ECLI:NL:RBMNE:2026:3736

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
28 juni 2026
Zaaknummer
C/16/596924 / HA ZA 25-373
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:310 BWArt. 6:119 BWArt. 6:162 BWArt. 6:101 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Accountant aansprakelijk voor verlies kans op beter onderhandelingsresultaat bij aandelenoverdracht

Eiseres, een holdingmaatschappij, vordert schadevergoeding van haar accountant wegens schending van de buitencontractuele zorgplicht bij het opstellen van een aandeelhoudersovereenkomst (SHA 2019). De accountant had namens een andere vennootschap de overeenkomst opgesteld en onvoldoende informatie verstrekt aan eiseres, waardoor zij onder druk ongunstige voorwaarden tekende.

De rechtbank stelt vast dat de accountant een buitencontractuele zorgplicht had tegenover eiseres als derde partij, omdat haar belangen nauw betrokken waren en zij op de accountant vertrouwde. De accountant heeft deze zorgplicht geschonden door de conceptovereenkomst niet tijdig aan alle aandeelhouders te verstrekken, vragen van eiseres niet vóór ondertekening te beantwoorden en onvoldoende te waarschuwen voor de gevolgen.

Er is een causaal verband tussen deze tekortkoming en de schade van eiseres, bestaande uit het verlies van een kans op een beter onderhandelingsresultaat en de daaruit voortvloeiende waardevermindering van haar aandelen. De schade wordt geschat op €254.737,91, waarvan 25% voor eigen rekening van eiseres blijft wegens eigen schuld. De rechtbank veroordeelt de accountant tot betaling van €191.053,43 plus rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten.

Uitkomst: De accountant wordt veroordeeld tot betaling van €191.053,43 schadevergoeding wegens schending van haar buitencontractuele zorgplicht.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/596924 / HA ZA 25-373
Vonnis van 17 juni 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
gevestigd in [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. E.L. de Haan,
tegen
[gedaagde] B.V.,
gevestigd in [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaten: mrs. J.F. Garvelink en A.G.J. van Rinsum.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- de conclusie van antwoord met producties;
- de akte met producties 4 en 5 van [gedaagde] ;
- de akte met producties 54 tot en met 72 van [eiseres] ;
- de akte met productie 6 van [gedaagde] ;
- de mondelinge behandeling van 24 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;
- de spreekaantekeningen van [eiseres] ;
- de spreekaantekeningen van [gedaagde] .
1.2.
De rechtbank heeft bepaald dat vandaag vonnis wordt uitgesproken.

2.De kern van de zaak

2.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of [gedaagde] als accountant een op haar rustende buitencontractuele zorgplicht heeft geschonden, waardoor zij verplicht is tot vergoeding van kansschade aan [eiseres] . Volgens [eiseres] heeft [gedaagde] onrechtmatig tegenover haar gehandeld door geen informatie te verstrekken over de aandeelhoudersovereenkomst die in december 2019 moest worden getekend. Zo heeft [gedaagde] niet de vragen van [A] over de aandeelhoudersovereenkomst beantwoord en geen toelichting gegeven. [eiseres] maakt in deze procedure aanspraak op vergoeding van de door haar geleden schade als gevolg daarvan. Volgens [gedaagde] heeft [eiseres] door haar nalaten geen schade geleden. [gedaagde] beroept zich daarnaast op verjaring van de vorderingen en dat er sprake is van rechtsverwerking. De rechtbank beslist dat [gedaagde] aansprakelijk is tegenover [eiseres] voor het verlies van de kans om een beter resultaat uit te kunnen onderhandelen, waarbij het latere aandeelhoudersgeschil dat [eiseres] heeft gekregen was uitgebleven. De rechtbank stelt daarnaast vast dat er ook sprake is van eigen schuld van [eiseres] , waardoor een deel van te vergoeden schade voor rekening van [eiseres] zelf blijft.

3.De achtergrond van het geschil

Activiteiten van de betrokken partijen
3.1.
[eiseres] is een holdingmaatschappij. Enig aandeelhouder en bestuurder van [eiseres] is [A] (hierna: [A] ). [eiseres] is per 1 januari 2001 met [onderneming 1] BV (met enig aandeelhouder [B] hierna: [B] ) en [onderneming 2] de vennootschap onder firma [onderneming 3] V.o.F. (hierna: VOF) aangegaan. [C] en [D] zijn via [onderneming 4] B.V. (hierna: [onderneming 4] ) de bestuurders van [onderneming 2] .
3.2.
De VOF is een groothandelsbedrijf in import en export van leder, stoffen, kunstmaterialen en fournituren voor lederverwerkende industrieën.
3.3.
[gedaagde] is een accountants- en advieskantoor dat diensten verleent op het gebied van accountancy, belastingadvies en bedrijfsadvisering voor met name de MKB branche.
[gedaagde] was de samenstellend accountant van zowel de VOF en later [onderneming 5] B.V. als [eiseres] . [gedaagde] verrichte daarnaast fiscale werkzaamheden, met name Vpb-aangiftes voor de VOF en later [onderneming 5] B.V. en adviseerde aan [onderneming 2] .
Herstructurering VOF: omzetting naar [onderneming 5] B.V.
3.4
In 2014 vindt er op advies van [gedaagde] een herstructurering plaats. De VOF wordt omgezet in een besloten vennootschap (BV). Op 1 december 2014 wordt [onderneming 5] B.V. opgericht. [onderneming 6] B.V. is sinds deze oprichting enig aandeelhouder en bestuurder van [onderneming 5] B.V. De aandelen van [onderneming 6] worden vanaf dat moment gehouden door [onderneming 2] (50%), [eiseres] (25%) en [onderneming 1] (25%).
3.5.
De tussen de compagnons gemaakte afspraken worden vastgelegd in een
aandeelhoudersovereenkomst (de SHA 2015). [1] De compagnons zijn onder meer overeengekomen dat het door [eiseres] in de VOF opgebouwde winstaandeel van € 487.728 wordt omgezet in een achtergestelde lening aan [onderneming 6] . Ook zijn de compagnons overeengekomen dat de tussen [onderneming 4] en [C] sinds 2001 bestaande overeenkomst van geldlening in rekening courant direct bij het aangaan van de overeenkomst door partijen wordt omgezet in een overeenkomst van geldlening van € 1.000.000,- en een rekening courant overeenkomst met een maximaal krediet van € 4.000.000,-. De overeenkomst treedt op 1 januari 2014 in werking.
3.6.
De structuur van [onderneming 6] zag er als volgt uit:
De aandelenoverdracht in 2019
3.7.
In de periode 2015-2018 zijn er op initiatief van [C] verschillende besprekingen geweest tussen de compagnons over een aandelenoverdracht van [onderneming 2] aan [eiseres] en [onderneming 1] . Na het overlijden van de echtgenote van [C] in 2018 worden de compagnons het erover eens dat [onderneming 2] 25% van de aandelen in [onderneming 6] verkoopt aan [onderneming 1] en [eiseres] (ieder 12,5%). Uit fiscaal oogpunt besluiten zij het voorgenomen overdrachtstraject ook uit te breiden met pensioenplanning.
3.8.
In dat kader adviseert [gedaagde] [onderneming 2] om de aandelenoverdracht vóór 1 januari 2020 te realiseren. Dit is in het belang van [C] en [D] met het oog op de Bedrijfsopvolgingsregeling (BOR). [onderneming 2] geeft [gedaagde] de opdracht voor het opstellen van een aandeelhoudersovereenkomst.
3.9.
[gedaagde] deelt per e-mail van 9 december 2019 de concept-koopovereenkomst en concept-aandeelhoudersovereenkomst met [D] . [D] stuurt deze
e-mail op zijn beurt op 11 december 2019 door aan [eiseres] en [B] . Er staat dan al een afspraak ingepland bij de notaris op 23 december 2019.
3.10.
Na ontvangst van de concept-overeenkomsten op 11 december 2019 stuurt [A] dezelfde dag [gedaagde] een e-mail en vraagt [gedaagde] daarin om het volgende:

