De zaak betreft een cassatieberoep van de erfgenamen van een overleden belastingplichtige tegen het oordeel van het gerechtshof dat de omkering en verzwaring van de bewijslast toegepast mogen worden bij navorderingsaanslagen over de jaren 2007 tot en met 2010. De belastingplichtige had niet tijdig of niet volledig aangifte gedaan van inkomsten uit drugshandel. Na zijn overlijden heeft de inspecteur navorderingsaanslagen opgelegd op basis van informatie uit strafrechtelijke onderzoeken.
Het hof oordeelde dat de bewijslast omgekeerd en verzwaard mocht worden omdat de belastingplichtige niet aan zijn aangifteverplichtingen had voldaan. De erfgenamen voerden aan dat deze maatregel niet meer van toepassing kon zijn na het overlijden van de belastingplichtige, en dat het vermoeden van onschuld was geschonden doordat de strafzaak tegen de overledene niet kon worden voortgezet.
De Hoge Raad verwierp deze middelen. De omkering en verzwaring van de bewijslast zijn bestuursrechtelijke maatregelen die ook na overlijden kunnen worden toegepast om bewijsproblemen te ondervangen. Daarnaast is het vermoeden van onschuld niet geschonden omdat het strafrechtelijk vervolgingsrecht is vervallen door overlijden en er geen rechterlijke uitspraak over schuld of onschuld is gedaan. De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond.