Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
[eiseres 1] B.V., uit [plaats 1] , eiseres 1,
[eiseres 2] B.V., uit [plaats 1] , eiseres 2,
Rechtbank Midden-Nederland
Eiseressen, eigenares en gebruiker van een saunacomplex, maakten bezwaar tegen de WOZ-waarden voor de belastingjaren 2020 tot en met 2023, stellende dat de waarden met minimaal 30% moesten worden verminderd. De heffingsambtenaar handhaafde de vastgestelde waarden, gebaseerd op de gecorrigeerde vervangingswaarde, en verklaarde de bezwaren over 2020 niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding.
De rechtbank oordeelde dat de bezwaren over 2020 terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard omdat geen verschoonbare termijnoverschrijding was aangetoond. Voor de jaren 2021 tot en met 2023 achtte de rechtbank de door de heffingsambtenaar overgelegde taxatiematrices en onderbouwing voldoende aannemelijk dat de WOZ-waarden niet te hoog waren vastgesteld. Nieuwe gronden die pas op zitting werden aangevoerd, werden buiten beschouwing gelaten wegens strijd met de goede procesorde.
Verder werd het verzoek om immateriële schadevergoeding toegewezen omdat de bezwaar- en beroepsfase samen ruim de redelijke termijn van twee jaar overschreden. De schadevergoeding werd berekend op basis van het oude wettelijke tarief en verdeeld tussen de heffingsambtenaar en de Staat. Ook werd een proceskostenvergoeding toegekend met toepassing van een vermenigvuldigingsfactor van 0,1 conform artikel 30a van de Wet WOZ.
De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond, veroordeelde de heffingsambtenaar en de Staat tot betaling van schadevergoedingen en proceskosten aan eiseressen, en wees erop dat uitbetalingen alleen op een bankrekening op naam van eiseressen mogen plaatsvinden.
Uitkomst: De beroepen tegen de WOZ-waardering worden ongegrond verklaard, maar immateriële schadevergoeding en proceskostenvergoeding worden toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn.