ECLI:NL:RBMNE:2026:4132

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
UTR 25/3090, UTR 25/3180 t/m UTR 25/3181 & UTR 25/3186 t/m UTR 25/3187
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 17 GrondwetArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond wegens ontbreken concrete beroepsgronden tegen aanslag riool- en afvalstoffenheffing

Eiser heeft beroep ingesteld tegen een aanslag rioolheffing en afvalstoffenheffing opgelegd door de heffingsambtenaar. De rechtbank constateert dat eiser geen concrete, zaaksspecifieke beroepsgronden heeft ingediend, ondanks herhaalde verzoeken daartoe. De ingediende brieven bevatten slechts algemene opmerkingen die niet op de aanslag zijn toegespitst.

De rechtbank heeft het beroep zonder zitting behandeld op grond van artikel 8:54 Awb Pro, omdat het beroep kennelijk ongegrond is. Eiser heeft ook een verzoek om immateriële schadevergoeding ingediend wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelt vast dat de termijn met circa twee maanden is overschreden, maar het financiële belang niet boven €1.000,- ligt, zodat een vergoeding niet wordt toegekend.

De rechtbank concludeert dat de aanslag terecht is opgelegd en wijst het beroep ongegrond. Tevens wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter J.W. Veenendaal en griffier L.S. Lith op 1 juli 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen de aanslag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/3090, UTR 25/3180 t/m UTR 25/3181 & UTR 25/3186 t/m UTR 25/3187

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels MRE),
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht, de heffingsambtenaar.
(gemachtigde: M.F.M. Boerlage)

Inleiding

1. In de beschikking van 30 april 2024 heeft de heffingsambtenaar een aanslag rioolheffing en afvalstoffenheffing opgelegd met betrekking tot de objecten:
Zaaknummer
Object
UTR 25/3090
[adres 1] [plaats]
UTR 25/3180
[adres 2] [plaats]
UTR 25/3181
[adres 3] [plaats]
UTR 25/3186
[adres 3] [plaats]
UTR 25/3187
[adres 4] [plaats]
2. Eiser is tegen de beschikking in bezwaar gegaan. In de uitspraak op bezwaar van 4 mei 2025 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
3. Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
4. Omdat het beroep kennelijk ongegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

