Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1785

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
17 april 2026
Publicatiedatum
22 april 2026
Zaaknummer
UTR 25/5408
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 44 WAOArt. 57 WAOArt. 2a Regeling samenloop arbeidsongeschiktheidsuitkering met inkomenArt. 120 Grondwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling terugvordering WAO-uitkering wegens inkomsten zelfstandige

Eiseres ontvangt sinds 1996 een WAO-uitkering en heeft sinds 2016 inkomsten als zelfstandige. Het UWV stelde vast dat haar inkomsten in 2023 te hoog waren om de WAO-uitkering voort te zetten en besloot de uitkering stop te zetten en het teveel ontvangen bedrag terug te vorderen.

Eiseres betwistte de berekeningsgrondslag van het UWV, die uitgaat van de fiscale winst vermeerderd met ondernemersaftrek en MKB-winstvrijstelling, en stelde dat dit leidt tot ongelijke behandeling ten opzichte van werknemers in loondienst. De rechtbank oordeelde dat de wettelijke regeling en vaste jurisprudentie deze berekeningswijze voorschrijven en dat de situatie van een zelfstandige niet vergelijkbaar is met die van een werknemer.

Verder stelde eiseres dat de terugvordering disproportioneel is vanwege haar medische situatie en financiële gevolgen. De rechtbank vond dat eiseres onvoldoende medische onderbouwing leverde om van terugvordering af te zien en dat het belang van rechtmatige besteding van gemeenschapsgeld zwaarder weegt. Een betalingsregeling is getroffen, waardoor de terugvordering niet onevenredig is.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde dat eiseres het bedrag van €6.347,52 moet terugbetalen. Zij krijgt geen proceskostenvergoeding of griffierecht terug. De uitspraak is gedaan door rechter Rijlaarsdam op 17 april 2026.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en zij moet het teveel ontvangen voorschot van de WAO-uitkering terugbetalen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/5408

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 april 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: J. Oudshoorn),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(het Uwv), verweerder
(gemachtigde: mr. B.E. de Leng).

Inleiding

Eiseres ontvangt vanaf 1996 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO-uitkering). Daarnaast ontvangst eiseres sinds september 2016 inkomsten als [functie] .
Het Uwv betaalt de WAO-uitkering aan eiseres als voorschot. Het Uwv beoordeelt
achteraf of de inkomsten die eiseres als [functie] ontving over een kalenderjaar
moeten leiden tot het wijzigen van de uitbetaling van de WAO-uitkering. Met het besluit van 20 januari 2025 (het primaire besluit 1) heeft het Uwv vastgesteld dat de WAO-uitkering van eiseres over de periode van 1 januari 2023 tot en met 31 december 2023 niet wordt uitbetaald vanwege de hoogte van haar inkomsten als [functie] van € 40.094,-. Met het besluit van 21 januari 2025 (het primaire besluit 2) heeft het Uwv daarom beslist dat eiseres een bedrag van € 6.347,52 bruto aan teveel ontvangen WAO-uitkering moet terugbetalen.
Eiseres heeft tegen het primaire besluit 1 bezwaar ingediend. Het Uwv heeft dit bezwaar ook mede gericht geacht tegen het primaire besluit 2. Met het bestreden besluit van 7 augustus 2025 heeft het Uwv het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 11 maart 2026 op zitting behandeld. Eiseres was daarbij aanwezig samen met haar gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Het toetsingskader

1. Uit artikel 44, eerste lid, onder a, van de WAO volgt dat de WAO-uitkering niet wordt uitbetaald als de inkomsten zodanig zijn dat niet langer sprake zou zijn van een arbeidsongeschiktheid van ten minste 15%.
2. Op grond het achtste lid van dit artikel wordt bij ministeriële regeling bepaald wat onder inkomen en loon als bedoeld in dit artikel wordt verstaan. Op grond van artikel 2a, aanhef en onder e, van de Regeling samenloop arbeidsongeschiktheidsuitkering met inkomen (de Regeling) wordt onder inkomen als bedoeld in artikel 44, eerste lid, van de WAO begrepen de belastbare winst uit onderneming vermeerderd met de ondernemersaftrek en MKB-winstvrijstelling.
3. Uit artikel 57 van Pro de WAO volgt dat de uitkering die onverschuldigd is betaald, door het Uwv wordt teruggevorderd. Op grond van het zesde lid kan het Uwv alleen besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

