ECLI:NL:RBMNE:2025:6954

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
24 december 2025
Zaaknummer
UTR 25/1454
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van de WOZ-waarde van een onroerende zaak en verzoek om schadevergoeding

In deze zaak heeft de rechtbank Midden-Nederland op 23 december 2025 uitspraak gedaan in een geschil over de vastgestelde WOZ-waarde van een onroerende zaak. De heffingsambtenaar had de waarde vastgesteld op € 1.857.000,- voor het belastingjaar 2023, met als waardepeildatum 1 januari 2022. Eiser, vertegenwoordigd door mr. D.A.N. Bartels MRE, ging in bezwaar tegen deze beschikking, maar het bezwaar werd ongegrond verklaard. Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld, maar de rechtbank oordeelde dat het beroep kennelijk ongegrond was, omdat eiser geen concrete beroepsgronden had ingediend. De rechtbank heeft vastgesteld dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld en dat de referentieobjecten voldoende vergelijkbaar zijn. Eiser heeft ook verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens een te lange procedure, maar de rechtbank oordeelde dat het financiële belang bij de procedure onder de bagatelgrens van € 1.000,- ligt, waardoor er geen aanleiding was voor schadevergoeding. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/1454

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 december 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats 1] , eiser

(gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels MRE),
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap [plaats 2], de heffingsambtenaar
(gemachtigde: M.A.E. van Dop).

Inleiding

1. In de beschikking van 28 februari 2023 heeft de heffingsambtenaar op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak op het adres [adres] in [plaats 1] voor het belastingjaar 2023 vastgesteld op € 1.857.000,-naar de waardepeildatum 1 januari 2022. Bij deze beschikking heeft de heffingsambtenaar aan eiser ook één of meer aanslagen opgelegd, waarbij deze waarde als heffingsmaatstaf is gehanteerd.
2. Eiser is tegen de beschikking in bezwaar gegaan. In de uitspraak op bezwaar van 15 januari 2025 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de WOZ-waarde van de onroerende zaak gehandhaafd.
3. Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift met een taxatiematrix ingediend.
4. Omdat het beroep kennelijk ongegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