5. In gevallen waarin tussen partijen een geschil bestaat, kan de rechtbank de zaak afdoen met toepassing van artikel 8:54 Awb Pro indien de rechtbank van oordeel is dat over de uitkomst van dat geschil in redelijkheid geen twijfel mogelijk is. [1] De rechtbank zal hierna uitleggen waarom dat in deze zaak het geval is.
6. De gemachtigde van eiser heeft beroep ingesteld. De gemachtigde van eiser stuurt in elke procedure min of meer hetzelfde beroepschrift. In dat beroepschrift staan geen concrete gronden ten aanzien van de aanslag. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
7. De rechtbank heeft vervolgens een brief naar de gemachtigde van eiser gestuurd waarin hij in de gelegenheid wordt gesteld om naar aanleiding van het verweerschrift een nader of gewijzigd standpunt in te nemen. In deze brief staat verder dat indien de rechtbank geen reactie ontvangt, de rechtbank ervan uitgaat dat de gemachtigde van eiser geen behoefte heeft om naar aanleiding van het verweerschrift een nader of gewijzigd standpunt in te nemen. De gemachtigde van eiser heeft hierop gereageerd met een zogenaamde ‘pinpointbrief’. In deze pinpointbrief staat wederom niets concreets over de aanslag. Er staan alleen algemeenheden in over waardevaststellingen van onroerend goed, maar dat ligt in deze procedure helemaal niet voor.
8. De rechtbank heeft een aangetekende brief naar de gemachtigde van eiser gestuurd, waarin de rechtbank de gemachtigde van eiser verzoekt in een A4 puntsgewijs zijn beroepsgronden zaakspecifiek te concretiseren en zo nodig te voorzien van controleerbaar bewijs. De rechtbank heeft hiervoor een termijn van vier weken gegeven. Daarnaast staat expliciet in deze brief dat als de gemachtigde van eiser hier niet aan voldoet, eiser het risico loopt dat de rechtbank het onderzoek sluit en het beroep afdoet zonder zitting.
9. De gemachtigde van eiser heeft bij brief hierop gereageerd. De inhoud van deze brief is min of meer hetzelfde als de brieven die de gemachtigde van eiser heeft gestuurd in alle andere zaken waarin de rechtbank om zaakspecifieke gronden heeft verzocht. Opnieuw staan er in de brief van de gemachtigde van eiser alleen algemeenheden over waardevaststellingen. De rechtbank is daarom van oordeel dat deze gronden niet als concrete op de zaak toegespitste gronden kunnen worden aangemerkt. De gemachtigde van eiser heeft immers dezelfde standaardbrief in meerdere zaken tegelijk ingediend. Uit deze brief wordt verder niet duidelijk waarom deze stellingen enige relatie hebben tot de aanslag.
10. Dat de rechtbank niets kan met de algemene stukken van de gemachtigde van eiser, is voor de gemachtigde niet nieuw. In eerdere uitspraken heeft de rechtbank zich al uitgelaten over de min of meer gelijkluidende beroepschriften en (pinpoint)brieven in andere zaken. Daarin is regelmatig gezegd dat de rechtbank hier niets mee kan, omdat ze vol staan met algemene, weinig inhoudelijke, onsamenhangende en inconsistente, fragmentarische en niet of nauwelijks onderbouwde op de uitspraak op bezwaar betrekking hebbende stellingen. [2] Ook alle gerechtshoven hebben de gemachtigde hier op gewezen. [3] De rechtbank heeft de gemachtigde van eiser er bovendien meerdere keren op gewezen dat zijn werkwijze, door pas op zitting met concrete gronden te komen, in strijd is met de goede procesorde. [4]
11. Zoals hiervoor overwogen heeft de gemachtigde zich in het beroepschrift en zijn overige brieven beperkt tot opmerkingen met een algemene strekking die (nagenoeg) gelijkluidend zijn aan de opmerkingen in een groot aantal andere zaken van de gemachtigde en niet eens zien op heffingen. Uit die algemene opmerkingen kunnen geen concrete beroepsgronden worden afgeleid aan de hand waarvan kan worden beoordeeld of de aanslag onjuist is. Nu de gemachtigde van eiser geen concrete op de zaak toegespitste beroepsgronden heeft ingediend, kan de rechtbank tot geen andere conclusie komen dan dat eiser de aanslag niet gemotiveerd heeft betwist en dat het beroep ongegrond is.
Het verzoek om immateriële schadevergoeding
12. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade, omdat de procedure over zijn belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. De rechtbank toetst het verzoek aan artikel 17, eerste lid, van de Grondwet en neemt daarbij artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mensen en de daarvan afgeleide rechtspraak als uitgangspunt.
13. De redelijke termijn is overschreden als de bezwaar- en beroepsfase samen langer dan twee jaar hebben geduurd. Daarbij is een termijn van zes maanden voor de handeling van het bezwaar en een termijn van anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep als uitgangspunt redelijk.
14. De rechtbank constateert dat sinds de ontvangst van het bezwaarschrift de redelijke termijn van twee jaar met (afgerond) twee maanden is overschreden.
15. Voor het toekennen van een immateriële schadevergoeding ziet de rechtbank geen aanleiding. In het arrest van 14 juni 2024 heeft de Hoge Raad [5] beslist dat in gevallen waarbij het financiële belang bij een procedure minder is dan € 1.000,- en de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden, volstaan kan worden met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. De rechtbank moet dan ook beoordelen of deze bagatelgrens wordt gehaald.
16. De rechtbank stelt vast dat het financiële belang in deze zaak niet boven € 1.000,- komt. Eiser heeft geen feiten aangevoerd op grond waarvan de omvang van het financiële belang kan worden vastgesteld. Gelet hierop heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het financieel belang meer dan € 1.000,- bedraagt. Omdat daarnaast de overschrijding van de redelijke termijn met minder dan twaalf maanden is overschreden, kan de belastingrechter volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. De rechtbank zal dit dan ook toepassen. Het verzoek om immateriële schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen.

Conclusie en gevolgen

17. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de aanslag terecht is opgelegd. Nu eiser geen concrete beroepsgronden heeft ingediend, heeft de rechtbank geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van de aanslag. Het beroep is kennelijk ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Veenendaal, rechter, in aanwezigheid van
L. S. Lith, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Arrest van de Hoge Raad van 24 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:787.
2.Zie hiervoor onder andere de uitspraken van deze rechtbank van 18 april 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:1602, 23 maart 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:1259, en 24 januari 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:221.
3.Zie de uitspraken van het Gerechtshof Den Haag van 22 februari 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:672, het Gerechtshof Amsterdam van 21 januari 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:150, en het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 19 maart 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:725 en het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 24 juni 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:3894.
4.Zie onder andere de uitspraken van deze rechtbank van 13 augustus 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:4903, 15 november 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:6529 en 8 augustus 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:4573.