AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Aansprakelijkstelling bestuurder voor loonheffing- en omzetbelastingschulden wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur
De rechtbank Noord-Holland behandelde het beroep van een bestuurder die aansprakelijk werd gesteld voor de onbetaalde loonheffing- en omzetbelastingschulden van een transportbedrijf, [bedrijf 1] B.V., over de periode februari 2021 tot en met maart 2023. De bestuurder stelde dat hij rechtsgeldig melding van betalingsonmacht had gedaan en dat geen sprake was van onbehoorlijk bestuur. Daarnaast voerde hij aan dat de aansprakelijkstelling gematigd moest worden vanwege zijn persoonlijke draagkracht en dat de Belastingdienst de hoorplicht en motiveringsbeginsel had geschonden.
De rechtbank oordeelde dat het corona-uitstelverzoek van januari 2022, waarop de bestuurder zich baseerde als melding betalingsonmacht, ten onrechte was aangevraagd omdat geen sprake was van terugvallende opdrachten. Hierdoor kon dit verzoek niet als rechtsgeldige melding worden aangemerkt. Pas met het verzoek van 1 mei 2023 was er een tijdige melding voor de laatste tijdvakken. Voor die tijdvakken was de aansprakelijkheid alleen mogelijk bij kennelijk onbehoorlijk bestuur.
De rechtbank concludeerde dat de bestuurder wist of redelijkerwijs had moeten begrijpen dat belastingschulden onbetaald zouden blijven en dat hij persoonlijk een ernstig verwijt treft. Betalingen aan gelieerde vennootschappen werden als onzakelijk beoordeeld, en een groot deel van de liquiditeiten kwam bij de bestuurder privé terecht. De rechtbank verwierp de stellingen over schending van de hoorplicht en motiveringsbeginsel en wees het beroep af. Matiging van de aansprakelijkheid is wettelijk niet mogelijk.
Uitkomst: De rechtbank bevestigt de aansprakelijkstelling van de bestuurder wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur en verklaart het beroep ongegrond.
Uitspraak
Rechtbank noord-holland
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/1951
uitspraak van de meervoudige kamer van 11 maart 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende
(gemachtigde: mr. B. Coskun),
en
de Ontvanger van de Belastingdienst, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft belanghebbende bij beschikking van 1 februari 2024 aansprakelijk gesteld voor de onbetaald gebleven naheffingsaanslagen loonheffing in de tijdvakken gelegen in de periode november 2022 tot en met maart 2023 en naheffingsaanslagen omzetbelasting in de tijdvakken gelegen in de periode februari 2021 tot en met maart 2023 ten name van [bedrijf 1] B.V. voor een bedrag van € 727.992 (hierna: de beschikking). In dit bedrag zijn kosten en boetes begrepen.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de beschikking gehandhaafd.
Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2026 te Haarlem. Belanghebbende en zijn gemachtigde zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] en [naam 2] .
Overwegingen
Feiten
1. [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1] , of: de belastingschuldige) is sinds haar oprichting op 6 augustus 2020 actief in de transportsector. Op 17 juni 2024 is de naam van de vennootschap gewijzigd in [groep] B.V. Op 5 februari 2025 is het faillissement van [bedrijf 1] uitgesproken.
2. De aandelen van [bedrijf 1] worden (indirect) gehouden door [bedrijf 2] B.V. (hierna: [bedrijf 2] ) en na een juridische afsplitsing op 24 december 2021 door [bedrijf 3] B.V. [bedrijf 2] / [bedrijf 3] B.V. houdt (indirect) aandelen in meerdere vennootschappen, waaronder naast [bedrijf 1] onder meer [bedrijf 4] B.V., [bedrijf 5] B.V., [bedrijf 6] B.V. en [bedrijf 7] B.V. (hierna tezamen: de [bedrijf 3] ).
3. Belanghebbende houdt 50% van de aandelen in [bedrijf 2] . De heer [naam 3] houdt de overige 50% van de aandelen in [bedrijf 2] .
4. Vanaf de oprichting tot en met 7 januari 2022 is [bedrijf 2] de bestuurder van [bedrijf 1] . Belanghebbende is gedurende die periode bestuurder van [bedrijf 2] . Vanaf 7 januari 2022 tot en met 1 april 2024 is [bedrijf 5] B.V. de bestuurder van [bedrijf 1] . De bestuurder van [bedrijf 5] B.V. is [bedrijf 6] B.V. Belanghebbende is gedurende de periode 6 augustus 2020 tot en met 1 april 2024 bestuurder van [bedrijf 6] B.V.
5. Op 1 april 2024 worden de aandelen van [bedrijf 1] overgedragen aan [bedrijf 8] B.V. Vanaf 1 april 2024 tot de datum van faillissement is [bedrijf 8] B.V. de bestuurder van [bedrijf 1] . Bestuurder van [bedrijf 8] B.V. is [bedrijf 9] B.V. en de bestuurder van laatstgenoemde vennootschap is de heer [naam 3] . De heer [naam 3] is ook de uiteindelijke aandeelhouder van de verschillende [groep] -vennootschappen en van [bedrijf 10] B.V.
6. Gedurende de periode dat belanghebbende (indirect) bestuurder was van [bedrijf 1] heeft [bedrijf 1] aanzienlijke bedragen aan omzetbelasting en loonbelasting niet betaald. Ook heeft [bedrijf 1] in de periode waarop de aansprakelijkstelling ziet veelvuldig aangiftes omzetbelasting en loonheffing niet of te laat gedaan.
7. Vanaf januari 2022 hebben partijen op de volgende momenten gecorrespondeerd en overleg gevoerd:
( i) Met dagtekening 20 januari 2022 (ontvangen 28 januari 2022) dient de toenmalige gemachtigde van [bedrijf 1] een “Verzoek om bijzonder uitstel van betaling vanwege coronacrisis” in met als reden voor het uitstel:
“dat belastingplichtige werkzaam is in de transportsector, te weten het uitoefenen van een transportbedrijf, en momenteel kampt met terugvallende opdrachten, waardoor hij niet in staat is het uitstaande bedrag in één keer aan u te voldoen.”
Bij het verzoek zendt de toenmalige gemachtigde van [bedrijf 1] het door verweerder opgestelde overzicht mee van de openstaande belastingbedragen per 8 oktober 2021, op dat moment € 165.717.
