Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de meervoudige kamer van 19 maart 2026 in de zaken tussen
erven van [belanghebbende] , eisers
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder.
Procesverloop
[naam 2] en mr. [naam 3] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. [naam 4] , mr. [naam 5] , mr. [naam 6] , mr. [naam 7] en mr. [naam 8] .
Overwegingen
[bedrijf 1]
[datum 1] wordt [naam 9] als ‘ Gründer ’ (oprichter) genoemd en staat dat alle oprichtersrechten worden overgedragen aan een rechtsopvolger. In die Zessionserklärung wordt geen rechtsopvolger genoemd. Op het document staat geschreven ‘Original bei mir 2-10-2019’.
12 november 2025, stellen [naam 9] en [naam 10] dat zij de Zessionserklärung van [bedrijf 1] namens erflater in bezit hebben gehouden en dat het document op 2 oktober 2019 aan erflater is overhandigd. Daarnaast verklaren zij dat geen ander persoon dan erflater de oprichtersrechten heeft gehouden.
[datum 2] wordt [naam 11] als ‘ Gründer ’ (oprichter) genoemd en staat dat alle oprichtersrechten worden overgedragen aan een rechtsopvolger. In dat document wordt geen rechtsopvolger genoemd. Op de Zessionserklärung staat ‘Original bei [belanghebbende] in [stad 1] aufbewahrt 06-08-2019’.
6 augustus 2019, ondertekend door erflater, [naam 9] en [naam 12] (hierna: ‘Mandatsvertrag [bedrijf 2] ’), duidt erflater aan als ‘Auftraggeber’ (opdrachtgever) en [naam 9] en [naam 12] als ‘Beauftragte’ (opdrachtnemer). Het Mandatsvertrag strekt ertoe dat [naam 9] en [naam 12] tegen een vergoeding als bestuurslid met zelfstandige tekenbevoegdheid worden benoemd en de taken onder instructie van erflater uitvoeren.
12 november 2025, stellen [naam 9] en [naam 10] dat erflater de eigenaar was van de oprichtersrechten in 2017 en 2018 en dat de Zessionserklärung van [bedrijf 2] in bezit was van erflater. Daarnaast verklaren zij dat geen ander persoon dan erflater de oprichtersrechten heeft gehouden.
Geschil en standpunten van partijen20. In geschil is of [bedrijf 1] en [bedrijf 2] kwalificeren als een APV, met als gevolg dat de onroerende goederen in bezit van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] aan erflater in box 3 toegerekend moeten worden. Meer specifiek ligt de vraag voor of tegenover de inbreng van vermogen in [bedrijf 1] en [bedrijf 2] een uitreiking van aandelen, winstbewijzen of daarmee vergelijkbare rechten heeft plaatsgevonden. Tevens liggen de vragen voor of erflater recht heeft op aftrek in verband met onderhoudsuitgaven voor rijksmonumenten en of omkering en verzwaring van de bewijslast dient te worden toegepast.
De rechtbank overweegt dat het leerstuk van omkering en verzwaring van de bewijslast een dwangmiddel van bestuursrechtelijke aard is dat zowel een reparatoir als een bestraffend (retributief) karakter heeft (vgl. ECLI:NL:PHR:2025:200, onderdeel 2.6 en HR
11 december 1991, ECLI:NL:HR:1991:AW5744, rechtsoverweging 3.6.4). De omkering en verzwaring van de bewijslast heeft tot doel het bevorderen van het doen van juiste en volledige aangiften en het tegemoetkomen aan bewijsproblemen die de inspecteur ondervindt indien onjuiste aangiften worden ingediend (vgl. HR 6 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1106, rechtsoverweging 2.3.2). In onderhavige zaken is sprake van duidelijk te onderscheiden geschilpunten, te weten de toerekening van het vermogen van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] op basis van het APV-regime en de monumentenaftrek. De discussie omtrent het APV-regime raakt het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen, terwijl de discussie omtrent de monumentenaftrek de hoogte van de persoonsgebonden aftrek raakt. De geschilpunten zijn te isoleren van elkaar en betreffen verschillende onderdelen van de aangifte (vgl. ECLI:NL:PHR:2025:200, onderdelen 5.13 en 5.14). Dit maakt naar het oordeel van de rechtbank dat het toepassen van omkering en verzwaring van de bewijslast op alle geschilpunten, in onderhavige zaken een onevenwichtig zware nadruk zou leggen op het bestraffende karakter ten opzichte van het reparatoire karakter van het dwangmiddel. De rechtbank acht dit niet in lijn met de bestuursrechtelijke aard van omkering en verzwaring van de bewijslast. Voor de aanslag IB/PVV 2018 ziet de rechtbank te meer reden voor toepassing van partiële omkering en verzwaring van de bewijslast nu verweerder een bron van inkomen in de aanslag betrekt die niet reeds aanwezig was in de aangifte.
.
€ 8.506.053 en een persoonsgebonden aftrek van nihil. De vermindering van de persoonsgebonden aftrek heeft tot gevolg dat het belastbaar inkomen uit werk en woning
€ 42.783 bedraagt.
€ 26.510. De verhoging van de persoonsgebonden aftrek heeft een vermindering van het belastbaar inkomen uit werk en woning tot gevolg naar een bedrag van € 19.802.
Beslissing
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de uitspraken op bezwaar;
- vermindert de aanslag IB/PVV 2017 tot een berekend naar een grondslag voor berekening van het voordeel uit sparen en beleggen van € 8.506.053 en een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 42.783;
- vermindert de aanslag IB/PVV 2018 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 19.802, een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 523.562 en een persoonsgebonden aftrek van € 26.510;
- vermindert de belastingrentebeschikkingen dienovereenkomstig;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 3.533;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 50 te vergoeden.