Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de meervoudige kamer van 15 maart 2018 in de zaken tussen
[X] , gevestigd te [Z] , eiseres
de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Hoofddorp, verweerder,
de Staat der Nederlanden, de Minister voor rechtsbescherming, de Minister.
Procesverloop
(de rentebeschikkingen).
mr. B.F. Kroezen en R.G. Uiterwijk Winkel.
Overwegingen
“2.4Administratie
Crediteur201120122013
Toelichting crediteur [J BV]
facturen 2012 € 517.483
betaling per bank € 487.596
betaling per kas € 29.887Saldo 31-12-2012 € -
facturen 2013 € 781.044
betaling per bank € 329.990
betaling per kas € 77.020Saldo 31-12-2013 € 374.034
2011.2012 2013
€ 0 € 83.834 € 135.553
(…) € 2.764 € - 1.457
J BV ten onrechte op de facturen omzetbelasting in rekening heeft gebracht. Omzetbelasting die ten onrechte op een factuur is vermeld, komt niet voor aftrek in aanmerking, maar is op grond van artikel 37 van Pro de Wet OB wel verschuldigd door degene die dit op de factuur heeft vermeld. In beginsel kan verweerder deze belasting dus zowel naheffen van de afnemer als van de presterende ondernemer. De Staatssecretaris van Financiën heeft daarom in het besluit van 27 juni 2012, BLKB 2012 477M nadere regels gesteld en bepaald dat de inspecteur zich in eerste instantie tot de opsteller van de factuur dient te wenden. Dat betekent echter niet dat het verweerder niet is toegestaan in voorkomend geval de afnemer aan te spreken wanneer naheffing bij de opsteller van de factuur geen resultaat zou hebben. Dat dit laatste het geval is heeft verweerder met de onder 4. vermelde e-mail van 2 april 2015, voldoende aannemelijk gemaakt. Het enkele feit dat, zoals eiseres heeft aangevoerd,
J BV volgens haar jaarrekening per 31 december 2013 over een eigen vermogen van
€ 114.502 beschikte, leidt niet tot de conclusie dat in mei 2014 bij J BV voldoende verhaal zou zijn voor het hier in geding zijnde totaalbedrag van € 224.278 (inclusief belastingrente). De rechtbank neemt daarbij mede in aanmerking dat J BV op 2 december 2014 failliet is verklaard. Gezien de aard van het bedrijf van eiseres en het feit dat zijzelf en alle andere uitzendbureaus en ZZP’ers die door eiseres zijn ingeschakeld de verleggingsregeling toepassen, moet het eiseres ook zonder meer duidelijk zijn geweest dat de omzetbelasting ten onrechte op de factuur stond vermeld. Zij heeft niet kunnen en mogen veronderstellen dat J BV de verleggingsregeling terecht niet toepaste. Zij heeft overigens ook niets aangevoerd op grond waarvan zij meende dat J BV terecht omzetbelasting factureerde. Ook om die reden heeft verweerder dus terecht de naheffingsaanslagen opgelegd.
Beslissing
mr. dr. M.M.W.D. Merkx, leden, in aanwezigheid van R. van der Vecht, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 maart 2018. De voorzitter is verhinderd om de uitspraak te ondertekenen. In haar plaats tekent de oudste rechter.