Dit is erg complex en ze vragen dit op heel korte termijn (23 December) te ondertekenen.
Wij willen hier graag op een goede manier uitkomen, maar daarvoor wil ik wel weten waar we over praten om de besluitvorming makkelijker te maken.
(…) Uitgangspunten:
- Wij tekenen 23 december
- Winst 2019 is gelijk aan die van 2018
Hypothetisch kunnen zich de volgende scenario's (waar je eigenlijk niet over wil’ nadenken) begin januari 2020 voordoen:
1. [E (voornaam)] overlijdt
2. [D (voornaam)] overlijdt
3. [C (voornaam)] overlijdt
4. [B (voornaam)] overlijdt
5. [A (voornaam)] overlijdt
6. [A (voornaam)] krijgt een onoverkomelijk geschil binnen de directie
7. [A (voornaam)] stopt uit eigen beweging
8. [A (voornaam)] wordt dusdanig arbeidsongeschikt dat hij zijn huidige functie niet meer kan uitvoeren
9. [A (voornaam)] gaat scheiden van [F (voornaam)]
10. Er komt een koper voor [onderneming 5] BV, welke een fictief bedrag van € 10.000.000,- betaald voor alles uiteraard (exclusief pand)Mbt bovenstaande punten wil ik graag in Jip-en-Janneke taal per mail (zodat ik dit ook met [F (voornaam)] kan delen), per punt weten wat de gevolgen voor mij zijn in financieel opzicht (in geldbedragen) zowel zakeljjk als privé.
Daarnaast graag advies hoe we hier tot een structurele oplossing kunnen komen om privé uit de zorgen te geraken en te blijven. (…)Uiteraard ook graag advies hoe we hier tot een oplossing kunnen komen, welke voor alle partijen acceptabel zou kunnen zijn.
Graag alle bovenstaande vragen beantwoorden uiterlijk 13 December, anders wordt de planning wel heel erg krap.
Excuses voor dit spoedverzoek, maar zie helaas geen andere mogelijkheid!(…)”
3.11.
Vanuit [gedaagde] bericht [G] in een e-mail van 16 december 2019 dat het - gelet op het tijdsbestek - het meest efficiënt is als [H] en hijzelf met [A] en zijn echtgenote om tafel gaan zitten om de vragen te bespreken. Ze zullen dan proberen zoveel mogelijk antwoord te geven op de gestelde vragen en deze ook per e-mail aan [A] en zijn vrouw te bevestigen.
3.12.
Op 19 december 2019 zit [A] met zijn echtgenote bij [gedaagde] op kantoor met [G] en [H] . [A] krijgt in dat gesprek geen antwoord op zijn vragen. [H] heeft voor [eiseres] wel een concept e-mail opgesteld die [eiseres] kan gebruiken als gespreksopener naar [C] en [D] . Daarin staat:

Beste [D (voornaam)] en [C (voornaam)] ,
Afgelopen week is er onduidelijkheid ontstaan tussen ons door de vragen die wij stelden over de concept overeenkomst die wij op ….. jl, van jullie ontvingen. Graag proberen wij onze vragen wat te verduidelijken en in het juiste verband te plaatsen.Uit het eerste deel van de overeenkomst begrijpen wij dat we ieder 12,5% van de aandelen in [onderneming 6] van jullie kopen voor EUR. 83.625. Deze betaling wordt verrekend met onze achtergestelde leningen. De winst op deze gekochte aandelen is nog 10 jaar voor jullie.
Gezien de koopsom lijkt ons dit een goede deal en doen we zo graag zaken.
Maar we hadden dit soort zaken graag in breder verband met jullie besproken.
Zo betalen we nu uit onze achtergestelde leningen EUR. 83.625 aan jullie, maar we willen graag met jullie overleggen om de gehele achtergestelde leningen afgelost te krijgen.
(…) De achtergestelde leningen bestaan uit renteloos ingehouden winsten nog uit de VOF periode en wij denken dat die nu best aan ons uitgekeerd zouden kunnen worden. Gezien onze gezinssituaties zou ons dat ook erg goed uitkomen.
Verder verandert er in het tweede deel van de overeenkomst niet zo veel voor ons: jullie houden alle zeggenschap en wij verkeren in onzekerheid. Wanneer bijvoorbeeld [A (voornaam)] komt te overlijden, moet hij zijn aandelen aanbieden, maar die hoeven niet door de andere aandeelhouders gekocht te worden. Een minderheidsbelang is op de markt niet te verkopen, dus de erfgenamen van [A (voornaam)] houden dan alleen aandelen in een bedrijf dat geen winst uitkeert. Daar kunnen ze niet van leven. Daar zijn allerlei oplossingen voor te bedenken, ook andere dan winsten uitkeren. Over zulke zaken willen wij het graag met jullie hebben. (…) Maar gezien de boze reactie van [C (voornaam)] , is dit blijkbaar toch geen goed moment daarvoor en we zullen dan ook zonder het door ons gewenste overleg op 23 december bij de notaris de nodige stukken ondertekenen. Maar we stellen wel voor dat we op ... januari 2020 met zijn vieren bij elkaar komen om bovenstaande zaken te bespreken(…)”
[A] verstuurt dit bericht namens [eiseres] niet aan [C] en [D] .
3.13.
[eiseres] tekent op 23 december 2019 de aandeelhoudersovereenkomst (de SHA 2019). Hierin zijn de compagnons het volgende overeengekomen, voor zover relevant:

