ECLI:NL:RBNHO:2025:13222

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
11 november 2025
Publicatiedatum
14 november 2025
Zaaknummer
24/5782 en 25/839
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging, intrekking en terugvordering van uitkering op grond van de Participatiewet

In deze uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland, gedateerd 11 november 2025, gaat het om de beëindiging, intrekking en terugvordering van de uitkering van eiser op basis van de Participatiewet (Pw). Eiser, vertegenwoordigd door zijn gemachtigde mr. M.A. van Hoof, is het niet eens met de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Helder, dat als verweerder optreedt en vertegenwoordigd wordt door mr. A.B. Holtjer. De rechtbank heeft de beroepen van eiser gegrond verklaard, omdat het college onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat eiser in de periode van 25 mei 2019 tot 26 september 2022 op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht. De rechtbank oordeelt dat de intrekking van de uitkering en de terugvordering van de verstrekte bijstand over deze periode onterecht zijn. De rechtbank legt uit dat de onderzoeksresultaten van het college niet voldoende zijn om de besluiten te onderbouwen. Eiser ontving vanaf 1 september 2007 een uitkering op basis van de Pw, maar er zijn meldingen van fraude gedaan, wat leidde tot een onderzoek door het college. De rechtbank heeft vastgesteld dat de onderzoeksbevindingen niet voldoende zijn om de intrekking van de uitkering te rechtvaardigen. De rechtbank vernietigt de besluiten van het college en draagt het college op om nieuwe besluiten te nemen binnen zes weken na deze uitspraak. Tevens moet het college het griffierecht en proceskosten aan eiser vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: HAA 24/5782 en HAA 25/839

uitspraak van de meervoudige kamer van 11 november 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M.A. van Hoof),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Helder(het college), verweerder
(gemachtigde: mr. A.B. Holtjer).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de besluiten tot beëindiging, intrekking en terugvordering van de uitkering op grond van de Participatiewet (Pw) van eiser. Eiser is het niet eens met deze besluiten. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de intrekking en terugvordering.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepen gegrond zijn. Het college heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat eiser in de periode 25 mei 2019 tot 26 september 2022 op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht en de inlichtingenplicht heeft geschonden door hier geen melding van te maken
.De uitkering is over deze periode ten onrechte ingetrokken en teruggevorderd. Eiser krijgt dus gelijk en de beroepen zijn gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Bij besluit van 1 maart 2024 heeft het college het recht op bijstand van eiser beëindigd en vanaf 1 januari 2013 ingetrokken.
2.1.
Met het bestreden besluit van 15 augustus 2024 is het bezwaar gegrond verklaard. Het primaire besluit is herroepen, de uitkering is per 29 februari 2024 beëindigd en per 25 mei 2019 ingetrokken (HAA 24/5782)
.
3. Bij besluit van 29 augustus 2024 is besloten het recht op individuele inkomenstoeslag en bijzondere bijstand over de periode 25 mei 2019 tot en met 1 maart 2024 in te trekken en de ten onrechte verstrekte bijzondere bijstand terug te vorderen. Bij een tweede besluit van 10 oktober 2024 is een bedrag ter hoogte van € 80.556,51 van eiser teruggevorderd, wegens ten onrechte verstrekte (bijzondere) bijstand.
3.1.
Met het bestreden besluit van 24 januari 2025 is het bezwaar gegrond verklaard. De terugvordering is gematigd naar een bedrag groot € 64.912,10 (HAA 25/839).
4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.
5. De rechtbank heeft de beroepen op 30 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser, de gemachtigde van het college en [naam] namens het college. Eiser was niet aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van de bestreden besluiten
6. Eiser ontving vanaf 1 september 2007 een uitkering op grond van de Pw naar de norm voor een alleenstaande.
7. Op 13 september 2022 en 9 november 2022 heeft het college fraudemeldingen ontvangen, inhoudende dat eiser zwart zou werken. Naar aanleiding hiervan is het college een onderzoek gestart. Eiser is op gesprek geweest met zijn nicht en heeft bankafschriften overgelegd over de periode 1 juni 2022 tot en met 31 augustus 2022. In het gesprek heeft eiser vermeld ziek te zijn en de hele dag in bed te liggen. In de periode 15 juni 2022 tot en met 13 juni 2023 zijn waarnemingen verricht. Er vonden 20 kortstondige waarnemingen plaats op wisselende dagen en tijdstippen, waarvan eiser er bij 14 aan het werk is gezien of hij in werkkleding bij een aannemer in een klussenbus stapte. Op grond van artikel 5:17 Algemene wet bestuursrecht (Awb) zijn bij ABN AMRO bank gegevens gevorderd. Op 22 juni 2023 is het onderzoek overgaan naar een strafrechtelijk onderzoek. Eiser is in het kader van het strafrechtelijk onderzoek gehoord als verdachte op 21 november 2023. Op 4 januari 2024 heeft het Openbaar Ministerie toestemming gegeven voor informatiegebruik uit het strafrechtelijk onderzoek. Op 12 februari 2024 heeft een gesprek in het kader van de inlichtingenplicht plaatsgevonden. In dat gesprek heeft eiser vermeld in 2023 zeven á acht dagen bij [bedrijf 1] geholpen te hebben en dit te beschouwen als vrijwilligerswerk.