Het geschil

4. De rechtbank moet beoordelen of het Uwv over het jaar 2023 terecht heeft vastgesteld dat de WAO-uitkering van eiseres niet kan worden uitbetaald als gevolg waarvan het voorschot moet worden terugbetaald.
5. Het Uwv stelt zich op het standpunt dat voor het berekenen van de inkomsten van eiseres de fiscale winst uit onderneming, vermeerderd met de MKB-winstvrijstelling en de ondernemersaftrek, bepalend is. Aan de hand hiervan heeft het Uwv berekend wat het verlies aan verdiencapaciteit over 2023 is geweest en daarmee de arbeidsongeschiktheid in dat jaar. Het op grond van artikel 44, eerste lid, onder a, van de WAO berekende arbeidsongeschiktheidspercentage op basis van het inkomen wordt ook wel ‘fictief’ arbeidsongeschiktheidspercentage genoemd. Er wordt een vergelijking gemaakt tussen wat eiseres voor haar arbeidsongeschiktheid verdiende en wat zij in 2023 heeft verdiend. Volgens het Uwv volgt in het geval van eiseres uit die vergelijking een loonverlies van 6,56% en dus minder dan 15%. Dit betekent volgens het Uwv dat aan eiseres over 2023 geen WAO-uitkering kan worden betaald en zij moet dus het ontvangen voorschot terugbetalen.
6. Eiseres is het hier niet mee eens en stelt dat het Uwv ten onrechte uitgaat van de fiscale winst uit onderneming vermeerderd met de MKB-winstvrijstelling en de ondernemersaftrek. Volgens eiseres moet worden uitgegaan van de belastbare winst uit onderneming exclusief de ondernemersaftrek en MKB-vrijstelling die volgens de opgave aan de Belastingdienst € 30.155,- bedroeg. Doordat het Uwv bij de vergelijking een te hoge inkomensgrondslag heeft gebruikt, wordt eiseres ongelijk behandeld ten opzichte van werknemers in loondienst bij wie wordt uitgegaan van het belastbaar loon. In dit verband beroept eiseres zich op het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Daarnaast stelt eiseres dat de terugvordering disproportioneel is. Verder heeft eiseres op de zitting aangegeven dat de beroepsgronden die zien op de foutieve wetsverwijzing niet meer besproken hoeven te worden.