5. In gevallen waarin tussen partijen een geschil bestaat, kan de rechtbank de zaak afdoen met toepassing van artikel 8:54 Awb indien de rechtbank van oordeel is dat over de uitkomst van dat geschil in redelijkheid geen twijfel mogelijk is. [1] De rechtbank zal hierna uitleggen waarom dat in deze zaak het geval is.
6. De gemachtigde van eiser heeft beroep ingesteld. De gemachtigde van eiser stuurt in elke procedure min of meer hetzelfde beroepschrift. In dat beroepschrift staan geen concrete gronden over de waardevaststelling. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift en een taxatiematrix ingediend. De rechtbank heeft vervolgens een brief naar de gemachtigde van eiser gestuurd waarin hij in de gelegenheid wordt gesteld om naar aanleiding van het verweerschrift een nader of gewijzigd standpunt in te nemen. In deze brief staat verder dat indien de rechtbank geen reactie ontvangt, de rechtbank ervan uitgaat dat de gemachtigde van eiser geen behoefte heeft om naar aanleiding van het verweerschrift een nader of gewijzigd standpunt in te nemen. De gemachtigde van eiser heeft hierop gereageerd met een zogenaamde ‘pinpointbrief’. In deze pinpointbrief staat wederom niets concreets over de waardevaststelling in deze zaak.
7. De rechtbank heeft een aangetekende brief naar de gemachtigde van eiser gestuurd, waarin de rechtbank de gemachtigde van eiser verzoekt in een A4 puntsgewijs zijn beroepsgronden zaakspecifiek te concretiseren en zo nodig te voorzien van controleerbaar bewijs. De rechtbank heeft hiervoor een termijn van vier weken gegeven. Daarnaast staat expliciet in deze brief dat als de rechtbank geen reactie ontvangt, de gemachtigde van eiser het risico loopt dat de rechtbank uitspraak doet op het beroep zonder concrete gronden.
8. De gemachtigde van eiser heeft bij brief hierop gereageerd. De inhoud van deze brief is min of meer hetzelfde als de brieven die de gemachtigde van eiser heeft gestuurd in alle andere zaken waarin de rechtbank om zaakspecifieke gronden heeft verzocht. Opnieuw staan er in de brief van de gemachtigde van eiser alleen algemeenheden. De rechtbank is daarom van oordeel dat deze gronden niet als concrete op de zaak toegespitste gronden kunnen worden aangemerkt. De gemachtigde van eiser heeft immers dezelfde standaardbrief in meerdere zaken tegelijk ingediend. Uit deze brief wordt verder niet duidelijk waarom deze stellingen enige relatie hebben met de waardevaststelling.
9. Dat de rechtbank niets kan met de algemene stellingen van de gemachtigde van eiser, is voor de gemachtigde niet nieuw. In eerdere uitspraken heeft de rechtbank zich al uitgelaten over de min of meer gelijkluidende beroepschriften en pinpointbrieven in andere zaken. Daarin is regelmatig aangegeven dat de rechtbank hier niets mee kan, omdat ze vol staan met algemene, weinig inhoudelijke, onsamenhangende en inconsistente, fragmentarische en niet of nauwelijks onderbouwde op de onroerende zaak betrekking hebbende stellingen. [2] Ook alle gerechtshoven hebben de gemachtigde hier op gewezen. [3] De rechtbank heeft de gemachtigde van eiser er bovendien meerdere keren op gewezen dat zijn werkwijze, door pas op zitting met concrete gronden te komen, in strijd is met de goede procesorde. [4]
10. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar met het verweerschrift en de taxatiematrix aannemelijk heeft gemaakt dat bij de waardevaststelling niet uit is gegaan van een te hoge waarde. Daartoe neemt de rechtbank in aanmerking dat de in de taxatiematrix genoemde referentieobjecten voldoende vergelijkbaar zijn met het onderhavige object. De heffingsambtenaar maakt daarnaast aannemelijk dat bij de waardebepaling in voldoende mate rekening is gehouden met de waardebepalende verschillen. Bovendien valt de prijs per m2 van het object binnen de bandbreedte van die van de gehanteerde referentieobjecten. Daarmee heeft de heffingsambtenaar aannemelijk gemaakt dat de WOZ-waardes niet te hoog is vastgesteld.
11. Zoals hiervoor overwogen heeft de gemachtigde zich in het beroepschrift en zijn overige brieven beperkt tot opmerkingen met een algemene strekking die (nagenoeg) gelijkluidend zijn aan de opmerkingen in een groot aantal andere zaken van de gemachtigde. Uit die algemene opmerkingen kunnen geen concrete beroepsgronden worden afgeleid aan de hand waarvan kan worden beoordeeld of de waardevaststelling te hoog is. Nu de gemachtigde van eiser geen concrete op de zaak toegespitste beroepsgronden heeft ingediend, kan de rechtbank tot geen andere conclusie komen dan dat eiser de vastgestelde waarde niet gemotiveerd heeft betwist en dat het beroep ongegrond is.
Het verzoek om immateriële schadevergoeding
1. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade, omdat de procedure over zijn belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. De rechtbank toetst het verzoek aan artikel 17, eerste lid, van de Grondwet en neemt daarbij artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mensen en de daarvan afgeleide rechtspraak als uitgangspunt.
2. De redelijke termijn is overschreden als de bezwaar- en beroepsfase samen langer dan twee jaar hebben geduurd. Daarbij is een termijn van zes maanden voor de handeling van het bezwaar en een termijn van anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep als uitgangspunt redelijk.
3. De rechtbank constateert dat sinds de ontvangst van het bezwaarschrift de redelijke termijn van twee jaar met (afgerond) 10 maanden is overschreden.
4. Voor het toekennen van een immateriële schadevergoeding ziet de rechtbank geen aanleiding. In het arrest van 14 juni 2024 heeft de Hoge Raad [5] beslist dat in gevallen waarbij het financiële belang bij een procedure minder is dan € 1.000,- en de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden, volstaan kan worden met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. De rechtbank moet dan ook beoordelen of deze bagatelgrens wordt gehaald.
5. Uit overweging 3.3.3 van het arrest volgt dat het financiële belang bij de procedure in beginsel bestaat uit het financiële voordeel dat belanghebbende met betrekking tot de fiscale beschikking(en) krijgt indien het door hem in die procedure ingenomen standpunt wordt gehonoreerd. Het financiële belang bij de procedure wordt dus niet bepaald door de hoogte van een of meer fiscale beschikkingen en ook niet door de omvang van het (uiteindelijk) door de belanghebbende in de procedure bereikte financiële resultaat.
6. De waarde van de onroerende zaak is door de heffingsambtenaar vastgesteld op
€ 1.857.000,-. Uit de stukken van de gemachtigde van eiser blijkt niet welke waardes eiser bepleit in beroep. In bezwaar stelt eiser een waarde voor van € 1.799.000,-. Het financiële voordeel dat eiser had kunnen bereiken als hij gelijk had gekregen bestaat uit dit verschil vermenigvuldigd met het aanslagbedrag OZB en watersysteemheffing voor de onroerende zaak. Het totale financiële belang komt daarmee op € 61,84. Dit is minder dan de bagatelgrens van € 1.000,-. De rechtbank volstaat daarom met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.

Conclusie en gevolgen

7. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van de onroerende zaak niet te hoog is vastgesteld. Nu eiser geen concrete beroepsgronden heeft ingediend, heeft de rechtbank geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van de door de heffingsambtenaar vastgestelde waarde. Het beroep is kennelijk ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W.A. Schimmel, rechter, in aanwezigheid van
mr.D. Burggraaf, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 23 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Arrest van de Hoge Raad van 24 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:787.
2.Zie hiervoor onder andere de uitspraken van deze rechtbank van 18 april 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:1602, 23 maart 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:1259, en 24 januari 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:221.
3.Zie de uitspraken van het Gerechtshof Den Haag van 22 februari 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:672, het Gerechtshof Amsterdam van 21 januari 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:150, het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 19 maart 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:725 en het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 24 juni 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:3894.
4.Zie onder andere de uitspraken van deze rechtbank van 13 augustus 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:4903, 15 november 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:6529 en 8 augustus 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:4573.