8. Naar aanleiding van de onderzoeksbevindingen heeft het college bij besluit van 1 maart 2024 het recht op bijstand van eiser beëindigd en vanaf 1 januari 2013 ingetrokken.
8.1.
In het bestreden besluit van 15 augustus 2024 is het primaire besluit herroepen, de uitkering per 29 februari 2024 beëindigd en per 25 mei 2019 ingetrokken. In het advies van de commissie bezwaarschriften sociale kamer (de commissie) is vermeld dat de onderzoeksresultaten in de periode 1 januari 2013 tot en met 24 mei 2019 onvoldoende zijn om het recht op bestand in te trekken. Dit is volgens de commissie anders voor de periode vanaf 25 mei 2019. Uit het onderzoek is gebleken dat verzoeker vanaf 25 mei 2019 op geld waardeerbare arbeid heeft verricht voor [bedrijf 1] én zelfstandig als schilder. Dat rechtvaardigt de veronderstelling dat verzoeker op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht. In die periode zijn ook onverklaarbare stortingen gedaan. Omdat eiser geen duidelijkheid heeft kunnen geven over zijn werkzaamheden en zijn financiële situatie en ook niets heeft willen verklaren over de hoogte van zijn inkomsten uit arbeid, is het voor het college niet mogelijk schattenderwijs eisers inkomsten vast te stellen, ook niet vanaf 29 februari 2024. Eiser heeft zijn inlichtingenplicht geschonden. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat hij wel recht zou hebben gehad op bijstand hetgeen hij niet heeft gedaan.
9. Bij besluit van 29 augustus 2024 is besloten het recht op individuele inkomenstoeslag en bijzondere bijstand over de periode 25 mei 2019 tot en met 1 maart 2024 in te trekken en de ten onrechte verstrekte bijzondere bijstand terug te vorderen. Bij besluit van 10 oktober 2024 is een bedrag ter hoogte van € 80.556,51 van eiser teruggevorderd. Eiser is in bezwaar gegaan tegen beide besluiten.
9.1.
De commissie heeft geadviseerd de terugvordering te matigen, omdat de bijstand onnodig lang is verstrekt door na overdracht voor het strafrechtelijk onderzoek de bijstand niet te beëindigen. Het college heeft de vordering gematigd naar € 64.912,10, door de periode vanaf 1 september 2022 (binnenkomen van de anonieme tip op 13 september 2022) tot 30 juni 2023 (start strafrechtelijk onderzoek op 22 juni 2023) niet mee te nemen in de terugvordering.
Bevoegdheid van de toezichthouder
10. Eiser stelt dat het onderzoek is verricht door een onbevoegd persoon, waardoor de onderzoeksbevindingen niet ten grondslag gelegd kunnen worden aan de besluitvorming. Het college heeft dit in de bezwaarfase gerepareerd door de toezichthouder met terugwerkende kracht te benoemen. Eiser stelt dat daarmee nog steeds sprake is van door een onbevoegd persoon verrichte onderzoekshandelingen. Het bewijs dat uit deze onderzoekshandelingen voortvloeit is volgens eiser dus onrechtmatig verkregen en kan niet worden meegenomen in het onderzoek. Door eiser wordt verwezen naar een uitspraak van de rechtbank Amsterdam [1] .
11. De rechtbank overweegt als volgt. Zij stelt, met eiser, vast dat de toezichthouder niet bevoegd was voor het vorderen van inlichtingen bij ABN AMRO bank in het kader van artikel 5:17 van de Awb omdat hij ten tijde van het vorderen daarvan niet (op de juiste wijze) was aangewezen als toezichthouder als bedoeld in artikel 76a Participatiewet. Voor de overige onderzoekshandelingen (het verrichten van waarnemingen) is geen sprake van onbevoegdheid van de toezichthouder. De toezichthouder was daarvoor immers bevoegd op grond van het bepaalde in artikel 53a, zesde lid, van de Pw. [2] Krachtens het bepaalde in genoemd artikellid is het college bevoegd onderzoek in te stellen. Uit de stukken volgt dat [naam] als medewerker gemandateerd was om dit onderzoek namens het college uit te voeren.
