In deze zaak heeft de Rechtbank Midden-Nederland op 23 december 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen een eiser en de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap. De eiser had bezwaar gemaakt tegen de waardes van diverse onroerende zaken die door de heffingsambtenaar waren vastgesteld op basis van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) voor het belastingjaar 2024. De heffingsambtenaar had in een beschikking van 31 maart 2024 de waardes vastgesteld, maar het bezwaar van de eiser werd ongegrond verklaard in de uitspraak op bezwaar van 30 oktober 2024. De eiser heeft vervolgens beroep ingesteld, maar de rechtbank oordeelde dat het beroep kennelijk ongegrond was. De rechtbank stelde vast dat de heffingsambtenaar aannemelijk had gemaakt dat de waardes niet te hoog waren vastgesteld en dat de eiser geen concrete beroepsgronden had ingediend om de waardevaststelling te betwisten. De rechtbank heeft de eiser meerdere keren de gelegenheid gegeven om zijn beroepsgronden te concretiseren, maar de ingediende stukken bleven algemeen en niet specifiek voor de zaak. Hierdoor kon de rechtbank niet anders concluderen dan dat de waardes correct waren vastgesteld. Daarnaast heeft de rechtbank het verzoek van de eiser om schadevergoeding wegens een onredelijk lange procedure afgewezen, omdat de redelijke termijn niet was overschreden. De rechtbank heeft de uitspraak openbaar gemaakt en het beroep ongegrond verklaard.