( ii) Met dagtekening 16 februari 2022 verleent verweerder bij beschikking bijzonder uitstel van betaling. In de beschikking is het volgende opgenomen:
“Melding betalingsonmacht
Geldt voor u het volgende?
U doet uw verzoek als bestuurder van een commerciële onderneming die een rechtspersoon is en onder de vennootschapsbelasting valt.
En uw onderneming kan de loonheffingen en/of de omzetbelasting niet betalen.
Dan zien wij uw verzoek om uitstel van betaling in beginsel ook als een melding van betalingsonmacht. Uw melding is tijdig voor de tijdvakken die eindigen ná 1 februari 2020.
Dit betekent het volgende: uw melding van betalingsonmacht is rechtsgeldig voor de tijdvakken die eindigen na 1 februari 2020 voor zover de betalingsonmacht daadwerkelijk is ontstaan door de coronacrisis en u hiervoor om uitstel van betaling hebt gevraagd.”
( iii) Verweerder stuurt met dagtekening 31 maart 2022 een brief aan de toenmalige gemachtigde van [bedrijf 1] . In de brief staat onder andere:
“Concreet betekent dit dat het onwaarschijnlijk lijkt dat het bedrijf van uw client ernstige gevolgen heeft ondervonden van de coronacrisis. Deze conclusie trek ik onder andere op grond van de branche waarin uw client opereert, het moment waarop het uitstel is aangevraagd en de bij de Belastingdienst bekende cijfers over de onderneming.
Wil er gebruik gemaakt kunnen worden van het bijzondere uitstel, dan dienen er betalingsproblemen te bestaan die in ieder geval grotendeels rechtstreeks voortvloeien uit de coronacrisis. Omdat een dergelijke causaliteit op basis van mijn informatie bij uw client lijkt te ontbreken, ben ik voornemens het verleende uitstel van betaling in te trekken. Voordat ik daadwerkelijk overga tot het intrekken van het verleende uitstel, bied ik u de gelegenheid om binnen 14 dagen gemotiveerd en met bewijsstukken gestaafd aan te tonen dat de noodzakelijke coronacausaliteit wel aanwezig is.
[…]
Wat gebeurt er als u niet (op tijd) reageert?
Mocht ik geen reactie van u ontvangen voor 14 april 2022 dan ben ik genoodzaakt het verleende uitstel in te trekken.”
( iv) [bedrijf 1] noch haar toenmalige gemachtigde reageert tijdig op de brief van 31 maart 2022.
( v) In juni 2022 meldt de toenmalige gemachtigde van [bedrijf 1] dat hij niet langer als gemachtigde van [bedrijf 1] optreedt.
( vi) Met dagtekening 10 oktober 2022 stuurt verweerder een brief aan [bedrijf 1] met het schuldoverzicht per die datum. De onbetaalde loonheffingen en omzetbelasting plus kosten bedragen op dat moment € 375.574.
( vii) Met dagtekening 13 oktober 2022 stuurt verweerder een brief “Aankondiging hervatten invorderingsmaatregelen” terzake van onbetaald gebleven belastingaanslagen.
( viii) Per brief met dagtekening 4 november 2022 wordt het verleende corona-uitstel van betaling ingetrokken, aangezien [bedrijf 1] niet heeft gereageerd op de brief van 31 maart 2022. De intrekking is mede gebaseerd op de vrees voor verduistering en angst dat verhaalbaarheid van de belastingschulden in gevaar zou komen. Blijkens het meegestuurde schuldoverzicht bedragen de belastingschulden en kosten op dat moment € 479.124.
( ix) Op 1 mei 2023 dient [bedrijf 1] het formulier “Verzoek Betalingsregeling en uitstel van betaling voor belasting en/of premie” in. Op dit formulier wordt aangegeven dat het formulier ook als een melding betalingsonmacht geldt als de oorzaak van de betalingsonmacht wordt vermeld en inzicht wordt gegeven in de omstandigheden die hebben geleid tot het niet voldoen van de verschuldigde belasting. Als oorzaak voor het niet tijdig voldoen aan de betalingsverplichtingen noemt [bedrijf 1] :
“De organisatie heeft te maken gehad met verschillende problemen misinvesteringen en helaas niet voldoende inzicht gehad in het rendement van de werkzaamheden. Waardoor de opbrengsten niet voldoende waren om de belastingen te kunnen betalen.
We hebben ook te maken met achterstallige crediteuren hierdoor is het komende jaren voor ons een zware periode om alle achterstallige crediteuren een belastingen maar daarnaast ook de crediteuren en belastingen te kunnen betalen dit is ook de reden dat we om 60 maanden hebben gevraagd zodat we dit zonder problemen kunnen aflossen. Vanaf 1 april ’23 zullen we de nieuwe aanslagen op tijd gaan betalen zodat we geen achterstand blijven oplopen.”
( x) In de periode 12 mei 2023 tot en met 7 juli 2023 wisselen partijen e-mails uit. Belanghebbende geeft aan graag in overleg te treden om te bespreken hoe de openstaande schulden kunnen worden afgelost. Verweerder stelt vragen aan [bedrijf 1] over de levensvatbaarheid van de onderneming.
( xi) Op 6 juni 2023 vindt een gesprek plaats tussen partijen. [bedrijf 1] verzoekt wederom om de belastinschuld in 60 maanden te mogen aflossen. Verweerder geeft aan wat het beleid is ter zake van een aflossingsregeling en verzoekt [bedrijf 1] om een schriftelijk verzoek waarin uiteen wordt gezet waardoor de problemen zijn ontstaan en wat de toekomstverwachtingen zijn. [bedrijf 1] geeft aan hierop binnen twee weken terug te komen.
( xii) Op 4 juli 2023 stuurt verweerder aan [bedrijf 1] een e-mailbericht met als bijlage het formulier “Verzoek Kwijtschelding van belasting en/of premie voor ondernemingen”. Op 31 juli 2023 zendt [bedrijf 1] dit “Verzoek Kwijtschelding” ingevuld terug met daarbij de volgende verklaring:
“De organisatie heeft te maken gehad met verschillende problemen misinvesteringen en helaas niet voldoende inzicht gehad in het rendement van de werkzaamheden. Waardoor de opbrengsten niet voldoende waren om de belastingen te kunnen betalen. We hebben ook te maken met achterstallige crediteuren hierdoor is het de komende jaren voor ons een zware periode om alle achterstallige crediteuren en belastingen maar daarnaast ook de komende crediteuren en belastingen te kunnen betalen dit is ook de reden dat we om 60 maanden hebben gevraagd zodat we dit zonder problemen kunnen aflossen. Vanaf 1 juli ’23 zullen we de nieuwe aanslagen op tijd gaan betalen zodat we geen achterstand blijven oplopen.”
