Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel in het principale beroep
4.Beoordeling van het middel in het incidentele beroep
5.Beslissing
16 januari 2026.
Hoge Raad
De zaak betreft een vordering van een cliënt tegen zijn voormalig advocaat wegens het niet tijdig aanbrengen van een dagvaarding in hoger beroep in een verzekeringsprocedure, waardoor het vonnis onherroepelijk werd. De cliënt vordert schadevergoeding wegens deze beroepsfout.
De rechtbank wees de vordering af, maar het hof verklaarde de advocaat toerekenbaar tekortgeschoten en veroordeelde hem tot betaling van een deel van de schade, waarbij het de rest van de schade verwees naar een schadestaatprocedure. Het hof paste de kansschadeleer toe en schatte de kans dat het hoger beroep succesvol zou zijn geweest op 25% voor de primaire grondslag en 15% voor de subsidiaire grondslag.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof het bewijsaanbod van de cliënt, dat mede zag op bewijslevering in de hypothetische appelprocedure, niet voldoende heeft betrokken in zijn oordeel. Ook heeft het hof ten onrechte niet onderzocht of de subsidiaire grondslag van de vordering van een van de verzekeraars toewijsbaar was. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en verwijst de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch voor verdere behandeling en beslissing.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest hof en verwijst zaak terug voor nadere beoordeling van schade en bewijslevering.