Artikel 1. Koop- verkoop en levering
(…)
1.2.
[onderneming 2] verkoopt hierbij aan [eiseres] gelijk [eiseres] hierbij koopt van [onderneming 2] ...5,5.. aandelen in het aandelenkapitaal van [onderneming 6] , vormende 12,5% van het totale geplaatste kapitaal van [onderneming 6] . Deze aandelen zijn voor rekening en risico van [eiseres] met ingang van 1 januari 2019.
(…)
Artikel 2. Koopsom en betaling
2.1.
De koopsom voor de Aandelen volgt uit de waardering van de Aandelen die is gemaakt door [I] van [onderneming 7] uit [plaats 3] d.d. 6 december 2019 en bestaat uit twee delen, te weten (a) een contant te betalen deel groot EUR. 167,250 (derhalve door zowel [onderneming 1] als door [eiseres] te betalen EUR. 83.625) en (b) een earn-out die is beschreven in lid 3 van dit artikel.
2.2.
Betaling van het contante deel van de koopsom vindt plaats doordat de Vennootschap op de dag van de levering van de Aandelen EUR. 83.625 aflost op achtergestelde lening die [onderneming 1] aan haar heeft verstrekt (bijlage 5) en ook EUR. 83.625 aflost op achtergestelde lening die
[eiseres] aan haar heeft verstrekt (bijlage 6), welke twee bedragen de Vennootschap in haar geheel direct overmaakt op de bankrekening van [onderneming 2] namens [onderneming 1] en [eiseres] als betaling van de door hen verschuldigde koopsom aan [onderneming 2] .
2.3.
De earn-out bestaat hieruit dat [onderneming 2] na de verkoop van de Aandelen nog gedurende 10 jaren - ingaande 1 januari 2019 en derhalve tot en met het jaar dat eindigt op 31 december 2028 - gerechtigd blijft op een betaling die gelijk is aan 25% van de winst na belastingen die door de Vennootschap wordt gemaakt. Deze uitkering die jaarlijks zal blijken uit de uiterlijk in de maand ...juli., van het volgende boekjaar vast te stellen jaarrekening van [onderneming 6] , zal ieder jaar namens [onderneming 1] en [eiseres] direct door [onderneming 6] In contanten aan [onderneming 2] worden uitgekeerd uiterlijk In de maand ...augustus., van het volgende jaar. De eerste contante nabetaling aan [onderneming 2] uit dezen hoofde zal derhalve plaatshebben in de maand ...augustus., van 2020 en betreft 25% van de winst over het boekjaar 2019.
(…)
Artikel 5. Onderwerp van de aandeelhoudersovereenkomst
5.1.
Na de levering van de Aandelen conform het hiervoor in deze overeenkomst
bepaalde, is [onderneming 2] nog houdster van 25% van de geplaatste aandelen in het kapitaal van [onderneming 6] en gedurende 10 jaar gerechtigd op een nabetaling groot 25% van de winst van [onderneming 6] op grond van de in artikel 2 lid 3 van Pro deze overeenkomst vastgelegde earn-out regeling, houdt
[eiseres] een belang van 37,5% en houdt ook [onderneming 1] 37,5% van de geplaatste aandelen In [onderneming 6] . Onderwerp van deze aandeelhoudersovereenkomst is derhalve de voortdurende samenwerking tussen (de directeur groot aandeelhouders in) [onderneming 2] , [onderneming 1] en
[eiseres] in de Vennootschap en de Dochtervennootschap in de vorm van aandelenparticipatie en tevens In de vorm van arbeid.
(…)
Artikel 8. Rechten en bevoegdheden algemeen, doorslaggevende stem in de besluitvorming
Partijen zijn het erover eens dat zolang de earn out regeling van [onderneming 2] die is vastgelegd In artikel 2 lid 3 van Pro deze overeenkomst nog geheel of gedeeltelijk nagekomen moet worden en/of de Vennootschap of de Dochtervennootschap nog enig bedrag jegens [onderneming 2] / [onderneming 4] verschuldigd is
uit welken hoofde ook, [onderneming 2] en [onderneming 4] zekerheid dienen te hebben dat de hen toekomende gelden ook daadwerkelijk door de Vennootschap en de Dochtervennootschap (al dan niet namens [onderneming 1] en [eiseres] ) aan hen worden betaald, dit met voorrang boven eventuele verplichtingen van
de Vennootschap en/of de dochtervennootschap jegens [onderneming 1] en [eiseres] .
Daarom zijn Partijen overeengekomen dat zolang het hiervoor bepaalde nog van toepassing is, [onderneming 2] en/of [onderneming 4] zowel in het bestuur als in de aandeelhoudersvergadering van zowel de Vennootschap als de Dochtervennootschap altijd de doorslaggevende stem zullen hebben bij alle besluitvorming.
(…)
Artikel 11. Persoonlijk aandeelhouderschap
11.1
Partijen zijn het erover eens dat het aandeelhouderschap in de Vennootschap persoonlijk is voor de Aandeelhouders en de achterliggende aandeelhouders en daarom bieden de Aandeelhouders hierbij onverminderd de aanbiedingsregeling zoals opgenomen in artikel 14 en Pro 15 van de statuten
van de Vennootschap, de door leder van hen gehouden aandelen in het kapitaal van de Vennootschap aan de andere Aandeelhouders te koop aan onder de opschortende voorwaarde dat:
(…)
e. de managementovereenkomst tussen de (Dochter)Vennootschap en de Aandeelhouder eindigt om enige andere reden dan het overlijden van de bestuurder(s) van de Aandeelhouder of arbeidsongeschiktheid van de bestuurder(s) van de Aandeelhouder langer dan twee jaar aaneen;
(…)
Artikel 12. Waardebepaling aandelen
12.1
Partijen komen overeen dat in iedere situatie waarin er een verplichting voor een Aandeelhouder bestaat haar aandelen in de Vennootschap te koop aan te bieden en te leveren, met uitzondering van die genoemd onder artikel 11 lid 1 sub Pro f, de aanbiedingsprijs van deze aandelen gelijk is aan de (met de aangeboden aandelen corresponderende) Intrinsieke waarde van de Vennootschap minus 50%.(…)Artikel 14. Financieel beleid, dividendbeleid
(…)14.4 Partijen dragen er gezamenlijk zorg voor dat de Vennootschap en de Dochtervennootschap op ieder moment in staat zal zijn om in geval van overlijden van de heer [C] of van de heer [D] binnen zes maanden de overeenkomst van geldlening tussen [onderneming 4] en de Dochtervennootschap ten bedrage van EUR. 1.000.000 in haar geheel af te lossen.
(…).”
3.14.
[gedaagde] heeft [eiseres] op 7 februari 2020 een e-mailbericht gestuurd, waarin zij de door [A] gestelde vragen alsnog heeft beantwoord.
3.15.
Op 1 oktober 2020 vindt er een gesprek plaats tussen [A] en [gedaagde] . In het gespreksverslag staat het volgende: [2] ” (…)
  • [A (voornaam)] aangegeven dat hij zich niet juist behandeld voelt door [gedaagde] sinds 2015.
  • [gedaagde] is van mening dat er geen belangenverstrengeling heeft plaatsgehad omdat
er geen conflictsituatie was. Geven aan dat ze het nu verstandig vinden dat [A (voornaam)] nu een overstap heeft gemaakt naar een andere accountant.(…)
  • [H (voornaam)] verteld dat de aandeelhoudersovereenkomst destijds door hem opgesteld inderdaad een heel bijzonder stuk is waarin alles 3-dubbel is dichtgetimmerd in opdracht van [C (voornaam)] en [D (voornaam)] , maar met goede intenties.
  • [A (voornaam)] vraagt hoe ze hem afgelopen December hebben kunnen adviseren tegen
de gestelde voorwaarden akkoord te gaan met de aandelenoverdracht. Waarop gesteld wordt dat de stukken die er lagen niet nog slechter waren dan het al
was. (…)”
3.16.
[gedaagde] heeft naar aanleiding van het gesprek op 1 oktober 2020 aan [C] en [D] het volgende geadviseerd:
  • per direct een extra fee in 2020 van € 100.000,- toe te kennen;
  • per 1 januari 2021 jaarlijks een dividend uit te keren ter hoogte van 8% van het resultaat van het vorige boekjaar;
  • de achtergestelde leningen (ieder nog € 350.000,-) uit te betalen in 36 maanden, te beginnen in januari 2021;
  • toe te zeggen dat hun agio bij het overlijden van [A] en [B] ineens wordt uitgekeerd aan de erfgenamen.
3.17.
Op 12 oktober 2020 gaat [C] akkoord met een eenmalige, aanvullende fee van € 100.000,- en met een eenmalige dividenduitkering in 2021 over 2020, gelijk aan 8% van het resultaat van 2020 en te betalen in maandelijkse voorschottermijnen.
3.18.
In de periode vanaf 2020 stelt [eiseres] zich als aandeelhouder steeds actiever op en probeert zij meer zeggenschap in de onderneming en een betere financiële positie te krijgen.
3.19.
[eiseres] stuurt op 13 december 2022 een formele brief aan haar medecompagnons waarin zij een aantal punten signaleert die volgens [eiseres] direct of indirect van invloed zijn op de belangen van [eiseres] en [B] . [eiseres] stelt in deze brief aan de orde dat [eiseres] en [onderneming 1] niet de vrijheid krijgen om te ondernemen en sturing te geven aan het bedrijf. Zij hebben door de earn-out van tien jaar in de SHA 2019 niet de mogelijkheid om daar iets aan te veranderen. Het is voor [eiseres] niet acceptabel dat dit voortduurt tot minstens 2029. [eiseres] stelt voor dat haar aandelenbelang overgenomen wordt, dat zij juist de aandelen van de andere compagnons overneemt of dat er een nieuwe samenwerking komt.
De procedure bij de Ondernemingskamer
3.20.
Op 28 juni 2023 heeft [eiseres] de Ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam (hierna: de Ondernemingskamer) verzocht een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken bij [onderneming 6] B.V. en [onderneming 5] B.V.
De schikking
3.21.
In het kader van een mediation traject heeft [eiseres] op 5 februari 2024 met [onderneming 2] en [B] een schikking getroffen. Partijen hebben in een vaststellingsovereenkomst (VSO) het volgende afgesproken:
”(…)
1.
Koop en verkoop aandelen
1.1.
[eiseres] verkoopt hierbij de aandelen in het kapitaal van [onderneming 6] (…) aan [onderneming 2] (“de [onderneming 2] -aandelen”) (…) gelijk [onderneming 2] hierbij de [onderneming 2] -Aandelen van [eiseres] koopt en aanvaardt, een en ander onder de voorwaarden zoals opgenomen in de Overeenkomst.
1.2.
[eiseres] verkoopt hierbij de aandelen in het kapitaal van [onderneming 6] (…) aan [onderneming 6] (de " [onderneming 6] - aandelen") (…) gelijk [onderneming 6] hierbij de [onderneming 6] - Aandelen van [eiseres] koopt en aanvaardt, een en ander onder de voorwaarden zoals opgenomen in de Overeenkomst.
2. [onderneming 2] -Koopprijs
2.1
De koopprijs voor de [onderneming 2] -aandelen bedraagt EUR 900.000,00 (de " [onderneming 2]
Koopprijs").
3. [onderneming 6] - Koopprijs
3.1
De koopprijs voor de [onderneming 6] - aandelen bedraagt EUR 1.800.000,00 (de " [onderneming 6] - Koopprijs").
(…)
8. Aflossing achtergestelde lening van [onderneming 6] aan [eiseres] en [onderneming 1] , Winstrecht 2023 en Winstrecht 2024
8.1
Gelijktijdig met het verlijden van de Leveringsakte zal [onderneming 6] overgaan tot
directe en volledige aflossing van de lening aan [eiseres] ad € 100.000,- (…) door betaling op de bankrekening van [eiseres] (…)
(…)
10. Finale kwijting
10.1
Met uitzondering van hetgeen in de Overeenkomst is bepaald, verlenen Partijen
elkaar gelijktijdig met het verlijden van de Leveringsakte finale kwijting over en weer terzake van alle aanspraken die voortvloeien uit of verband houden met het Geschil,
de in 2019 overeengekomen 'KOOPOVEREENKOMST VAN AANDELEN EN
SAMENWERKINGS EN AANDEELHOUDERSOVEREENKOMST betreffende [onderneming 6] B.V. EN [onderneming 5] B.V.' (de 'Samenwerkingsovereenkomst') en de
vennootschapsrechtelijke relaties.
(…)”
[eiseres] stelt [gedaagde] aansprakelijk
3.22.
In een brief van 23 augustus 2024 heeft [eiseres] [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor de door haar geleden schade. Daarin wijst [eiseres] op de volgens haar kwalijke rol die [gedaagde] heeft gespeeld bij de totstandkoming (en het in stand houden) van het conflict, dat [eiseres] daardoor adviseurskosten heeft moeten maken en de waardevermindering van haar vermogen als gevolg van de overdracht van de aandelen in [onderneming 6] tegen een (aanzienlijk) lagere waarde dan de intrinsieke waarde.