( xiii) Op 5 augustus 2023 wijst verweerder het verzoek om uitstel van betaling van 1 augustus 2023 af. Per brief met dagtekening 30 augustus 2023 (ontvangen 1 september 2023) tekent [bedrijf 1] administratief beroep aan tegen de afwijzing van het verzoek tot uitstel van betaling. De gemachtigde van [bedrijf 1] refereert in het beroepschrift ook naar de afwijzing van het corona-uitstel:
“De voorwaarden van het Corona uitstel zijn vrij ruim, zo kan er ook worden verzocht om een verlenging van de betalingsregeling van 60 maanden naar 84 maanden en kan er worden verzocht om een betaalpauze van maximaal 6 maanden. Mijn cliënt acht het willekeurig dat de betalingsregeling is ingetrokken en dat er vervolgens uitsluitend een betalingsregeling mogelijk is van maximaal 12 maanden. Mijn cliënt exploiteert een transportonderneming die bijzonder hard is getroffen door de Corona-crisis. De door u voorgestelde maatregelen zorgen ervoor dat mijn cliënt insolvent wordt en dat is strijdig met de achterliggende bedoeling van deze (speciale) regeling.”
( xiv) Op 12 januari 2024 verklaart de directeur Wettelijke Taken van de Belastingdienst het beroep ongegrond.
( xv) Op 5 augustus 2023 stuurt verweerder aan belanghebbende een vooraankondiging aansprakelijkstelling met daarbij de conceptbeschikking aansprakelijkstelling. Verweerder stelt belanghebbende in de gelegenheid zijn zienswijze schriftelijk kenbaar te maken.
( xvi) Belanghebbende reageert op 14 september 2023 per e-mailbericht:
“Namens de vennootschappen is door uw dienst Corona uitstel verleend, maar helaas onlangs ingetrokken. Tegen het intrekken van het Corona uitstel is door ondergetekende geprotesteerd bij uw dienst. Indien uw dienst voornoemde vennootschappen de tijd geeft om de belastingschulden in te lopen is een aansprakelijkstelling niet opportuun. Ik verzoek u dan ook uw voornemen voorlopig aan te houden in afwachting op het toekennen van uitstel van betaling. Ter onderbouwing wordt verwezen naar bijgevoegde tijdlijn.
Verder worden alle rechten en weren voorbehouden. Uw voornemen om mijn cliënt aansprakelijk te stellen wordt in volle omvang bestreden.”
( xvii) Verweerder reageert hierop in een e-mailbericht van 14 september 2023 en geeft aan dat de reactie op de vooraankondiging schriftelijk en niet per e-mailbericht dient te worden verzonden, maar dat bij uitzondering de reactie wel wordt toegevoegd aan het dossier.
( xviii) Met dagtekening 1 februari 2024 verzendt verweerder de beschikking aansprakelijkstelling.
Financiële informatie [bedrijf 1]
8. Uit de tot de gedingstukken behorende jaarrekening voor het jaar 2021 van [bedrijf 1] volgt dat [bedrijf 1] in het jaar 2020 een (commerciële) winst van € 149.167 en in het jaar 2021 een (commerciële) winst van € 57.603 heeft gemaakt.
9. In de periode 2020-2024 heeft [bedrijf 1] de volgende omzetten gerealiseerd:
2020: € 1.471.629 (periode augustus-december)
2021: € 7.220.805
2022: € 8.312.446
2023: € 8.872.283
2024: € 2.569.643
10. Verweerder heeft geconstateerd dat [bedrijf 1] in de periode september 2020 tot en met oktober 2022 de volgende betalingen heeft gedaan aan gelieerde partijen:
[bedrijf 10] B.V. € 2.871.850
[bedrijf 7] B.V. € 170.718
[bedrijf 4] B.V. € 550.525
[bedrijf 3] B.V. € 419.225
Totaal: € 3.841.600
11. Volgens het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (hierna: UWV) ontving belanghebbende van [bedrijf 2] in het jaar 2020 een loon van € 61.800 en in het jaar 2021 een loon van € 113.100. In het jaar 2022 ontving belanghebbende van [bedrijf 2] en [bedrijf 6] B.V. gezamenlijk een loon van € 137.600 en in het jaar 2023 ontving hij van [bedrijf 11] B.V. en van [bedrijf 6] B.V. gezamenlijk een loon van € 120.000. In het jaar 2024 ontving hij € 58.000 loon van [bedrijf 11] B.V.
12. Volgens het door verweerder overgelegde overzicht van de privébankrekening van belanghebbende bij de ING bank heeft belanghebbende in de periode 14 augustus 2020 tot 3 augustus 2023 op zijn privérekening in totaal € 908.296 ontvangen van gelieerde vennootschappen. In die periode is vanaf die bankrekening € 184.729 betaald aan gelieerde vennootschappen zodat per saldo een bedrag van € 723.567 is ontvangen. Van dit bedrag is in totaal € 253.108 ontvangen als netto loon. Het restant van € 470.459 is aan belanghebbende overgemaakt door gelieerde partijen, zonder enige specificatie op de bankafschriften.
Geschil
13. In geschil is of belanghebbende terecht aansprakelijk is gesteld voor de loonheffing- en omzetbelastingschulden van [bedrijf 1] op grond van artikel 36 vanPro de Invorderingswet 1990 (IW 1990).
14. Belanghebbende stelt dat hij rechtsgeldig melding van betalingsonmacht heeft gedaan en dat geen sprake is van onbehoorlijk bestuur, zodat de aansprakelijkstelling dient te worden vernietigd. Indien de aansprakelijkstelling wel geheel of gedeeltelijk terecht is, dan dient deze te worden gematigd tot nihil vanwege de persoonlijke draagkracht van belanghebbende. Verder stelt belanghebbende dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden en dat verweerder zowel de beschikking aansprakelijkstelling als de beslissing op bezwaar onvoldoende heeft gemotiveerd zodat verweerder heeft gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de aansprakelijkstelling dan wel vermindering van de aansprakelijkstelling tot nihil.
