ECLI:NL:CRVB:2024:80
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet gemelde werkzaamheden
Appellant en zijn echtgenote ontvingen bijstand op grond van de Participatiewet. Het college stelde na onderzoek vast dat appellant meer uren werkte bij een shoarmazaak dan hij had opgegeven, en dat deze werkzaamheden op geld waardeerbaar waren. Hierdoor werd de inlichtingenverplichting geschonden en het recht op bijstand kon niet worden vastgesteld.
De rechtbank had de intrekking en terugvordering van de bijstand in stand gelaten, maar de boete vernietigd. Appellant stelde in hoger beroep dat hij geen extra op geld waardeerbare werkzaamheden had verricht en dat het recht op bijstand wel schattenderwijs vastgesteld kon worden. De Raad oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij geen extra werkzaamheden verrichtte, en dat het recht op bijstand niet schattenderwijs vastgesteld kon worden vanwege onvoldoende gegevens over de omvang van de werkzaamheden.
De Raad wees erop dat aanwezigheid op de werkplek tijdens gebruikelijke arbeidsuren de veronderstelling rechtvaardigt dat op geld waardeerbare arbeid werd verricht, en dat appellant dit niet had kunnen weerleggen. Ook de verklaringen van appellant over zijn werktijden en het gebruik van de zakelijke bankrekening stroken niet met de onderzoeksbevindingen. De Raad bevestigde daarom de intrekking en terugvordering van de bijstand en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de bijstand worden bevestigd en het hoger beroep wordt afgewezen.