4.De beoordeling

Geen verjaring
4.1.
Als meest verstrekkende verweer heeft [gedaagde] zich op het standpunt gesteld dat de vordering van [eiseres] tot vergoeding van haar schade is verjaard. [eiseres] betwist dat sprake is van verjaring van haar vordering. Het beroep op verjaring slaagt niet.
4.2.
Het verjaringsberoep moet worden beoordeeld aan de hand van artikel 3:310 BW Pro. Dit artikel bepaalt, voor zover hier van belang, dat een rechtsvordering tot vergoeding van schade verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad geldt daarbij het volgende. De eis dat de benadeelde bekend is geworden met zowel de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon moet aldus worden opgevat dat het hier gaat om een daadwerkelijke bekendheid. Het enkele vermoeden van het bestaan van schade dan wel het enkele vermoeden welke persoon voor de schade aansprakelijk is, volstaat daarom niet. De verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW Pro begint pas te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van de door hem geleden schade in te stellen. Daarvan zal sprake zijn als de benadeelde voldoende zekerheid heeft verkregen dat schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de betrokken persoon, welke zekerheid niet absoluut behoeft te zijn. Het antwoord op de vraag op welk tijdstip de benadeelde voldoende zekerheid heeft verkregen dat schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de betrokken persoon, is afhankelijk van de relevante omstandigheden van het geval. Dit betekent dat de rechter moet beoordelen of de benadeelde daadwerkelijk bekend is met de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op (i) de schade – dus het nadeel dat wordt geleden als gevolg van tekortschietend of foutief handelen van een derde – en (ii) de aansprakelijke persoon. [3]
4.3.
Beoordeeld moet worden of de vordering van [eiseres] tot vergoeding van de schade op [gedaagde] is verjaard. Vast staat dat [eiseres] [gedaagde] op 23 augustus 2024 aansprakelijk heeft gesteld en de verjaring daarmee heeft gestuit. De vraag is dus of de vordering van [eiseres] op die datum reeds was verjaard. Daarvoor is van belang vanaf wanneer de vijfjaarstermijn is gaan lopen. De rechtbank stelt vast dat [eiseres] pas op 7 februari 2020 voor het eerst bekend kon zijn met een fout van [gedaagde] , omdat toen de vragen van [A] alsnog zijn beantwoord door [gedaagde] . [eiseres] had op dat moment, 7 februari 2020, voldoende zekerheid verkregen dat het (gestelde) onrechtmatig handelen van [gedaagde] (mogelijke) schade tot gevolg had en was dus toen voor het eerst in staat een rechtsvordering in te stellen tegen [gedaagde] . Voor de aanvang van de verjaringstermijn is niet vereist dat de benadeelde daadwerkelijk bekend is met de juridische beoordeling van de feiten en omstandigheden waaruit voor hem (uiteindelijk) de schade voortvloeit. Omdat de verjaringstermijn op 7 februari 2020 is gaan lopen, was de verjaring van de rechtsvordering van [eiseres] dus nog niet voltooid ten tijde van de aansprakelijkheidstelling van [gedaagde] op 23 augustus 2024 waarmee de verjaring is gestuit. Dat betekent dat het beroep van [gedaagde] op verjaring van de vordering van [eiseres] niet slaagt.
Geen rechtsverwerking
4.4.
Het beroep van [gedaagde] op rechtsverwerking slaagt evenmin. Om rechtsverwerking te kunnen aannemen, is nodig dat de rechthebbende zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van zijn recht of bevoegdheid. Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad is enkel tijdsverloop daarvoor onvoldoende. Er moet sprake zijn van bijzondere omstandigheden op grond waarvan bij de wederpartij het gerechtvaardigde vertrouwen is gewekt dat de rechthebbende zijn aanspraak niet meer geldend zal maken, of waardoor de positie van de wederpartij onredelijk verzwaard of benadeeld zou worden indien het recht of de bevoegdheid alsnog geldend wordt gemaakt. [4] Gesteld noch gebleken is dat daarvan sprake is. Tijdsverloop kan wel als een van de relevante omstandigheden meewegen bij de beoordeling van de vraag of de rechthebbende zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van zijn recht of bevoegdheid. Maar ‘stilzitten’ kan slechts tot rechtsverwerking leiden indien op grond van de omstandigheden van het geval redelijkerwijs een bepaald handelen van de rechthebbende had mogen worden verwacht. Van stilzitten door [eiseres] is geen sprake geweest. [eiseres] heeft sinds het e-mailbericht van 7 februari 2020 waarin [gedaagde] alsnog de door [A] gestelde vragen heeft beantwoord, geuit dat hij onvrede had over de gevolgen daarvan voor hem, omdat hij de SHA 2019 reeds had getekend. Zo is er op 2 juni 2021 een gesprek geweest met [A] , [J] en [K] bij [gedaagde] over de gang van zaken. [5] Tijdens dit gesprek heeft [K] ook erkend dat [gedaagde] de belangen van [eiseres] niet goed genoeg voor ogen heeft gehad bij het door [K] als zodanig genoemde ‘wurgcontract’. Hierna is [eiseres] bij [gedaagde] haar onvrede over dit onderwerp blijven benoemen. Hierdoor kan niet gezegd worden dat [gedaagde] er gerechtvaardigd op kon vertrouwen dat [eiseres] afstand van haar rechten heeft gedaan vóór de aansprakelijkheidstelling op 23 augustus 2024. [eiseres] heeft ook niets gezegd of gedaan wat daarop wijst.
4.5.
De rechtbank komt daarom toe aan een inhoudelijke beoordeling van de vorderingen van [eiseres] .
De zorgplicht van [gedaagde] tegenover [eiseres]
4.6.
[eiseres] legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld door schending van de op haar als accountant rustende zorgplicht. [6] stelt daartoe dat [gedaagde] in de rol van haar accountant [eiseres] niet goed heeft geadviseerd bij de SHA 2019. [eiseres] verwijt [gedaagde] bij het opstellen van de SHA 2019 geen rekening te hebben gehouden met de belangen van [eiseres] , maar uitsluitend de belangen van [onderneming 2] te hebben gediend. Volgens [eiseres] heeft zij daardoor onder druk de SHA 2019 getekend met voor [eiseres] zeer ongunstige voorwaarden, die [gedaagde] kende of behoorde te kennen en [eiseres] (nog) niet doordat haar vragen niet werden beantwoord door [gedaagde] over de gevolgen van de SHA 2019. [eiseres] houdt [gedaagde] aansprakelijk voor de hierdoor geleden schade. Volgens [eiseres] heeft de SHA 2019 tot een ongunstige rechtspositie voor haar geleid, waardoor het geschil tussen de aandeelhouders is ontstaan. Daarbij is er voor [eiseres] sprake van een verlies in vermogen door het verkrijgen van een lagere koopprijs bij het sluiten van de VSO toen zij als aandeelhouder uittrad. Ook heeft [eiseres] advies- en advocatenkosten moeten maken in het kader van de procedure bij de Ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam (hierna: Ondernemingskamer).
4.7.
[gedaagde] betwist dat zij een dergelijke zorgplicht tegenover [eiseres] had. Omdat [eiseres] niet haar opdrachtgever was, had zij geen verplichtingen naar [eiseres] toe. Ook stelt [gedaagde] dat eventuele fouten van [gedaagde] niet tot schade hebben geleid en dat, voor zover al sprake is van schade, [eiseres] in grote mate eigen schuld heeft aan het ontstaan van die schade. Ook betwist [gedaagde] de omvang van de gevorderde schade.
Toetsingskader
4.8.
Voor (advies)werkzaamheden van een accountant in het kader van een niet-wettelijke taak geldt dat in beginsel slechts tegenover de opdrachtgever een (contractuele) zorgplicht bestaat. Dat neemt niet weg dat onder omstandigheden ook bij de uitoefening van dergelijke niet-wettelijke taken sprake kan zijn van een (buitencontractuele) zorgplicht tegenover derden. Een schending van die zorgplicht kan dan niet alleen een toerekenbare tekortkoming en/of onrechtmatige daad tegenover de opdrachtgever zijn, maar onder bijzondere omstandigheden ook een onrechtmatige daad tegenover deze derden opleveren.
4.9.