15. Verweerder stelt zich op het standpunt dat geen rechtsgeldige melding betalingsonmacht is gedaan. Voor zover dat wel het geval is, is sprake van kennelijk onbehoorlijk bestuur. Er is bovendien een causaal verband tussen het niet betalen van de belasting door de belastingschuldige en het kennelijk onbehoorlijk bestuur. Er is geen aanleiding het bedrag van de aansprakelijkstelling te matigen. Verder stelt verweerder dat hij aan de hoorplicht heeft voldaan en zowel de beschikking aansprakelijkstelling als de beslissing op bezwaar voldoende heeft gemotiveerd. Mocht toch sprake zijn van schending van de beginselen van behoorlijk bestuur dan is belanghebbende hierdoor niet zodanig in zijn belangen geraakt dat de beschikking en de beslissing op bezwaar vernietigd moeten worden.
Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
16. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.
Beoordeling van het geschil
Vooraf
17. Het beroepschrift van belanghebbende bevat meerdere foutieve en niet bestaande verwijzingen naar (vindplaatsen van) jurisprudentie. Dit is voor de rechtbank aanleiding de stellingen en standpunten van belanghebbende die zijn gestoeld op deze foutieve en niet bestaande verwijzingen buiten beschouwing te laten.
Juridisch kader melding betalingsonmacht
18. Op grond van artikel 36, eerste lid, van de IW 1990 is ieder van de bestuurders hoofdelijk aansprakelijk voor de loonbelasting en omzetbelasting verschuldigd door een rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam, zoals [bedrijf 1] . Een lichaam als [bedrijf 1] is verplicht, onverwijld nadat is gebleken dat het niet tot betaling van loonheffing en/of omzetbelasting in staat is, daarvan schriftelijk mededeling te doen aan de ontvanger (tweede lid van artikel 36 vanPro de IW 1990). Onverwijld betekent uiterlijk twee weken na de dag waarop de verschuldigde belasting behoorde te zijn afgedragen of voldaan ingevolge artikel 19 vanPro de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) (artikel 7, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit IW 1990). Ingeval van een naheffingsaanslag kan de mededeling worden gedaan uiterlijk twee weken na de vervaldag van de aanslag (artikel 7, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit IW 1990). Bij de mededeling wordt inzicht gegeven in de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de verschuldigde belasting niet op aangifte is afgedragen of voldaan of niet is betaald (artikel 7, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit IW 1990).
Juridisch kader kennelijk onbehoorlijk bestuur
19. Indien aan de verplichting tot het melden van betalingsonmacht is voldaan in de gevallen waarin het doen van een dergelijke mededeling volgens de wet mogelijk is, is de bestuurder van de vennootschap slechts aansprakelijk voor de belastingschuld, indien aannemelijk is dat het niet kunnen betalen van de verschuldigde belasting het gevolg is van aan de bestuurder te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur voor een periode van drie jaar voorafgaand aan de melding (artikel 36, derde lid, van de IW 1990). De bewijslast ter zake rust dan op verweerder. Indien niet aan de meldingsverplichting is voldaan, dan geldt voor de bestuurder dat voor een periode van drie jaar voorafgaand aan het moment waarop gemeld had moeten zijn, een vermoeden geldt van kennelijk onbehoorlijk bestuur. De bestuurder wordt alleen tot weerlegging van dit wettelijk vermoeden toegelaten als hij aannemelijk maakt dat het niet aan hem is te wijten dat niet tijdig is gemeld (artikel 36, vierde lid, van de IW 1990). Als de bestuurder van een lichaam zelf een lichaam is in de zin van de Awr, wordt de bestuurder of worden de bestuurders van dat lichaam ook als bestuurder aangemerkt (artikel 36, vijfde lid, letter c, van de IW 1990).
20. Volgens de Hoge Raad is van onbehoorlijk bestuur sprake als geen redelijk denkend bestuurder – onder dezelfde omstandigheden – gehandeld zou hebben als de aansprakelijk gestelde bestuurder heeft gedaan. Dit is onder meer het geval indien de aansprakelijk gestelde bestuurder van een lichaam heeft bewerkstelligd dat belastingschulden van dat lichaam onbetaald zijn gebleven terwijl hij wist of redelijkerwijze had moeten begrijpen dat zijn handelwijze tot gevolg zou hebben dat die belastingschulden onbetaald zouden blijven en hem te dezer zake persoonlijk een ernstig verwijt treft (vgl. HR 8 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2053, HR 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2982 en HR 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:530).
21. Dit betekent echter niet dat een schuldenaar die niet in staat is al zijn schuldeisers volledig te betalen, steeds onrechtmatig handelt wanneer hij een schuldeiser voldoet vóór andere schuldeisers, ook als hij daarbij niet rekening houdt met eventuele preferenties. Het staat (een bestuurder van) een vennootschap – dan ook – in beginsel vrij op grond van een eigen afweging te bepalen welke schuldeisers van de vennootschap in de gegeven omstandigheden zullen worden voldaan (zie HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:576, rechtsoverweging 3.5.1).
Aansprakelijkheid voor kosten en boetes
22. Artikel 32, tweede lid, van de IW 1990, bepaalt dat de bepalingen van hoofdstuk VI van de IW 1990 zich mede uitstrekken tot in te vorderen bedragen die verband houden met de belasting waarvoor de aansprakelijkheid geldt, een en ander voor zover het belopen daarvan aan de aansprakelijke is te wijten.
De aansprakelijkstelling
23. Vast staat dat ten tijde van het ontstaan van de in het geding zijnde omzetbelasting- en loonheffingsschulden van [bedrijf 1] , belanghebbende middellijk bestuurder was van [bedrijf 1] , zoals uiteengezet onder 3 hiervoor. Belanghebbende is derhalve op grond van artikel 36, vijfde lid, letter c, van de IW 1990 aan te merken als bestuurder van [bedrijf 1] , zodat belanghebbende hoofdelijk aansprakelijk kan worden gesteld op grond van artikel 36, eerste lid, van de IW 1990, mits aan de overige voorwaarden van artikel 36 vanPro de IW 1990 is voldaan.
Is rechtsgeldig en tijdig melding betalingsonmacht gedaan?
24. Het door verweerder op 28 januari 2022 ontvangen corona-uitstelverzoek geldt in beginsel als een melding betalingsonmacht, welke als tijdig wordt aangemerkt voor de tijdvakken die eindigen ná 1 februari 2020.
