In deze zaak heeft de Rechtbank Midden-Nederland op 23 december 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen eiseres, een B.V. uit [plaats 1], en de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap [plaats 2]. De heffingsambtenaar had aan eiseres een aanslag zuiveringsheffing bedrijven opgelegd voor het belastingjaar 2022, welke eiseres in bezwaar had aangevochten. De uitspraak op bezwaar van 9 mei 2025 verklaarde het bezwaar ongegrond, waarna eiseres beroep instelde. De rechtbank heeft het beroep kennelijk ongegrond verklaard, omdat eiseres geen concrete beroepsgronden heeft ingediend. De rechtbank heeft vastgesteld dat de gemachtigde van eiseres in zijn beroepschrift en andere correspondentie geen specifieke argumenten heeft aangedragen die de aanslag zouden kunnen betwisten. De rechtbank heeft eiseres meerdere keren de gelegenheid gegeven om haar beroepsgronden te concretiseren, maar de ingediende stukken bleven algemeen en niet specifiek voor de zaak. Hierdoor kon de rechtbank niet anders concluderen dan dat eiseres de aanslag niet gemotiveerd had betwist. Daarnaast heeft eiseres verzocht om schadevergoeding wegens een onredelijk lange procedure, maar de rechtbank oordeelde dat de redelijke termijn niet was overschreden en wees dit verzoek af. De rechtbank concludeert dat de aanslag terecht is opgelegd en dat er geen aanleiding is voor een proceskostenveroordeling.