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad zijn alle omstandigheden van het geval van belang voor de beantwoording van de vraag of tegenover de derde zo’n buitencontractuele zorgplicht bestaat. Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat een accountant dient te handelen zoals een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot betaamt. Deze zorgplicht wordt onder meer ingekleurd door de beroepsnormen waar de accountant zich aan dient te houden. Hier mogen derden ook op vertrouwen, als hun belangen rechtstreeks betrokken zijn bij de niet-wettelijke werkzaamheden die de accountant verricht en voor de accountant kenbaar zijn. Zo dient de accountant er rekening mee te houden dat deze derden aan de door hem of haar opgestelde documenten bijzondere waarde kunnen hechten. Daarom is het belangrijk dat de accountant maatregelen neemt om te voorkomen dat derden aan die documenten onjuiste betekenis toekennen. [7] Dit geldt in het bijzonder - zoals in deze zaak - als de belangen van derden nauw zijn betrokken bij het opstellen van een overeenkomst door de accountant, waardoor zij schade of ander nadeel kunnen lijden als zij over de inhoud en gevolgen daarvan niet zorgvuldig worden geïnformeerd. Die omstandigheden kunnen meebrengen dat de accountant, door te handelen zoals hij of zij doet (of juist nalaat te doen), aansprakelijk is tegenover die derden voor door hen geleden schade. Daarbij moet wel sprake zijn van bijzondere omstandigheden, omdat de accountant niet zelf met die derde(n) een overeenkomst heeft gesloten voor zijn werkzaamheden of daartoe opdracht heeft gekregen. Bij het bepalen of de accountant anders had moeten handelen vanwege de belangen van derden kan onder meer van belang zijn: [8] - de hoedanigheid van de betrokken partijen en of zij (juridische) bijstand hebben;
- de aard en strekking van de desbetreffende overeenkomst;
- de wijze waarop de belangen van de derde daarbij zijn betrokken;
- de vraag in hoeverre deze betrokkenheid voor de accountant kenbaar was;
- de vraag of de derde erop mocht vertrouwen dat zijn belangen zouden worden gediend of ontzien;
- de vraag in hoeverre het voor de accountant bezwaarlijk was met de belangen van de derde rekening te houden en die derde daarover te informeren;
- de aard en omvang van het nadeel dat voor de derde dreigt; en
- de vraag of van de derde kon worden gevergd dat hij zich daartegen zelf heeft ingedekt.
Tussen [eiseres] en [gedaagde] bestaat een buitencontractuele zorgplicht
4.10.
De rechtbank oordeelt dat de verwijten die [eiseres] aan [gedaagde] maakt niet betrekking hebben op de werkzaamheden van [gedaagde] als haar samenstellend accountant. De verwijten van [eiseres] zien uitsluitend op de vraag of [gedaagde] bij het uitvoeren van de werkzaamheden als accountant-adviseur in opdracht van [onderneming 2] onrechtmatig heeft gehandeld tegenover [eiseres] . In zoverre kwalificeert [eiseres] als een derde zoals voornoemd bij het opstellen van de SHA 2019 door [gedaagde] .
4.11.
Dat [eiseres] als medeopdrachtgever aangemerkt moet worden bij de SHA 2019 en een contractuele relatie met [gedaagde] had voor wat betreft de aandelenoverdracht is namelijk niet gebleken. Weliswaar trad [gedaagde] tot begin 2020 voor [eiseres] op als samenstellend accountant, maar deze opdrachten aan [gedaagde] strekten niet verder dan de overeengekomen scope, te weten: de niet-wettelijke taak van het samenstellen van jaarrekeningen. [eiseres] werd niet medeopdrachtgever of zelf cliënt van [gedaagde] door het stellen van vragen over de te tekenen SHA 2019. Dat tussen [eiseres] en [gedaagde] wat betreft de SHA 2019 geen contractuele relatie bestond, blijkt ook uit het feit dat [gedaagde] niet heeft gefactureerd aan [eiseres] voor het opstellen van de SHA 2019 of voor het advieswerk daarover aan [eiseres] .
4.12.
Maar dat neemt volgens de rechtbank niet weg dat [gedaagde] wel een buitencontractuele zorgplicht had tegenover [eiseres] als derde betrokken partij en de belangen van [eiseres] niet mocht veronachtzamen. De rechtbank neemt daarvoor de volgende feiten en omstandigheden in aanmerking:
- [gedaagde] heeft in 2018, na het overlijden van de echtgenote van [C] , in het kader van estate planning [onderneming 2] geadviseerd om gebruik te maken van de Bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) voor een aandelenoverdracht ter voorkoming van erfbelasting.
- [gedaagde] heeft in dat kader [onderneming 2] geadviseerd om vanwege de fiscale voordelen de aandelenoverdracht aan [eiseres] en [B] voor 1 januari 2020 te realiseren.
- [onderneming 2] heeft [gedaagde] opdracht gegeven tot het opstellen van de overeenkomst waarin de afspraken worden vastgelegd en waarbij [eiseres] ook partij is.
- [gedaagde] heeft in het kader van deze werkzaamheden voor de waardebepaling van de aandelen per 1 januari 2019 valuator [I] van [onderneming 7] uit [plaats 3] aangedragen.
- Zodra [D] de stukken van [gedaagde] doorstuurt aan [eiseres] meldt [A] zich bij [gedaagde] met een verzoek om informatie en zijn vragen te beantwoorden.
- Het was voor [gedaagde] kenbaar dat [eiseres] op [gedaagde] vertrouwde voor informatie. [gedaagde] wist ook dat [eiseres] geen andere adviseur had.
- [gedaagde] heeft toegezegd om informatie te leveren aan de partijen bij de SHA 2019 die het aanging en de vragen van [eiseres] te beantwoorden.
- [gedaagde] wist of behoorde te weten dat de afspraken in de SHA 2019 verstrekkende gevolgen voor [eiseres] haar (rechts)positie binnen de onderneming kon hebben, zoals blijkt uit haar latere beantwoording van de vragen van [eiseres] op 7 februari 2020 en haar uitlatingen tegenover [eiseres] (in de persoon van [K] ) tijdens de bespreking van 2 juni 2020.
4.13.
Deze omstandigheden kunnen tot geen andere conclusie leiden dan dat het belang van [eiseres] zo nauw en kenbaar bij deze werkzaamheden van [gedaagde] was betrokken dat zij een buitencontractuele zorgplicht tegenover [eiseres] in acht moest nemen. [eiseres] mocht er onder deze omstandigheden namelijk op vertrouwen dat [gedaagde] rekening zou houden met haar belangen. Een tekortschieten in die zorgplicht kan dan ook onrechtmatig tegenover [eiseres] zijn. [9]
[gedaagde] kan geen beroep doen op het exoneratiebeding
4.14.
Volgens [gedaagde] moeten op grond van de toepasselijke voorwaarden (artikel 11 algemene Pro voorwaarden 2018 [gedaagde] ) klachten binnen 30 dagen na ontdekking worden gemeld. Dat heeft [eiseres] niet gedaan. Volgens [gedaagde] vervallen ook op grond van haar algemene voorwaarden (Artikel 12 algemene Pro voorwaarden [gedaagde] ) alle vorderingsrechten binnen één jaar nadat de opdrachtgever bekend was of redelijkerwijs bekend kon zijn. Ook daaraan is volgens [gedaagde] niet voldaan.
4.15.
De algemene voorwaarden van [gedaagde] zijn van toepassing op de samenstellingswerkzaamheden van [gedaagde] voor [eiseres] . Omdat [gedaagde] niet in het kader van de SHA 2019 een contractuele relatie met [eiseres] is aangegaan of deze op een andere wijze is ontstaan, zijn deze algemene voorwaarden niet van toepassing op de vordering die [eiseres] in deze procedure instelt. Deze vordering is namelijk niet gebaseerd op een contractuele relatie met [eiseres] , maar op schending van een buitencontractuele zorgplicht door [gedaagde] . Voor de werkzaamheden waar het om gaat is ook niet gefactureerd aan [eiseres] . Deze buitencontractuele relatie valt daarom niet onder het bereik van de algemene voorwaarden. Als [gedaagde] meende dat daarvoor ook de algemene voorwaarden van toepassing waren, omdat zij daarvoor wel een contractuele opdracht aanging, dan had zij daarvoor aan [eiseres] een separaat aanbod moeten doen in december 2019 toen zij inging op het informatie/adviesverzoek van [eiseres] . Dat heeft [gedaagde] niet gedaan.
[gedaagde] heeft onrechtmatig gehandeld door schending van haar zorgplicht
4.16.
Om vast te stellen of er sprake is van een onrechtmatige daad van [gedaagde] , zal beoordeeld moeten worden of [gedaagde] haar buitencontractuele zorgplicht heeft geschonden. Wat [eiseres] heeft aangevoerd is voldoende voor de conclusie dat [gedaagde] in dit geval anders had moeten handelen. Door dit na te laten is zij schadeplichtig tegenover [eiseres] . De rechtbank acht daarvoor de volgende feiten en omstandigheden van belang.
4.17.
Vast staat dat [gedaagde] op 11 december 2019 de SHA 2019 uitsluitend aan [D] en [C] heeft verstuurd. Dit valt [gedaagde] te verwijten. Weliswaar was [onderneming 2] opdrachtgever voor het opstellen van de overeenkomst, maar [eiseres] en [B] waren als aandeelhouders direct betrokken. Zij werden namelijk partij bij de overeenkomst en moesten de contracten ondertekenen. Het lag daarom voor de hand dat [gedaagde] de concept-documentatie rechtstreeks aan alle vier de aandeelhouders zou sturen en niet alleen aan [D] en [C] . Zo had zij de andere aandeelhouders zoals [eiseres] rechtstreeks inspraak over de contractsbepalingen en informatie kunnen geven. Dit is niet gebeurd.
4.18.
Uit de onderliggende stukken en wat ter zitting is besproken volgt ook dat [gedaagde] door haar handelen een grote tijdsdruk heeft gecreëerd, waaronder [eiseres] heeft moeten tekenen. Dat blijkt uit de volgende feiten en omstandigheden.
- Op 6 december 2019 vraagt [D] [A] of hij namens [eiseres] op 23 december 2019 bij de notaris kan tekenen.