25. In de beslissing van 16 februari 2022 waarin verweerder het corona-uitstel verleent, maakt verweerder een voorbehoud ten aanzien van de rechtsgeldigheid van de melding betalingsonmacht. De betalingsonmacht moet daadwerkelijk zijn ontstaan door de coronacrisis. Het uitstelverzoek van [bedrijf 1] is gebaseerd op het feit dat [bedrijf 1] werkzaam is in de transportsector, te weten het uitoefenen van een transportbedrijf en kampt met “terugvallende opdrachten”.
26. Verweerder betwijfelt of sprake is van terugvallende opdrachten en wijst op de sterke omzetgroei van [bedrijf 1] . Deze omzetgroei is niet verwonderlijk gelet op de groei van de transportsector gedurende de coronaperiode. Verweer stuurt de onder 6(iii) genoemde vragenbrief aan de toenmalige gemachtigde van [bedrijf 1] . Verweerder stelt dat hij vervolgens meermaals telefonisch contact heeft gehad met de gemachtigde, tot het moment waarop deze hem mededeelde dat hij niet langer als gemachtigde voor [bedrijf 1] optrad. Belanghebbende betwist ontvangst van de vragenbrief en ook betwist belanghebbende dat verweerder telefonisch contact zou hebben gehad met de gemachtigde.
27. Wat hier ook van zij, uit de door verweerder aangeleverde omzetcijfers van [bedrijf 1] kan worden geconcludeerd dat sprake is van een omzetgroei. Het is dan aan belanghebbende te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken dat desondanks sprake is van terugvallende opdrachten. Belanghebbende komt eerst ter zitting met de stelling dat [bedrijf 1] in het jaar 2020 een andere onderneming heeft overgenomen en dat de omzetcijfers van [bedrijf 1] tegenvallen in vergelijking met die van de overgenomen onderneming, zodat ondanks de omzetgroei wel degelijk sprake is van terugvallende opdrachten. Verweerder heeft de stelling van belanghebbende betwist met een verwijzing naar de bij hem bekende omzetcijfers. Belanghebbende levert voor zijn stelling geen enkel bewijs. Bovendien heeft belanghebbende de stelling niet eerder naar voren gebracht; niet in het overleg met verweerder na de intrekking van het corona-uitstel, niet in het bezwaar- en beroepschrift en ook niet in de administratief-beroepsprocedure tegen de afwijzing van het verzoek tot uitstel van betaling. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende zijn – overigens door verweerder betwiste – stelling niet aannemelijk gemaakt en gaat de rechtbank er in het vervolg vanuit dat geen sprake is van terugvallende opdrachten. Dit betekent dat het corona-uitstel ten onrechte is aangevraagd en dat dit corona-uitstelverzoek dan ook niet kan worden aangemerkt als een rechtsgeldige melding van betalingsonmacht.
28. Belanghebbende betoogt verder dat het intrekken van het corona-uitstel en het als gevolg daarvan “ongeldig” maken van de melding betalingsonmacht strijdig is met het vertrouwensbeginsel. Bovendien wordt zonder enige motivering de melding betalingsonmacht als niet tijdig en onvolledig aangemerkt, zodat ook sprake is van strijd met het motiveringsbeginsel. Verweerder betoogt dat geen sprake is van een “ongeldig” maken van de melding betalingsonmacht, maar dat nooit sprake is geweest van een rechtsgeldige melding van betalingsonmacht. Er was op het moment van het corona-uitstelverzoek geen sprake van het niet-kunnen betalen van belasting en bovendien was ook geen sprake van terugvallende opdrachten. Dit impliceert dat de melding betalingsonmacht ook niet door verweerder als ontijdig en onvolledig is aangemerkt.
29. De rechtbank volgt verweerder op dit punt. De door de toenmalige gemachtigde voor het corona-uitstel aangevoerde reden is ten onrechte aangevoerd. Het uitstel is derhalve ten onrechte aangevraagd, zodat ook geen sprake kan zijn van een rechtsgeldige melding van betalingsonmacht. Verweerder heeft ook niet het vertrouwen gewekt dat een verzoek om uitstel van betaling, dat op verkeerde gronden is aangevraagd, wel als een rechtsgeldige melding van betalingsonmacht zou kunnen gelden. Aangezien verweerder de melding betalingsonmacht nimmer als niet tijdig en onvolledig heeft aangemerkt is ook van strijd met het motiveringsbeginsel geen sprake.
30. Belanghebbende stelt ter zitting dat verweerder vanaf januari 2022 door het corona-uitstelverzoek op de hoogte is geraakt van de betalingsonmacht en dat vervolgens meerdere gesprekken hebben plaatsgevonden waarin de betalingsonmacht aan de orde is gekomen en verweerder vragen heeft gesteld over de levensvatbaarheid van de onderneming. Belanghebbende heeft vervolgens op verzoek van verweerder het formulier “Verzoek Kwijtschelding” ingediend.
31. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de meldingsplicht vervalt vanaf het tijdstip waarop de ontvanger van de betalingsonmacht op de hoogte komt (HR 13 juni 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC5712). Het is aan belanghebbende aan te tonen dat en vanaf wanneer verweerder op de hoogte was van de betalingsonmacht (vgl. Hof Den Haag 22 januari 2013, ECLI:NL:GHDA:2013:BZ2869). Uit de gedingstukken blijkt niet dat na het indienen van het corona-uitstelverzoek op 20 januari 2022 tot aan 12 mei 2023 enige vorm van overleg is geweest tussen belanghebbende en verweerder over een mogelijke betalingsonmacht. Belanghebbende stelt in zijn Productie 7 “Tijdlijn Communicatie” dat belanghebbende op 6 juli 2022 een verzoek heeft ingediend omtrent het verleende corona-uitstel, maar dit verzoek maakt geen onderdeel uit van de processtukken. Ook stelt belanghebbende dat op 3 maart 2023 een gesprek is gevoerd in het kader van het boekenonderzoek, maar ook hiervan blijkt niets uit de gedingstukken. De rechtbank constateert dat verweerder eerst op 1 mei 2023 door het ingediende “Verzoek Betalingsregeling” en het vervolgoverleg vanaf 12 mei 2023 op de hoogte is geraakt van de betalingsonmacht en dat verweerder vervolgens belanghebbende in juli 2023 heeft gewezen op de mogelijkheid een kwijtscheldingsverzoek in te dienen. Gezien hetgeen hiervoor is opgemerkt maakt belanghebbende naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk dat verweerder vóór 1 mei 2023 op de hoogte was van de betalingsonmacht.