12. Het college heeft de eerdere, gebrekkige, aanwijzing uit 2022 willen herstellen en deze bij besluit van 16 juli 2024 bekrachtigd. Deze bekrachtiging maakt evenwel niet dat het vorderen van inlichtingen bij de bank alsnog voor rechtmatig moet worden gehouden. De van ABN AMRO bank gevorderde bankafschriften dienen dan ook aangemerkt te worden als onrechtmatig verkregen bewijs. Dit betekent echter niet dat de bankafschriften niet als bewijsmiddel gebezigd mogen worden. Naar vaste rechtspraak [3] geldt dat het gebruik van onrechtmatig verkregen bewijs slechts dan niet is toegestaan indien deze bewijsmiddelen zijn verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht. Naar het oordeel van de rechtbank is hiervan geen sprake, aangezien het hier gaat om inlichtingen, die het college ook op rechtmatige wijze had kunnen verkrijgen, bijvoorbeeld door ze van eiser zelf te vorderen. Dit betekent dat de bij de bank gevorderde bankafschriften naar het oordeel van de rechtbank als bewijsmiddel gebezigd mochten worden in het onderzoek en ten grondslag mochten worden gelegd aan de besluitvorming.
Schending inlichtingenplicht
13. Eiser stelt dat in het bestreden besluit van 15 augustus 2024 ten onrechte wordt vermeld dat hij erkend heeft dat hij op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht. Deze erkenning geldt volgens eiser alleen voor de observaties in 2023, niet voor de gehele periode. Ook wordt in de beslissing op bezwaar verwezen naar een verklaring van een werknemer van [bedrijf 2] . Het gaat om een anonieme getuige die daarom niet kan worden meegenomen, omdat de verklaring niet kan worden geverifieerd. Verwezen wordt naar uitspraken van de Raad [4] .
Het recht op bijstand kan volgens eiser wel worden bepaald. Ten aanzien van de stortingen vermeldt eiser dat hij heeft verklaard muntgeld op te sparen totdat de spaarbus vol is. Uit de bankafschriften blijkt ook dat kosten voor muntgeldstortingen in rekening worden gebracht. Het is niet aannemelijk dat eiser in kleingeld is uitbetaald. Eiser verwijst naar de uitspraak van de Raad van 3 mei 2016. [5] Ook is het recht ten onrechte pas ingetrokken per besluit van 29 februari 2024, dat is geruime tijd na het afronden van het onderzoek door het college.
Periode 25 mei 2019 tot 26 september 2022
15. De rechtbank overweegt als volgt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college onvoldoende aannemelijk gemaakt dat eiser in de periode 25 mei 2019 tot 26 september 2022 op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht en de inlichtingenplicht heeft geschonden door hier geen melding van te maken. De onderzoeksbevindingen die aan deze periode ten grondslag zijn gelegd, zijn hiervoor onvoldoende. Het college baseert zich grotendeels op de muntgeldstortingen en de volgens het college wisselende verklaringen van eiser over het sparen van het muntgeld. De hoogte van de bedragen in deze periode is naar het oordeel van de rechtbank echter niet dusdanig dat deze de conclusie van het college kunnen rechtvaardigen, te minder nu de verklaring van eiser dat hij zijn wisselgeld spaarde in een bus en op gezette tijden stortte op de bank (wat ook blijkt uit de omschrijvingen op de bankafschriften) op voorhand niet onaannemelijk is.
16. Met uitzondering van de maanden juli 2020 en november 2020, waarbij bedragen van € 900,00 respectievelijk € 730,68 zijn gestort, gaat het in deze periode om een bedrag van gemiddeld rond de € 130,00 per maand. Eiser heeft gemotiveerd toegelicht dat hij zijn uitkering contant opnam en dat hij muntgeld overhield bij het boodschappen doen en dat muntgeld in een pot bewaarde. Uit de omschrijvingen bij de stortingen blijkt dat het inderdaad gaat om muntgeldstortingen. Ook is uit de rekeningafschriften af te leiden dat eiser zijn bijstandsuitkering vaak contant opnam.
17. Het college baseert zich verder op de anonieme verklaring van een getuige van [bedrijf 2] van 24 oktober 2023 waarin de getuige als volgt heeft verklaard: “
denk wel dat hij daar werkzaam is” en “
ik er werk er bijna 10 jaar, zolang ik mij kan herinneren is hij er ook”. Deze verklaring wordt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende ondersteund door de overige onderzoeksbevindingen in deze periode, en is bovendien weinig concreet en niet helder, nu de getuige slechts ‘denkt’ dat eiser werkzaam is geweest.