- [A] vraag op 8 december 2019 of hij nog tekst en uitleg krijgt van [gedaagde] voordat hij gaat tekenen.
- Uit het e-mailbericht van 9 december 2019 dat [D] aan [eiseres] stuurt volgt dat [gedaagde] de stukken niet op 8 december 2019 gereed had.
- [gedaagde] wist al geruime tijd sinds 2018 dat er contracten voor de aandelenoverdracht moesten worden opgesteld. Dit heeft uiteindelijk anderhalf jaar geduurd tot december 2019. Ook wist [gedaagde] in 2018 dat [eiseres] en [B] mee moesten doen en zij wist ook dat de contracten voor 1 januari 2020 moesten worden getekend in verband met het fiscale voordeel voor [C] , zoals zij zelf had geadviseerd.
- [gedaagde] wist van de afspraak bij de notaris op 23 december 2019 voor het passeren van de aktes.
- [gedaagde] stuurt pas op 9 december 2019 de conceptovereenkomst naar [D] die het op 11 december 2019 weer aan [eiseres] stuurt.
- De druk op [eiseres] om te tekenen kwam vanuit de opdrachtgevers [C] en [D] . Zo heeft [C] op 17 december 2019 in een telefoongesprek bij [A] geverifieerd of hij wel de contracten ging tekenen. Op aangeven van [A] dat hij [gedaagde] vragen heeft gesteld en daarop eerst antwoord wilde voordat hij beslist, heeft [C] laten weten dat als [eiseres] niet tekent, hij alles af zou blazen. [gedaagde] was hiervan op de hoogte vóór het tekenen van de SHA 2019 door [eiseres] op 23 december 2019.
4.19.
[gedaagde] heeft desgevraagd geen verklaring kunnen geven waarom het zo lang heeft geduurd voordat de documentatie gereed was. [gedaagde] had kunnen voorzien dat door pas in de laatste weken de documentatie aan te leveren, slechts kort resteerde om alles rond te maken voor 1 januari 2020. Dit kan [gedaagde] aangerekend worden.
4.20.
De rechtbank rekent [gedaagde] ook aan dat zij de vragen van [eiseres] die [A] in een e-mail van 11 december 2019 aan [gedaagde] heeft gesteld naar aanleiding van de toegestuurde documentatie niet vóór het tekenmoment op 23 december 2019 bij de notaris heeft beantwoord, terwijl zij dit wel had toegezegd. De rechtbank heeft daarbij de volgende feiten en omstandigheden van belang geacht.
4.21.
Met het oog op de afspraak met de notaris op 23 december 2019 heeft [A] [gedaagde] gevraagd om zijn vragen voor 13 december 2019 te beantwoorden. [gedaagde] heeft vervolgens met [A] afgesproken op 19 december 2019 in een gesprek zijn vragen te beantwoorden en die antwoorden nog op schrift toe te sturen. Maar [gedaagde] heeft in dit gesprek niet de vragen van [A] beantwoord. Ook heeft [gedaagde] niet zoals zij had toegezegd na dit gesprek de vragen van [A] alsnog schriftelijk beantwoord voor het tekenen van de SHA 2019. [gedaagde] heeft alleen na het gesprek een vrij algemene concept e-mail voor [eiseres] opgesteld om te kunnen versturen naar [C] . Deze e-mail was bedoeld als gespreksopener naar [C] toe, terwijl [eiseres] dus kenbaar eerst meer informatie verlangde over de hem nog onbekende gevolgen van de afspraken in de SHA 2019.
4.22.
De rechtbank oordeelt dat [gedaagde] onder de gegeven omstandigheden niet met het opstellen van de concept-mail had kunnen volstaan. Uit de conceptmail van 20 december 2019 blijkt namelijk niet dat [eiseres] op de hoogte is van de voor haar nadelige bepalingen in het contract, zoals de earn-out van tien jaar in combinatie met de situatie dat de zeggenschapsverhouding deze jaren niet zou wijzigen en de bad leaver-regeling [eiseres] klem zou zetten. In de conceptmail wordt slechts aandacht gevraagd voor de achtergestelde leningen en het scenario dat [eiseres] komt te overlijden en de gevolgen daarvan voor zijn erfgenamen. [gedaagde] heeft desgevraagd niet duidelijk kunnen maken waarom de vragen van [A] niet in december 2019 zijn beantwoord. [gedaagde] heeft pas op 7 februari 2020 de vragen van [A] alsnog beantwoord. [gedaagde] kan dan ook worden verweten niet tijdig klare wijn te hebben geschonken. [gedaagde] heeft namelijk [eiseres] niet laten weten dat zij de vragen van [A] niet wilde of kon beantwoorden, waardoor [eiseres] niet elders meer informatie of advies kon inwinnen. [gedaagde] valt het daarom ook aan te rekenen dat zij [eiseres] niet heeft geadviseerd een andere adviseur te raadplegen.
4.23.
De conclusie is dat [gedaagde] haar zorgplicht tegenover [eiseres] heeft geschonden. [gedaagde] heeft namelijk als accountant-adviseur in strijd gehandeld met haar buitencontractuele zorgplicht door onvoldoende rekening te houden met de belangen van [eiseres] . Deze schending van haar buitencontractuele zorgplicht levert een onrechtmatige daad op van [gedaagde] tegenover [eiseres] . De rechtbank zal hierna beoordelen of en in welke mate [eiseres] hierdoor schade heeft geleden.
Causaal verband
4.24.
De volgende vraag die rijst, is of er een condicio sine qua non-verband bestaat tussen het onrechtmatig handelen van [gedaagde] en de door [eiseres] gestelde schade: dat zij wegens haar nadelige rechtspositie in de SHA 2019 in een aandeelhoudersgeschil terecht is gekomen, met als gevolg dat zij als aandeelhouder is uitgetreden op nadelige voorwaarden.
4.25.
De rechtbank acht het aannemelijk dat als [gedaagde] wel aan haar zorgplicht had voldaan en op 13 december of op 19 december 2019 antwoord op de vragen van [A] had gegeven, [A] namens [eiseres] anders had gehandeld. Met een redelijke mate van waarschijnlijkheid neemt de rechtbank daarom aan dat [A] in dat geval actie had ondernomen naar [C] toe en dat er een kans bestaat dat het latere aandeelhoudersgeschil op de wijze zoals zich heeft voorgedaan, was uitgebleven. Volgens de rechtbank vindt deze aanname steun in de volgende feiten en omstandigheden:
- [eiseres] heeft na ontvangst van de antwoorden van [gedaagde] op 7 februari 2020 zich direct gericht tot [gedaagde] en duidelijk gemaakt dat als zij eerder de antwoorden op de vragen had ontvangen, [eiseres] niet de SHA 2019 zou hebben getekend. Verder is dit onder meer door [A] met [gedaagde] uitgebreider besproken op 1 oktober 2020. [10] Ook heeft [eiseres] medio 2020 een nieuwe accountant in de arm genomen (drs. [L] van [onderneming 8] ) om haar hierin bij te staan.
- Uit de antwoorden van [gedaagde] in de mail van 7 februari 2020 blijkt ook van de nadelige gevolgen voor [eiseres] . Zo wijst [gedaagde] erop dat zolang de earn-out-regeling van tien jaar loopt, in combinatie met de omstandigheid dat de leningen van [onderneming 4] niet zijn afbetaald, [onderneming 2] zeggenschap behoudt. Ook geldt in het geval dat [eiseres] stopt de bad leaver-regeling. Dat betekent dat [eiseres] bij haar vertrek haar aandelen moet aanbieden tegen de intrinsieke waarde, verminderd met 50%. De andere aandeelhouders hoeven dan niet te kopen. Ook is in dat geval de achtergestelde lening niet opeisbaar.
- [K] van [gedaagde] heeft achteraf het contract zelf ook een ‘wurgcontract’ genoemd dat niet gunstig was voor [eiseres] , maar [gedaagde] heeft dit vooraf niet benoemd.
- [eiseres] treedt vervolgens in contact met haar compagnons om aanvullende afspraken te maken over haar situatie, waarin zij door de SHA 2019 in is beland te veranderen. [gedaagde] is betrokken. Dat leidt alsnog tot onderhandelingen in oktober 2020 tussen partijen.
- Op 12 oktober 2020 gaat [C] akkoord met een eenmalige aanvullende fee van € 100.000,- en met een eenmalige dividenduitkering in 2021 over 2020 gelijk aan 8% van het resultaat van 2020 zonder dat daar een verplichting toe bestond, maar vanuit de gedachte dat de nadelige gevolgen van de SHA 2019 hiermee deels weggenomen kunnen worden.
4.26.
Volgens de rechtbank volgt uit het voorgaande dat [eiseres] na het verkrijgen van de gevraagde antwoorden van [gedaagde] het er niet bij heeft laten zitten, maar zich de nadelige gevolgen voor [eiseres] realiseerde en meteen naar [gedaagde] toe heeft gereageerd en geprobeerd heeft de nadelige gevolgen van de SHA 2019 te verzachten. Dat ondersteunt dat als [eiseres] wel tijdig was geïnformeerd door [gedaagde] , [eiseres] dan met haar compagnons vóór het ondertekenen van de SHA 2019 nog in onderhandeling zou zijn getreden over haar (rechts)positie binnen de onderneming en andere afspraken zou hebben verlangd. Die kans is haar ontnomen.
4.27.
Dat partijen van mening verschillen over de vraag of [eiseres] wel echt onderhandelingsruimte had gehad als zij wel goed was geïnformeerd door [gedaagde] doet niet af aan het bestaan van een causaal verband tussen haar fout (schending van haar buitencontractuele zorgplicht) en het verlies van de kans op een beter onderhandelingsresultaat voor [eiseres] (in die hypothetische situatie dat [gedaagde] haar zorgplicht was nagekomen). Daar zal de rechtbank hierna bij het vaststellen van de schade nader bij stilstaan.