32. Het door [bedrijf 1] op 1 mei 2023 ingediende “Verzoek Betalingsregeling en uitstel van betaling” kan naar het oordeel van de rechtbank worden opgevat als een melding betalingsonmacht, aangezien ook inzicht wordt gegeven in de oorzaken van de betalingsproblemen. Partijen hebben dit punt in hun gedingstukken niet benoemd. Op vragen van de rechtbank ter zitting stelt verweerder zich vervolgens op het standpunt dat, als dit verzoek als een melding betalingsonmacht kan worden aangemerkt, het verzoek dan voor de tijdvakken waarvoor belanghebbende aansprakelijk is gesteld (februari 2021 tot en met maart 2023) te laat is ingediend aangezien het verzoek moet worden gedaan uiterlijk twee weken na de vervaldag van de betreffende naheffingsaanslag.
33. De rechtbank constateert dat voor het merendeel van de opgelegde naheffingsaanslagen loonheffingen en omzetbelasting geen sprake is van het onverwijld melden zoals artikel 36, tweede lid, van de IW 1990 vereist voor een rechtsgeldige melding betalingsonmacht. Echter, voor de naheffingsaanslagen loonheffing en omzetbelasting voor de periodes februari en maart 2023 is de nieuwe melding wel tijdig aangezien de uiterste termijn van twee weken na de vervaldag van de betreffende naheffingsaanslagen is gelegen ná 1 mei 2023. Verweerder voert wat betreft deze melding betalingsonmacht geen andere gronden aan ten aanzien van de rechtsgeldigheid, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat voor wat betreft de aansprakelijkstelling voor de tijdvakken februari en maart 2023 de melding betalingsonmacht rechtsgeldig is gedaan. Dit geldt niet voor de tijdvakken februari 2021 tot en met januari 2023.
Is sprake van kennelijk onbehoorlijk bestuur?
34. Nu voor de tijdvakken februari en maart 2023 rechtsgeldig melding van betalingsonmacht is gedaan, kan aansprakelijkstelling alleen volgen inden sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur. Bij het beoordelen van de vraag of sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur acht de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden van belang:
i) Belanghebbende geeft aan dat hij in de periode dat hij bestuurder was, onvoldoende inzicht heeft gehad in de financiële positie van [bedrijf 1] en dat hij niet goed op de hoogte was van de openstaande belastingschulden;
ii) Er is sprake van het regelmatig niet of te laat doen van aangiften omzetbelasting en loonheffing;
iii) In de periode waarop de aansprakelijkstelling ziet is sprake van snel oplopende belastingschulden. In 2022 stuurt verweerder meermaals een overzicht van de op dat moment uitstaande belastingschulden;
iv) Belanghebbende geeft in de verschillende overleggen na 1 mei 2023 telkenmale aan vanaf dat moment de lopende belastingverplichtingen te zullen gaan voldoen zodat de belastingschulden niet verder zullen oplopen;
v) Belanghebbende geeft aan dat [bedrijf 1] geld naar andere vennootschappen in de groep heeft overgemaakt om deze vennootschappen van liquiditeiten te voorzien zodat deze andere vennootschappen aan hun verplichtingen kunnen voldoen;
vi) Betalingen aan [bedrijf 3] B.V. betreffen volgens belanghebbende interne rekening-courant boekingen. Om loonkosten en logistieke ondersteuning te dragen worden middelen intern verplaatst binnen de groep;
vii) Op de privébankrekening van belanghebbende is in de periode 14 augustus 2020 tot 3 augustus 2023 naast een netto salaris van € 253.108, in totaal per saldo een bedrag van € 470.459 door belanghebbende ontvangen van gelieerde vennootschappen, zonder dat uit de bankoverschrijvingen blijkt waarvoor deze vennootschappen de betalingen aan belanghebbende hebben gedaan.
Ad (i) tot en met (iv): inzicht in belastingschulden en aangiftegedrag
35. In zowel het Verzoek Betalingsregeling van 1 mei 2023 als het Verzoek Kwijtschelding van 31 juli 2023 geeft belanghebbende aan dat [bedrijf 1] “niet voldoende inzicht [heeft] gehad in het rendement van de werkzaamheden.“ Gelet ook op hetgeen belanghebbende ter zitting heeft verklaard acht de rechtbank het mogelijk dat belanghebbende onvoldoende inzicht heeft gehad in de totale financiële positie van [bedrijf 1] . Ook het feit dat regelmatig geen of te laat aangiftes werden gedaan, geeft aan dat de financiële administratie en het aangiftegedrag van [bedrijf 1] te wensen overlieten. De rechtbank hecht echter geen geloof aan de stelling van belanghebbende dat hij niet op de hoogte was van de openstaande belastingschulden van [bedrijf 1] . Bij het corona-uitstelverzoek van januari 2022 heeft [bedrijf 1] zelf het overzicht van de openstaande belastingbedragen per 8 oktober 2021 (€ 165.717) gevoegd en in het jaar 2022 heeft verweerder vervolgens tot twee maal toe een nieuw overzicht verstuurd waaruit volgt dat het saldo van belastingschulden per november 2022 was opgelopen tot € 479.124. Nadien heeft belanghebbende meerdere malen aangegeven dat hij van plan was de lopende verplichtingen te zullen gaan voldoen teneinde de belastingschuld niet verder te doen oplopen. Niet alleen de hoogte van de belastingschulden alsook de snelle toename daarvan moeten voor belanghebbende duidelijk zijn geweest.
36. De rechtbank concludeert dan ook dat belanghebbende wist dat belastingschulden van [bedrijf 1] onbetaald zijn gebleven terwijl hij ook wist of redelijkerwijze had moeten begrijpen dat zijn handelwijze tot gevolg zou hebben dat die belastingschulden onbetaald zouden blijven. Indien belanghebbende heeft bewerkstelligd dat de schulden onbetaald zijn gebleven en hem een ernstig verwijt treft, dan kan worden geconcludeerd dat sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur (vgl. HR 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:530).
