conclusie leidt dat de opvangzak als deel van de machine kan worden aangemerkt. De verwijzing van verweerder naar dit arrest kan echter niet slagen, gelet op het feit dat de trefplaat er niet alleen voor zorgt dat het elektronisch circuit wordt gesloten, maar ook zorgt voor het vacuüm in de kamer en het insluiten van het koelwater in het deksel. Deze functies zijn onmisbaar voor een goede mechanische en elektronische werking van de sputtermachine.
41. Gelet op het voorgaande is het gelijk aan eiseres. De trefplaat voldoet aan de voorwaarden van aantekening 2, letter b, op afdeling XVI en dient te worden ingedeeld als deel van de sputtermachine in de zin van GN-post 8486 90.
42. De rechtbank merkt op dat in de Verordening (EU) 2021/2278 van de Raad van 20 december 2021 tot schorsing van de in artikel 56, lid 2, punt c, van Verordening (EU) nr. 952/2013 bedoelde rechten van het gemeenschappelijk douanetarief voor bepaalde landbouw- en industrieproducten, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1387/2013 (hierna: de schorsingsverordening), specifieke trefplaten worden genoemd. Deze worden ingedeeld naar het materiaal van de plaat en niet naar het depositiemateriaal. Eiseres heeft op 13 januari 2017 in de reactie op het controlerapport gesteld dat zij bekend is met trefplaten die niet de afsluitende functies hebben, zoals die van eiseres, maar waarbij alleen sprake is van schijven met depositiemateriaal die als zodanig in een kamer kunnen worden geplaatst. Dat verweerder ter zitting van 3 oktober 2025 slechts reageerde met de stelling dat hij niet bekend is met dergelijke platen, is onvoldoende om de stelling van eiseres terzijde te stellen, reeds vanwege de omstandigheid dat verweerder ter zitting concludeerde dat in de schorsingsverordening andere trefplaten worden bedoeld dan de onderhavige trefplaten. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen niet reeds op basis van de in de schorsingsverordening opgenomen indeling van de daar opgenomen sputterplaten de onderhavige sputterplaten niet worden aangemerkt als delen van sputtermachines. De schorsingsverordening dient beperkt te worden uitgelegd. Dat in de schorsingsverordening specifieke trefplaten worden genoemd, doet dan ook niet af aan de indeling van de onderhavige trefplaten (als delen van de machine) of aan indeling van andere trefplaten die bijvoorbeeld dienen te worden ingedeeld naar het depositiemateriaal.
43. In de utb is ook een aantal niet als sputterplaten aan te merken producten begrepen (buitenbanden, adapters, microscopen en delen van microscopen). Nu de controle van verweerder niet kan worden aangemerkt als steekproef, en elke cijfermatige onderbouwing ten aanzien van deze andere producten ontbreekt, kan ook voor deze producten de utb niet in stand blijven.
Conclusie en gevolgen
44. Gelet op het voorgaande dient het beroep gegrond te worden verklaard. De uitspraak op bezwaar van 29 juni 2022 en de utb dienen te worden vernietigd.
Immateriële schadevergoeding
45. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn met inachtneming van het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:252).
46. De redelijke termijn is aangevangen met de ontvangst van het bezwaarschrift door verweerder op 3 februari 2017 en is geëindigd met de uitspraak van de rechtbank op 15 januari 2026. Een bijzondere omstandigheid die verlenging van de redelijke termijn rechtvaardigt, is gesteld noch gebleken. De voor de procedure in eerste aanleg in aanmerking te nemen termijn bedraagt dus afgerond 109 maanden. De redelijke termijn is daarom overschreden met afgerond 85 maanden. Daarmee correspondeert een vergoeding van immateriële schade van € 7.500.
Van de overschrijding met afgerond 85 maanden is een periode van afgerond 59 maanden toe te rekenen aan de bezwaarfase, die is voltooid toen verweerder met dagtekening 29 juni 2022 uitspraak op bezwaar deed. Het restant van 26 maanden wordt toegerekend aan de beroepsfase. Verweerder dient daarom 59/85e deel van € 7.500 te betalen (€ 5.206) en de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) 26/85e deel (€ 2.294).