De schade: het verlies van een kans
Toetsingskader
4.28.
Bij het vaststellen van welke schade vergoed moet worden, moet in beginsel worden vooropgesteld dat de benadeelde zoveel als mogelijk in de toestand wordt gebracht waarin hij zou verkeren indien het schadeveroorzakende feit achterwege was gebleven.
4.29.
De rechtbank moet voor het vaststellen van de door [eiseres] geleden schade de huidige feitelijke situatie vergelijken met de situatie zoals die was geweest als [gedaagde] haar zorgplicht had nageleefd (hierna ook: de hypothetische situatie). De stelplicht en bewijslast van het bestaan en de omvang van de schade rusten op grond van de hoofdregel van bewijslastverdeling op [eiseres] . Omdat [gedaagde] aan [eiseres] de mogelijkheid heeft ontnomen zekerheid te krijgen over haar positie als de hypothetische situatie zich had voorgedaan, geldt echter dat er geen strenge eisen mogen worden gesteld aan de stellingen van [eiseres] over de hypothetische situatie. [11]
4.30.
De rechtbank kan niet concreet vaststellen hoe de situatie zou zijn geweest als [gedaagde] [eiseres] wel goed had geïnformeerd en de vragen van [eiseres] tijdig had beantwoord. [eiseres] zou dan in onderhandeling zijn getreden, maar het kan niet met zekerheid worden vastgesteld wat het resultaat daaruit zou zijn geweest en in hoeverre daarmee het later opgetreden aandeelhoudersgeschil was voorkomen. Dat betekent dat een inschatting moet worden gemaakt van de goede en kwade kansen die [eiseres] zou hebben gehad op een beter resultaat als [gedaagde] haar buitencontractuele zorgplicht niet had geschonden.
4.31.
Het leerstuk van de kansschade is een instrument voor de vaststelling van de schade in een geval waarin onzekerheid bestaat over de vraag of en in hoeverre de fout tot schade heeft geleid en waarin die onzekerheid haar grond vindt in de omstandigheid dat niet kan worden vastgesteld of en in hoeverre in de hypothetische situatie dat de fout achterwege zou zijn gebleven, de kans op succes zich in werkelijkheid zou hebben gerealiseerd.
Het moet dan wel gaan om een reële, dat wil zeggen niet een zeer kleine, kans op succes. [12] Uit het arrest van de Hoge Raad van 26 maart 2021 (
ISG/De bank) volgt dat het leerstuk van kansschade ook kan worden toegepast als het van het gedrag van de benadeelde partij afhankelijk is of de kans op een beter resultaat zich zou hebben verwezenlijkt. [13]
Inschatting van de goede en kwade kansen
4.32.
Bij de inschatting van wat de situatie zou zijn geweest als [gedaagde] haar zorgplicht niet had geschonden, kan maar een beperkte mate van zekerheid worden bereikt, omdat het gaat om een inschatting van een hypothetische situatie. De rechtbank neemt als uitgangspunt dat [gedaagde] door schending van haar zorgplicht de mogelijkheid van onderhandelen door [eiseres] negatief heeft beïnvloed. Daardoor heeft [eiseres] een kans verloren op het voorkomen van het latere aandeelhoudersgeschil over de SHA 2019 met haar compagnon, waardoor zij is uitgetreden.
4.33.
De rechtbank neemt als uitgangspunt dat [C] [eiseres] niet direct tegemoet zou zijn gekomen in zijn bezwaren tegen de voor [eiseres] ongunstige bepalingen in de SHA 2019 op het moment dat [eiseres] daarover in onderhandeling wenste te treden zonder de fout van [gedaagde] . [C] heeft namelijk [A] op 17 december 2019 gebeld over het tekenen van de SHA 2019 en boos gereageerd toen [A] aangaf dat hij antwoorden op zijn vragen wilde. [C] heeft daarbij ook duidelijk gemaakt dat als [eiseres] niet zou tekenen, hij alles af zou blazen.
4.34.
Maar de rechtbank acht het, anders dan [gedaagde] heeft aangevoerd, zeer goed mogelijk dat de uitkomst voor [eiseres] anders was geweest dan de feitelijke uitkomst, omdat [C] onverplicht [eiseres] alsnog tegemoet is gekomen ná ondertekening van de SHA 2019 toen [gedaagde] de vragen van [eiseres] had beantwoord. [C] is immers onverplicht in oktober 2020 akkoord gegaan met de eenmalige aanvullende fee van € 100.000,- en met een eenmalige dividenduitkering in 2021 over 2020 gelijk aan 8% van het resultaat van 2020, te betalen in maandelijkse voorschottermijnen. Dat [C] een echte ondernemer is die zijn rechten kent en een goede onderhandelaar is, betekent dus niet dat [C] [eiseres] geen enkele onderhandelingsruimte in december 2020 zou hebben geboden vóór ondertekening van de SHA 2019, aangezien [C] dat ná ondertekening alsnog deed.
4.35.
De boosheid van [C] en de omstandigheid dat [C] onbuigzaam oogde in zijn presentatie betekent voor de rechtbank dus niet dat [C] op geen enkele wijze zou buigen voor de bezwaren van [eiseres] . Volgens de rechtbank had de uitkomst daarom zeer goed anders kunnen zijn dan deze nu is. [C] had er namelijk belang bij dat [A] aan boord zou blijven. [C] zag in december 2019 [A] nog als zijn opvolger in het bedrijf. Ook tijdens de procedure bij de Ondernemingskamer heeft [C] duidelijk gemaakt [A] als opvolger te willen behouden voor het bedrijf, die er al sinds 1995 werkte en de samenwerkingspartners en stakeholders goed kende. [14] Daarnaast heeft [C] in het kader van de VSO [eiseres] meer betaald dan hij strikt genomen op grond van SHA 2019 op grond van de bad leaver-bepaling verschuldigd was, ondanks de eenmalige aanvullende fee en dividenduitkering die al in 2020 was afgesproken met het oog op opheffing van nadeel door de SHA 2019. Ook dat bevestigt dus dat de SHA 2019 geen recht deed aan de samenwerkingsrelatie die tussen partijen bestond.
4.36.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat het in de hypothetische situatie tussen [eiseres] en [C] in 2019 tot een onderhandeling was gekomen over de voorwaarden van de aandelenoverdracht met een mogelijk beter resultaat voor [eiseres] met meer draagvlak. Het latere aandeelhoudersgeschil zoals zich heeft voorgedaan zou dan mogelijk zijn voorkomen. De rechtbank neemt namelijk aan dat in deze hypothetische situatie [eiseres] tevreden(er) was geweest met het resultaat en dat [A] dan bij de onderneming zou zijn aangebleven. [eiseres] was dan niet een procedure bij de Ondernemingskamer gestart met de VSO en zijn uittreden tot gevolg, inclusief de gemaakte adviseurs- en advocatenkosten.
4.37.
De rechtbank is al met al op basis van de hiervoor weergegeven goede en kwade kansen van oordeel dat de kans dat in de hypothetische situatie een beter onderhandelingsresultaat was bereikt en [eiseres] niet als aandeelhouder zou zijn uitgetreden, dient te worden geschat op 50%. Dat is een reële gemiste kans.
4.38.
Dat betekent dat 50% van de schade als gevolg van het uitblijven van die kans voor rekening van [gedaagde] komt. Onjuist is het standpunt dat deze schade in redelijkheid niet aan [gedaagde] toerekenbaar zou zijn. Het gaat om schade die voortvloeit uit (een) zorgplichtschending die redelijkerwijs voorzienbaar was. Bovendien geldt dat de aard van de geschonden norm(en) en de mate van onzorgvuldigheid van het handelen van [gedaagde] tegenover [eiseres] de toerekening van deze schade rechtvaardigen.
Schadebegroting
Hypothetisch onderhandelingsresultaat in 2019
4.39.
Tussen partijen is niet in geschil dat de waarde van de aandelen van [eiseres] € 3.653.084,25 (37,5% x € 9.741.558,-) was ten tijde van de VSO en dat aan [eiseres] € 2.700.000,- voor haar aandelen is betaald. [eiseres] stelt dat het verschil van € 953.084,25 haar volledige schade is. De rechtbank volgt [eiseres] hierin niet, omdat de waarde van de earn-out van vijf jaar hierin is verdisconteerd. Dat blijkt ook uit de VSO waar [eiseres] voor de restende vijf jaar € 505.000,- heeft betaald. De waarde van de earn-out van € 505.000,- moet buiten deze schadeberekening worden gelaten. [eiseres] had namelijk links- of rechtsom voor de door haar gekochte aandelen moeten betalen, ook als de fout er niet was geweest. Niet is komen vast te staan dat [eiseres] een afspraak met [C] heeft gemaakt voor een earn-out van vijf jaar in plaats van tien jaar en dat [gedaagde] daarvan wist. Bovendien, in het geval dat er een earn-out van vijf jaar was afgesproken waar [eiseres] eerder van uit is gegaan, dan had [eiseres] het gehele bedrag in vijf jaar in plaats van tien jaar moeten betalen. De fout van [gedaagde] heeft niets te maken met de overeengekomen duur van de earn-out en welk bedrag werd betaald vanuit de achtergestelde lening. Dat in de VSO alsnog een earn-out over tien jaar is afgerekend ten nadele van [eiseres] bevestigt juist dat de beoogde afspraak over de earn-out altijd tien jaar is geweest.
4.40.