Ad (v) en (vii): liquiditeiten verstrekken aan andere vennootschappen
37. Belanghebbende stelt dat de gelden die zijn overgemaakt naar andere vennootschappen essentieel waren om de bedrijfsvoering van die vennootschappen voort te zetten en zo de continuïteit van [bedrijf 1] veilig te stellen. Belanghebbende wijst in dit verband op het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:576, waaruit volgt dat het [bedrijf 1] in beginsel vrij staat om op grond van een eigen afweging te bepalen welke schuldeisers zullen worden voldaan.
38. Dit laatste standpunt wordt door verweerder niet weersproken, maar verweerder stelt vraagtekens bij de noodzaak en hoogte van verschillende door [bedrijf 1] gedane betalingen. Verweerder wijst in dit verband op de in zijn optiek onzakelijk hoge huurbetalingen aan [bedrijf 4] B.V. en loonbetalingen aan belanghebbende. Ook wijst verweerder op de ongebruikelijkheid van de betaling van verbouwingskosten door [bedrijf 1] als huurder en op de noodzaak van de betalingen aan [bedrijf 7] B.V. en de betalingen van in totaal € 419.225 aan [bedrijf 3] B.V.
39. De rechtbank stelt voorop dat de uit het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:576, volgende rechtsregel alleen geldt als sprake is van de betaling aan daadwerkelijke schuldeisers van de vennootschap. Dit geldt met name als sprake is van betalingen aan gelieerde vennootschappen. Belanghebbende stelt dat een deel van de betalingen aan de gelieerde vennootschappen voortkomt uit een daadwerkelijke schuldverhouding, zoals bijvoorbeeld de betalingen aan [bedrijf 10] B.V., die als onderaannemer het daadwerkelijke vervoer regelde. Maar dit geldt niet indien de betalingen zijn gedaan door [bedrijf 1] om andere vennootschappen “van liquiditeiten te voorzien”. Dit betreft onder andere de betalingen aan [bedrijf 3] B.V. Door het doen van dergelijke betalingen worden daadwerkelijke schuldeisers van de vennootschap, waaronder verweerder, benadeeld.
40. De rechtbank gaat niet in op de vragen ten aanzien van de zakelijkheid van de huur- en loonbetalingen of de gebruikelijkheid van de betaling van verbouwingskosten door de huurder. Beantwoording van deze vragen kan, gelet ook op de hiernavolgende overwegingen, achterwege blijven.
Ad (vii): belanghebbende heeft € 470.459 ontvangen van gelieerde vennootschappen zonder specificatie
41. Uit het overzicht van de ontvangsten en uitgaven van de privébankrekening van belanghebbende blijkt dat belanghebbende € 723.567 van verschillende groepsvennootschappen heeft ontvangen. Ter zitting stelt belanghebbende dat het grootste deel van dat bedrag ziet op de betaling van loon van belanghebbende én loon van zijn toenmalige levenspartner. Belanghebbende levert hiervoor geen bewijs. Uit het bankoverzicht blijkt dat in een deel van de periode augustus 2020-juni 2023 loonbetalingen zijn ontvangen van twee verschillende groepsvennootschappen. Dit komt deels ook overeen met de door het UWV verstrekte gegevens, maar het is desalniettemin mogelijk dat een deel van de loonbetalingen ziet op inkomsten van de levenspartner van belanghebbende. Echter, het totaalbedrag van het nettoloon dat in de betreffende periode op de privébankrekening is binnengekomen (€ 253.108) komt overeen met het brutoloon waar belanghebbende volgens de gegevens van het UWV aanspraak op kon maken. De rechtbank acht het daarom niet waarschijnlijk dat de betalingen die onder de noemer loon op de privérekening van belanghebbende zijn ontvangen zien op loon van zijn levenspartner.
42. Naast de loonbetalingen heeft belanghebbende nog een nettobedrag van € 470.579 ontvangen van verschillende groepsvennootschappen. Uit de bankafschriften valt in het geheel niet af te leiden waarvoor belanghebbende dit bedrag heeft ontvangen. Belanghebbende kan er desgevraagd ook geen verklaring voor geven. Nu [bedrijf 1] de andere groepsvennootschappen van liquiditeiten heeft voorzien, acht de rechtbank het aannemelijk dat een (groot) deel van deze betalingen van de verschillende groepsvennootschappen indirect afkomstig is van [bedrijf 1] . Gelet op de financiële positie van [bedrijf 1] en de onbetaald gebleven belastingschulden, acht de rechtbank deze betalingen onzakelijk. Bovendien ondermijnt dit de stellingen van belanghebbende dat [bedrijf 1] de andere vennootschappen van liquiditeiten moest voorzien om de groep overeind te houden en dat er nimmer iets naar privé is gegaan. Een groot deel van de liquiditeiten kwam juist wel bij belanghebbende in privé terecht.
Conclusie: kennelijk onbehoorlijk bestuur
43. De rechtbank is van oordeel dat geen redelijk denkend bestuurder – onder dezelfde omstandigheden – gehandeld zou hebben als belanghebbende heeft gedaan. Er is sprake van kennelijk onbehoorlijk bestuur nu belanghebbende heeft bewerkstelligd dat belastingschulden van [bedrijf 1] onbetaald zijn gebleven terwijl hij wist of redelijkerwijze had moeten begrijpen dat zijn handelwijze tot gevolg zou hebben dat die belastingschulden onbetaald zouden blijven en hem te dezer zake persoonlijk een ernstig verwijt treft.
Aansprakelijkheid voor kosten en verzuimboetes
44. Verweerder heeft gesteld dat belanghebbende ook aansprakelijk is voor de met de belasting verband houdende bedragen als bedoeld in artikel 32, tweede lid, van de IW 1990. Voor aansprakelijkheid voor kosten en boetes is op grond van genoemde bepaling vereist dat de aansprakelijke van het belopen daarvan een zelfstandig verwijt kan worden gemaakt. De bewijslast daarvoor rust op verweerder. De rechtbank acht verweerder daarin, met hetgeen hij daartoe in de overgelegde stukken heeft aangevoerd, geslaagd. Het in rekening brengen van kosten en verzuimboetes hangt in onderhavige situatie in de eerste plaats samen met de omstandigheid dat [bedrijf 1] over de betreffende tijdvakken in de jaren 2021 tot en met 2023 meermaals verwijtbaar niet aan haar fiscale verplichtingen heeft voldaan. Belanghebbende is als bestuurder in de gelegenheid geweest invloed uit te oefenen op het betalingsgedrag van [bedrijf 1] en verwacht mag worden dat hij toezicht houdt op nakoming van de op [bedrijf 1] rustende fiscale verplichtingen. Belanghebbende heeft dit evenwel nagelaten, zodat het in rekening brengen van invorderingskosten en verzuimboetes belanghebbende zelfstandig kan worden verweten.