Proceskosten
Verzoek vergoeding van de integrale kosten voor rechtsbijstand
47. De rechtbank ziet aanleiding voor een proceskostenvergoeding omdat het beroep gegrond is. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van de integrale kosten voor rechtsbijstand. Gemachtigde van eiseres heeft ter zitting meegedeeld dat deze kosten voor de voorprocedure tot aan de uitspraak op bezwaar ongeveer € 76.600 bedragen en voor de beroepsfase ongeveer € 45.000 en heeft aangeboden facturen ter onderbouwing over te leggen. Als reden voor vergoeding van de integrale kosten in de onderhavige zaak noemt eiseres dat verweerder nog steeds niet alle stukken van het geding heeft overgelegd.
48. Verweerder meent dat eiseres recht heeft op een forfaitaire vergoeding van de kosten.
49. De rechtbank overweegt dat de hoogte van de kostenvergoeding in beginsel wordt bepaald met toepassing van artikel 8:75 vanPro de Awb in samenhang met artikel 2, eerste lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) en het in de daarbij behorende bijlage opgenomen puntensysteem. Artikel 7:15, tweede tot en met vierde lid, van de Awb is van toepassing.
50. Op grond van artikel 2, derde lid, van het Besluit kan in bijzondere omstandigheden bij een veroordeling in de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand een van de in de bijlagen bij het Besluit opgenomen forfaitaire tarief afwijkende vergoeding worden vastgesteld. Daarvoor is grond indien het bestuursorgaan het verwijt treft dat het een beschikking neemt of een uitspraak doet of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in een daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden (vgl. HR 13 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2802). Daarnaast kan ook in andere gevallen aanleiding bestaan om, alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemend, af te wijken van de forfaitaire bedragen van het Besluit. Een dergelijke situatie kan zich voordoen indien de inspecteur bij het opleggen van een naheffingsaanslag in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld (vgl. HR 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2975). Blijkens de nota van toelichting bij het Besluit (Stb. 1993, 763) gaat het daarbij om uitzonderlijke gevallen, waarbij strikte toepassing van de hoofdregeling onrechtvaardig uitpakt.
51. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in dit geval weliswaar onzorgvuldig heeft gehandeld door niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen, maar dat er geen sprake is van het nemen van een beschikking of het doen van een uitspraak op bezwaar tegen beter weten in, dan wel van een uitzonderlijke situatie. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om over te gaan tot een hogere vergoeding dan het forfaitaire bedrag. De rechtbank stelt vast dat eiseres een forfaitaire vergoeding toegekend heeft gekregen voor haar kosten in de bezwaarfase.
Proceskostenvergoeding in beroep
52. De rechtbank ziet aanleiding verweerder overeenkomstig het Besluit te veroordelen in de proceskosten van eiseres in beroep. De rechtbank stelt de kosten op grond van het Besluit voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.802. Dit betreft 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting van 27 februari 2025 en 1 punt voor het verschijnen ter zitting van 3 oktober 2025 met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor van 1 voor het gewicht van de zaak.
Griffierecht
53. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, dient verweerder aan eiseres het door haar in de onderhavige zaak betaalde griffierecht ten bedrage van € 365 te vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar van 29 juni 2022;
- vernietigt de utb;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding aan eiseres van de aan de bezwaarfase toerekenbare immateriële schade van eiseres, vastgesteld op een bedrag van € 5.206;
- veroordeelt de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding aan eiseres van de aan de beroepsfase toerekenbare immateriële schade, vastgesteld op een bedrag van € 2.294;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.802;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 365 aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Lauryssen, voorzitter, en mr. W.M.C. Schipper en mr. E.M.R. Vennekens, leden in aanwezigheid van mr. E.P. van der Zalm, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2026.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de douanekamer van het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam, waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Amsterdam vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
1.Zie in vergelijkbare zin Conclusie A-G Hoge Raad, 16 juni 2005, ECLI:NL:PHR:2008:AU0838, onder 7.7
2.Zie in vergelijkbare zin Conclusie A-G Hoge Raad, 16 juni 2005, ECLI:NL:PHR:2008:AU0838, onder 7.8