Daarnaast strekt nog € 100.000,- in mindering op het door [eiseres] berekende schadebedrag. [C] wilde € 200.000,- aan langdurige medewerkers in het buitenland betalen en volgens hem was [eiseres] bij die afspraak betrokken. [A] heeft ter zitting gezegd dat [C] wilde dat [eiseres] in de helft van deze kosten zou bijdragen en dat [A] ondanks dat hij het daarmee oneens was, daar wel mee heeft ingestemd in de VSO. Ook dat staat niet in enig verband met de fout van [gedaagde] . Rekening houdend met deze bedragen resteert een bedrag van (€ 953.084,25 minus € 505.000,- minus € 100.000 =) € 348.084,25 aan schade doordat [eiseres] in de VSO een lager bedrag voor de aandelen heeft gekregen dan waarop deze aandelen zijn gewaardeerd. Zoals overwogen is de kans 50% dat [eiseres] deze schade niet had geleden als zij niet in die situatie was beland, dus (€ 348.084,25 minus 50% =) € 174.042,13.
Adviseurs- en advocatenkosten4.41. [gedaagde] heeft de hoogte van het door [eiseres] gevorderde bedrag van € 161.391,55 voor advies- en advocatenkosten niet betwist. De rechtbank betrekt dit bedrag bij de te berekenen schadevergoeding omdat [eiseres] deze kosten niet zou hebben gemaakt als [gedaagde] haar zorgplicht niet had geschonden. In die hypothetische situatie had [eiseres] opnieuw onderhandeld en had het latere aandeelhoudersgeschil zoals nu ontstaan, zich niet op dezelfde wijze voorgedaan. [eiseres] zou in dat geval geen andere accountant hebben hoeven inschakelen en geen advies- en advocatenkosten hebben hoeven maken vanwege de SHA 2019, omdat de procedure bij Ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam dan niet zou hebben plaatsgevonden.
4.42.
Zoals overwogen is de kans 50% dat [eiseres] deze schade niet had geleden als zij niet in die situatie was beland, dus (€ 161.391,55 minus 50% =) € 80.695,78.
De totale schade is € 254.737,91
4.43.
Voor de 50% kans die voor [eiseres] verloren is gegaan op een beter resultaat is de totale schade (€ 174.042,13 + € 80.695,78 =) € 254.737,91.
Eigen schuld: 25% van de schade blijft voor rekening van [eiseres]
4.44.
Wat betreft het beroep van [gedaagde] op eigen schuld van [eiseres] zal de rechtbank beoordelen in hoeverre de door het handelen van [gedaagde] veroorzaakte schade voor rekening van [eiseres] moet blijven, omdat sprake is van eigen schuld. [15]
4.45.
[gedaagde] heeft erop gewezen dat [A] (via [eiseres] ) zelfstandig is gaan ondernemen met zijn compagnons. Er zijn tussen de compagnons op diverse momenten afspraken gemaakt. [A] had volgens [gedaagde] een groot aandelenpakket en een managementvergoeding. [gedaagde] stelt dat [A] als ondernemer eigen schuld treft van de voor hem minder gunstige regeling in het contract, omdat hij zelf onvoldoende actie heeft ondernomen voorafgaand aan het ondertekenen van de SHA 2019, terwijl hij zelf bestuurder en aandeelhouder was en actief betrokken binnen de onderneming.
4.46.
Naar het oordeel van de rechtbank valt het [eiseres] inderdaad te verwijten dat zij blind de SHA 2019 heeft getekend, terwijl zij van [gedaagde] (nog) geen antwoorden had gekregen op de vragen van [A] . Ook het feit dat [A] in december 2019 niet (nader) in gesprek is gegaan met [C] onder de omstandigheden waarin [gedaagde] de fout maakte, kan hem worden verweten. [A] had zelf bij zijn medecompagnons kunnen aankaarten dat een vijf jaar earn-out was afgesproken en dat een tien jaar earn-out voor hem niet acceptabel was, zoals hij zelf heeft aangevoerd op zitting. Ter zitting heeft [A] bovendien aangegeven een directe confrontatie met [C] lastig te vinden en dat hij liever met een advies van [gedaagde] in de hand de confrontatie met [C] was aangegaan. [A] heeft om die reden niet het e-mailbericht verstuurd die [gedaagde] eind december 2019 voor hem had opgesteld. [A] heeft hiervan ook afgezien, omdat [B] niet mee wilde doen met die confrontatie om met [C] in gesprek te gaan. Naar het oordeel van de rechtbank had [A] (en dus [eiseres] ) zich niet hierdoor moeten laten weerhouden. Had [A] de e-mail verstuurd aan [C] dan was er mogelijk wel enig gesprek met [C] geweest en was de schade voor [eiseres] mogelijk deels afgewend. [A] heeft er zelf voor gekozen het bericht helemaal niet te versturen. Van een ondernemer mag ook verwacht worden zelf proactief in contact te treden met medeaandeelhouders en te onderhandelen. [A] ( [eiseres] ) kan zich dus niet volledig verschuilen achter de fout van [gedaagde] .
4.47.
Het had dan ook op de weg van [eiseres] gelegen om [C] zelf aan te spreken. [eiseres] had daarvoor niet enkel moeten wachten op [gedaagde] , maar had zelf ook maatregelen kunnen treffen, zoals een andere adviseur inschakelen om zich te informeren over de gevolgen van de SHA 2019. De rechtbank is van oordeel dat dit nalaten van [eiseres] voor rekening van [eiseres] dient te worden gebracht. De rechtbank zal gelet op het voorgaande – en met in achtneming van de mate waarin [gedaagde] het intreden van de schade kan worden aangerekend – 25% deel van de toe te wijzen schade voor rekening van [eiseres] laten.
Conclusie: het door [gedaagde] te vergoeden bedrag is € 191.053,43
4.48.
De rechtbank is van oordeel dat een bedrag van (€ 254.737,91 minus 25%)
€ 191.053,43 toewijsbaar is aan schade.
Geen verklaring voor recht
4.49.
Aangezien de door [eiseres] gevorderde schade door de rechtbank in het voorgaande reeds is begroot valt – zonder nadere onderbouwing die niet is gegeven – niet in te zien welk belang [eiseres] nog heeft bij de door haar gevorderde verklaringen voor recht. De rechtbank zal deze vorderingen daarom afwijzen.
Wettelijke rente
4.50.
De gevorderde wettelijke rente zal in het dictum (hoofdstuk 5) worden toegewezen vanaf 21 februari 2024. Dit is de datum waarop de aandelen op grond van de VSO door [eiseres] zijn overgedragen en hij de schade lijdt. [16] Hoewel bepaalde schadeposten mogelijk eerder zijn geleden, heeft [eiseres] niet inzichtelijk gemaakt tegen welke data dit is geweest.
[gedaagde] moet de buitengerechtelijke kosten van [eiseres] vergoeden
4.51.
[eiseres] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De hoofdvordering valt niet onder het toepassingsbereik van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De rechtbank zal daarom de gevorderde vergoeding toetsen aan de oriëntatiepunten voor de beoordeling van dergelijke vorderingen uit het Rapport BGK-integraal, maar met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn. Daarom zal een bedrag van € 2.685,53 worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen.
[gedaagde] moet de proceskosten van [eiseres] betalen
4.52.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
122,35
- griffierecht
10.188,-
- salaris advocaat
4.102,-
(2 punten × € 2.051,-)
- nakosten
189,-
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
14.601,35
4.53.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van een schadevergoeding van € 191.053,43, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 21 februari 2024 tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 2.685,53 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 14.601,35, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,- plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Hurenkamp, mr. J.K.J. van den Boom en mr. A.L. Poort-Gleusteen en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.

Voetnoten

1.Productie 5 bij de dagvaarding.
2.Zie e-mail van [A] aan [L] van 20 oktober 2020, productie 21 bij de dagvaarding.
3.Zie o.a. HR 9 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1603, rov. 3.3.2.
4.Zie o.a. HR 19 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:271, rov. 3.3.9.
5.Productie 23 bij de dagvaarding.
6.Artikel 6:162 BW Pro.
7.HR 29 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:149, rov 3.2.1.
8.Vgl. HR 24 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9069 ( [achternaam] /Alog), ro 3.4; HR 20 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT7496, ro 3.4.2; HR 14 juli 2017, HR:2017:1355 ro 3.3.2.
9.Zie HR 22 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2444, ro 3.7.5.
10.Productie 21 bij de dagvaarding.
11.HR 26 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1388 (Spelersmakelaar) en HR 16 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:53.
12.HR 21 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX7491 (Belastingadviseur) en HR 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1223 (Srebrenica).
13.HR 26 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:461, NJ 2021/127.
14.Punt 5.3 van het verweerschrift in de procedure bij de Ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam, productie 32 bij de dagvaarding.
15.Artikel 6:101 BW Pro.
16.Productie 35 bij de dagvaarding.