Periode vanaf 26 september 2022
18. Dit is anders voor de periode vanaf 26 september 2022. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college voor de periode vanaf 26 september 2022 aannemelijk gemaakt dat eiser op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht en de inlichtingenplicht heeft geschonden door daar geen melding van te maken. Eiser is vanaf deze periode tijdens de waarnemingen en observaties met regelmaat aan het werk gezien. De aanwezigheid van een betrokkene op een werkplek tijdens gebruikelijke arbeidsuren rechtvaardigt volgens vaste rechtspraak [6] de vooronderstelling dat hij gedurende alle uren waarop hij daar aanwezig is op geld waardeerbare arbeid verricht. Het is dan aan de betrokkene, in dit geval eiser, om aannemelijk te maken dat dat niet zo was. Daarin is eiser naar het oordeel van de rechtbank niet geslaagd. Eiser heeft hier enkel tegen over gezet dat hij “vaak bij de jongens” hangt en zeven á acht dagen in 2023 vrijwilligerswerk heeft gedaan.
Periode van inactiviteit?
19. Het standpunt van eiser dat het college al vanaf de datum van de overgang naar het strafrechtelijk onderzoek op 22 juni 2023 de uitkering had moeten beëindigen, slaagt naar het oordeel van de rechtbank niet. Om de bijstand te kunnen beëindigen moet het bijstandsverlenend orgaan de nodige kennis over de relevante feiten vergaren, om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden is voldaan om de bijstand te beëindigen. Uit het dossier is af te leiden dat de onderzoeksbevindingen uit het strafrechtelijk onderzoek mede ten grondslag zijn gelegd aan de besluitvorming van het college. Door het Openbaar Ministerie is akkoord gegeven om de onderzoeksbevindingen te gebruiken in het bestuurlijk onderzoek. Pas na afronding van het strafrechtelijk onderzoek heeft het college op 12 februari 2024 een hoorgesprek met eiser gehouden. Daarmee is dus niet aannemelijk dat het college voor de start van het strafrechtelijk onderzoek al voldoende aanwijzingen had dat het recht op een uitkering kon worden beëindigd.
Tussenconclusie
20. Naar het oordeel van de rechtbank is de bijstand over de periode 25 mei 2019 tot 26 september 2022 ten onrechte ingetrokken. Dit betekent dat het beroep voor zover gericht tegen de intrekking van de uitkering voor wat betreft deze periode slaagt. Het besluit van 15 augustus 2024 wordt vernietigd.
Terugvordering
21. Volgens eiser is het terug te vorderen bedrag ten onrechte niet gematigd vanaf 1 juli 2023 (start strafrechtelijk onderzoek) tot 1 maart 2024. Volgens eiser gelden de argumenten van de commissie om te matigen ook voor die periode.
21.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Het standpunt van eiser over de intrekking vindt geen steun in de jurisprudentie en de wet- en regelgeving. Ook het advies van de commissie over de matiging kan rechtbank niet goed volgen. Zoals hiervoor is overwogen is naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer te stellen dat het recht op bijstand al bij de overgang naar het strafrechtelijk onderzoek beëindigd dan wel ingetrokken had kunnen worden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de uitkering niet onredelijk lang heeft doorgelopen.

Conclusie en gevolgen

22. De rechtbank komt tot de conclusie dat beide beroepen gegrond zijn. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit van 15 augustus 2024, voor zover het gaat om de intrekking van de uitkering over de periode 25 mei 2019 tot 26 september 2022. De rechtbank vernietigt ook het bestreden besluit van 24 januari 2025, voor zover het gaat om terugvordering van de uitkering over de periode 25 mei 2019 tot 26 september 2022.
22.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat het college nieuwe besluiten moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het college hiervoor zes weken.
22.2.
Omdat de beroepen gegrond zijn moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.721,00 omdat de gemachtigde van eiser twee beroepschriften heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt het besluit van 15 augustus 2024 voor zover het gaat om de intrekking van de uitkering van 25 mei 2019 tot 26 september 2022;
- vernietigt het besluit 24 januari 2025 voor zover het gaat om de terugvordering in de periode 25 mei 2019 tot 26 september 2022;
- draagt het college op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak nieuwe besluiten te nemen op de bezwaren met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het college twee maal het griffierecht van € 51,00 (€ 102,00) aan eiser moet vergoeden; en
- veroordeelt het college tot betaling van € 2.721,00 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Jurgens, voorzitter, en mr. I.M. Ludwig en mr. H.H. Riemeijer, leden, in aanwezigheid van mr. M.E. Kleijn, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 11 november 2025.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Uitspraak van 17 december 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:7040.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 19 juni 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW8756, CRvB 24 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2863 en 9 juli 2012, ECLI:NL:CRVB:2013:956.
3.Hoge Raad van 1 juli 1992 (BNB 1992, 306), en de uitspraken van de Raad van 13 maart 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BC7462 en 24 januari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BY9361.
4.Uitspraken van de Raad van 16 oktober 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY1242, van 28 augustus 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX6119 en van 31 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1982.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 16 januari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:80.