De beoordeling door de rechtbank

De berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage door het Uwv
7. De rechtbank stelt vast dat uit de onder 1 en 2 genoemde wettelijke bepalingen, en ook uit vaste rechtspraak [1] , volgt dat voor het berekenen van het inkomen van een betrokkene de belastbare winst uit onderneming tot uitgangspunt wordt genomen, vermeerderd met de ondernemersaftrek en de MKB-winstvrijstelling zoals die is toegepast in het betreffende belastingjaar.
8. Het Uwv is bij de berekening van de inkomsten van eiseres als [functie] uitgegaan van het fiscaal rapport aangifte inkomstenbelasting over het belastingjaar 2023 dat eiseres bij de Belastingdienst heeft ingediend. Hieruit volgt dat de belastbare winst uit onderneming € 30.155,- bedroeg. De ondernemersaftrek was € 5.030,- en de MKB-winstvrijstelling was € 4.909,-. Deze bedragen, in totaal € 40.094,-, zijn tussen partijen niet in geschil. Het Uwv heeft naar het oordeel van de rechtbank dus een juiste toepassing gegeven aan de betreffende wettelijke bepalingen. De wetgever heeft het Uwv verder geen ruimte gelaten om van een andere inkomensgrondslag uit te gaan. De beroepsgrond van eiseres slaagt dus niet.
Het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel
9. Eiseres stelt dat het Uwv haar ongelijk heeft behandeld ten opzichte van werknemers in loondienst bij wie wordt uitgegaan van een belastbaar loon. Dit druist volgens eiseres in tegen zowel het gelijkheidsbeginsel als het evenredigheidsbeginsel. Eiseres verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 februari 2022 [2] waarin wordt benadrukt dat bestuursorganen maatwerk en een evenwichtige belangenafweging moeten toepassen. Het Uwv heeft dit volgens eiseres nagelaten. Op de zitting heeft eiseres verder toegelicht dat iemand die in loondienst werkt, wordt bevoordeeld ten opzichte van iemand die als [functie] werkt. In beide gevallen is er sprake van inkomen uit arbeid, maar bestaat er volgens eiseres toch een verschil omdat er een andere inkomensgrondslag wordt gehanteerd. Dat kan volgens eiseres niet de bedoeling van de wetgever zijn geweest, namelijk te bevorderen dat iemand, ondanks de arbeidsongeschiktheid, nog enig inkomen kan verdienen. Door nu uit te gaan van een hogere inkomensgrondslag worden alle investeringen in de eigen onderneming van eiseres teniet gedaan, aldus eiseres.
10. De rechtbank begrijpt dat eiseres met haar beroepsgrond enerzijds stelt dat sprake is van een ongeoorloofde ongelijke behandeling en dat zij anderzijds stelt dat het bestreden besluit onevenredige gevolgen voor haar meebrengt. De rechtbank stelt voorop dat de rechter niet mag treden in de belangenafweging die de wetgever heeft verricht. De rechtbank mag artikel 44 van Pro de WAO niet toetsen aan algemene rechtsbeginselen. [3] Er kan reden zijn om in een individueel geval toch van de regels af te wijken als sprake is van zeer bijzondere omstandigheden die de wetgever niet had kunnen voorzien. Deze bijzondere omstandigheden kunnen alleen bij hoge uitzondering worden aangenomen. Er is dan sprake van onevenredige gevolgen die het besluit met zich mee brengen.
11. Van strijd met het gelijkheidsbeginsel is alleen sprake als vergelijkbare situaties ongelijk worden behandeld zonder dat hiervoor een objectieve rechtvaardigingsgrond bestaat. Of sprake is van vergelijkbare situaties moet met name worden beoordeeld tegen de achtergrond van het doel van de regeling waarbij het betrokken onderscheid wordt ingevoerd. De WAO is bedoeld om het als gevolg van ziekte of gebrek ontstane verlies aan verdiencapaciteit te vergoeden door middel van een loondervingsuitkering. De rechtbank overweegt dat de belastbare winst uit onderneming bij zelfstandigen geen zuivere afspiegeling is van de feitelijke verdiencapaciteit vanwege de fiscale faciliteiten, zoals de ondernemersaftrek en de MKB-winstvrijstelling. Deze fiscale faciliteiten verlagen immers de belastbare winst zonder dat dit iets zegt over de werkelijke arbeidsprestatie. Het belastbaar loon van werknemers wordt niet op vergelijkbare wijze door fiscale faciliteiten beïnvloed waardoor het belastbaar loon in beginsel wel een goede afspiegeling van de verdiencapaciteit vormt. In artikel 2a, eerste lid, onder c en e, van de Regeling wordt dit onderscheid bevestigd. Hiermee wordt naar het oordeel van de rechtbank aangesloten bij de systematiek van artikel 44 van Pro de WAO, waarbij een vergelijking met de feitelijke verdiencapaciteit centraal staat. Voor de toepassing van artikel 44 van Pro de WAO is de situatie van eiseres als [functie] dus niet vergelijkbaar met de situatie van een werknemer. Er is dus naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen.
12. In wat eiseres verder heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen bijzondere omstandigheden die maken dat er sprake is van onevenredige gevolgen. Hoewel de rechtbank begrijpt dat eiseres de uitwerking van de toepasselijke wettelijke bepalingen in haar geval als onrechtvaardig ervaart, kan dat er niet toe leiden dat het Uwv in strijd met die bepalingen een andere berekening zou moeten toepassen. De door eiseres aangevoerde omstandigheden, zowel afzonderlijk als in samenhang bezien, zijn naar het oordeel van de rechtbank niet zo bijzonder dat er van het wettelijk systeem afgeweken moet worden. De beroepsgrond slaagt niet.
13. Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het Uwv op een juiste manier heeft berekend dat eiseres op basis van haar inkomsten als [functie] in 2023 als 6,56% arbeidsongeschikt wordt aangemerkt. Daardoor komt haar WAO-uitkering over de periode 1 januari 2023 tot en met 31 december 2023 niet tot uitbetaling en heeft zij ten onrechte een voorschot ontvangen. Dat moet eiseres terugbetalen.
De terugvordering
14. Eiseres stelt dat de terugvordering onevenredig is, omdat de financiële en persoonlijke gevolgen van de terugvordering zodanig zwaar zijn dat dit haar vermogen om als [functie] met een arbeidshandicap te functioneren, ernstig belemmert. Dit wordt volgens eiseres verder versterkt door haar medische omstandigheden die ertoe leiden dat zij minder uren kan werken en hogere zorg- en herstelkosten heeft. Op de zitting heeft eiseres toegelicht dat zij halverwege 2024 steeds meer last kreeg van haar chronische (vermoeidheids)klachten waardoor haar inkomen is teruggevallen en de financiële situatie zwaarder wordt. Hierdoor pakt de terugvordering volgens eiseres voor haar aanzienlijk zwaarder uit dan in een reguliere situatie. Daarbij komt dat eiseres door het Uwv zelf is aangespoord om een eenmanszaak te starten als vorm van re-integratie. Eiseres vindt het onredelijk dat het Uwv de nadelen tegen haar gebruikt. Eiseres verwijst in dit verband naar twee uitspraken van de CRvB. [4]
15. Gezien de recente jurisprudentie moet de dringende reden ruim worden uitgelegd. [5] Het begrip moet worden gezien als een open norm. Daarbinnen moet het Uwv, tegenover het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald, de relevante feiten en omstandigheden zodanig afwegen dat die afweging een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zal kunnen doorstaan. Daarbij moet niet alleen rekening worden gehouden met de gevolgen van de terugvordering, maar ook met de oorzaak daarvan.
16. De rechtbank is van oordeel dat het Uwv in dit geval bij afweging van de betrokken belangen geen aanleiding heeft hoeven te zien om op grond van dringende redenen geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Eiseres heeft niet met medische stukken onderbouwd waarom de terugvordering vanwege haar medische situatie onevenredige gevolgen voor haar heeft. Dat eiseres medische problemen heeft is duidelijk, maar zij heeft niet onderbouwd dat de medische problemen zijn veroorzaakt of verergerd door de terugvordering. Het op de zitting aangevoerde standpunt van eiseres dat het de verantwoordelijkheid van het Uwv is om bij eiseres die informatie op te vragen, volgt de rechtbank niet. Het is aan eiseres om haar beroep op dringende redenen met recente informatie over haar medische problematiek te onderbouwen.
17. De rechtbank begrijpt verder dat eiseres wordt geconfronteerd met de terugvordering van een aanzienlijk bedrag met alle financiële complicaties en stress die dat voor eiseres meebrengt. Daar staat tegenover het belang van de rechtmatige besteding van gemeenschapsgeld dat meebrengt dat moet worden terugbetaald wat te veel is ontvangen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv het belang van terugvordering in dit geval zwaarder mogen laten wegen dan het belang van eiseres om niet met de gevolgen van de terugbetaling te worden geconfronteerd. Daarbij betrekt de rechtbank dat van een fout of nalatigheid van het Uwv niet is gebleken. Het is inherent aan het karakter van een voorschot dat het een voorlopige betaling betreft en dat sprake kan zijn van terugvordering als achteraf blijkt dat toch geen recht bestaat op uitkering. Verder is van belang dat met eiseres een betalingsregeling is getroffen waardoor zij het hele bedrag niet in één keer terug hoeft te betalen. Van een onevenredige uitkomst van de belangenafweging is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake. Het Uwv heeft dus tot terugvordering van het te veel betaalde bedrag aan WAO-uitkering kunnen besluiten.
18. Overigens merkt de rechtbank nog op dat de door eiseres aangehaalde uitspraken van de CRvB over andere kwesties gaan die niets te maken hebben met een terugvordering van een uitkering.

Conclusie en gevolgen

19. De conclusie is dat het Uwv terecht heeft geoordeeld dat eiseres over de periode van 1 januari 2023 tot en met 31 december 2023 teveel aan voorschot WAO-uitkering heeft ontvangen en daarom het bedrag van € 6.347,52 bruto moet terugbetalen. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y.N.M. Rijlaarsdam, rechter, in aanwezigheid van
mr. A. Azmi, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 april 2026.
griffier
rechter
De griffier is verhinderd
deze uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 17 november 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2489.
3.Dit volgt uit het toetsingsverbod van artikel 120 van Pro de Grondwet en in navolging van het arrest van de Hoge Raad van 14 april 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD5725 (het harmonisatiewet-arrest) en de uitspraak van de CRvB van 30 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1675.
4.De uitspraken van 27 januari 2022 (ECLI:NL:CRVB:2022:198) en van 15 juni 2023 ECLI:NL:CRVB:2023:1104.
5.Zie de uitspraak van de CRvB van 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:726.