Matiging aansprakelijkstelling wegens persoonlijke draagkracht van belanghebbende
45. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de aansprakelijkstelling zou moeten worden gematigd omdat hij structureel geen inkomen en vermogen heeft. Dit onvermogen van belanghebbende zou volgen uit de financiële overzichten en bankrekeningen. Belanghebbende heeft deze echter niet aangeleverd. Bovendien is het niet aan de rechtbank de aansprakelijkheid te matigen. De Hoge Raad oordeelde op 15 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI3747, als volgt:
“De klachten houden onder meer in dat het Hof ten onrechte geen rekening heeft gehouden met omstandigheden die tot matiging van belanghebbendes aansprakelijkheid zouden moeten leiden. De klachten falen in zoverre. Artikel 36 vanPro de Invorderingswet 1990 geeft de rechter geen mogelijkheid om de aansprakelijkheid van de bestuurder te matigen. Indien, zoals in het onderhavige geval, het lichaam niet of niet op de juiste wijze aan zijn meldingsplicht heeft voldaan, bestaat het wettelijke vermoeden dat de niet-betaling van de belastingschuld aan de bestuurder is te wijten, tot de weerlegging van welk vermoeden slechts wordt toegelaten de bestuurder die aannemelijk maakt dat het niet aan hem is te wijten dat het lichaam niet aan zijn bedoelde meldingsplicht heeft voldaan. Blijkens 's Hofs uitspraak - in cassatie onweersproken - heeft belanghebbende geen feiten of omstandigheden gesteld die grond zouden kunnen zijn voor het oordeel dat het niet aan hem is te wijten dat A niet aan de meldingsplicht heeft voldaan.”
Zorgvuldigheidsbeginsel
46. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat verweerder in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel heeft gehandeld doordat er geen hoorgesprek heeft plaatsgevonden vóórdat verweerder de beschikking aansprakelijkstelling heeft gegeven. Bovendien heeft verweerder de inhoud van het bezwaar en de zienswijze onvolledig en gekleurd weergegeven en heeft verweerder herhaaldelijk stukken niet of niet tijdig toegankelijk gemaakt.
47. Nu de aansprakelijkstelling mede ziet op de omzetbelasting en dit nationale wetgeving is die uitvoering geeft aan het Europese recht c.q. Europese richtlijnen, geldt het Europese verdedigingsbeginsel ook bij deze aansprakelijkstelling (zie HR 14 augustus 2015, ECLI:NL:HR:2015:2161). Het Europese verdedigingsbeginsel brengt als hoofdregel met zich dat de aansprakelijk te stellen derde voorafgaand aan het geven van de aansprakelijkheidsbeschikking zijn zienswijze kenbaar moet kunnen maken. Uit artikel 49, 2a, van de Leidraad Invordering 2008 (besluit van 12 juni 2008, nr. CPP2008/1137M, Stcrt. 2008, 122) volgt verder dat verweerder voordat hij de beschikking aansprakelijkstelling uitbrengt, hij een vooraankondiging stuurt, waarin hij de gronden aangeeft waarop hij de aansprakelijkstelling baseert. Als bijlage dient verweerder de conceptbeschikking mee te zenden. Verweerder stelt de belanghebbende in de gelegenheid om binnen drie weken na de dagtekening van de vooraankondiging zijn zienswijze kenbaar te maken.
48. Verweerder heeft belanghebbende voorafgaand aan het opleggen van de beschikking (bij schrijven van 5 augustus 2023) in de gelegenheid gesteld om zijn zienswijze, bij voorkeur schriftelijk, kenbaar te maken. Belanghebbende heeft hier per e-mailbericht van 14 september 2023 op gereageerd en verweerder heeft deze reactie als zienswijze aangemerkt. Belanghebbende heeft niet verzocht om een hoorzitting. De Hoge Raad (22 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:393) heeft ter zake van het recht om te worden gehoord bepaald dat:
“Uit het recht van de Unie vloeit niet voort dat het bij een bestuursorgaan naar voren brengen van een zienswijze over een voorgenomen bezwarend besluit, alleen naar behoren kan plaatsvinden indien dit mondeling geschiedt. Het recht van de Unie schrijft niet voor in welke vorm (mondeling of schriftelijk) de belanghebbende deze zienswijze aan het bestuursorgaan kenbaar moet kunnen maken. Wel mag de vorm waarvoor het bestuursorgaan kiest geen hindernis vormen voor de belanghebbende om van zijn recht gebruik te maken. Dit betekent dat als de belanghebbende is uitgenodigd om schriftelijk zijn standpunt kenbaar te maken en hij in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van die mogelijkheid en aldus zijn standpunt naar behoren kenbaar heeft kunnen maken, het recht van de Unie niet eist dat hij wordt uitgenodigd voor een hoorgesprek.”
49. Nu verweerder voorafgaande aan het geven van de beschikking aansprakelijkstelling belanghebbende in de gelegenheid heeft gesteld zijn zienswijze kenbaar te maken, is naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan het in het verdedigingsbeginsel neergelegde recht te worden gehoord. Van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel is in dit geval geen sprake.
50. Voor wat betreft het standpunt van belanghebbende dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door de inhoud van het bezwaar en de zienswijze onvolledig en gekleurd weer te geven en herhaaldelijk stukken niet of niet tijdig toegankelijk te maken, constateert de rechtbank dat er in de door belanghebbende ingebrachte gedingstukken geen of in elk geval onvoldoende aanwijzingen te vinden zijn die zijn stelling kunnen onderbouwen. Voor zover verweerder op deze twee punten wel in enige mate onzorgvuldig zou hebben gehandeld, dan is er geen sprake van een zodanige schending van het zorgvuldigheidsbeginsel dat belanghebbende hierdoor in zijn belangen zou zijn geschaad.
Slotsom
51. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Proceskosten
52. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C. Brouwer, voorzitter, en mr. M.C. van As en mr. C. Huisman, leden, in aanwezigheid van mr. M.B.K. Stroosnier, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026.
griffier voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).