Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch, waarin het hoger beroep tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant werd behandeld. De zaak betrof een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag en een boetebeschikking in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen.
In cassatie werden zes middelen voorgesteld door belanghebbende, waarop de Staatssecretaris van Financiën een verweerschrift indiende en belanghebbende een conclusie van repliek. De Hoge Raad oordeelde dat de middelen niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering noodzakelijk was, omdat de middelen geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De Hoge Raad wees ook af om proceskosten toe te wijzen aan een van de partijen. Uiteindelijk verklaarde de Hoge Raad het beroep in cassatie ongegrond en bevestigde daarmee het oordeel van het gerechtshof.
Deze uitspraak betreft een belangrijke bevestiging van de rechtspraak omtrent naheffingsaanslagen en boetebeschikkingen in de motorrijtuigenbelasting en benadrukt de terughoudendheid van de Hoge Raad in cassatieprocedures zonder relevante rechtsvragen.