In deze zaak heeft de Rechtbank Midden-Nederland op 23 december 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen eiseres, een B.V. uit [plaats], en de heffingsambtenaar van de gemeente [gemeente]. De heffingsambtenaar had op 31 maart 2024 de waarde van diverse onroerende zaken vastgesteld op basis van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) voor het belastingjaar 2023, met als waardepeildatum 1 januari 2022. Eiseres ging tegen deze beschikking in bezwaar, maar de heffingsambtenaar verklaarde het bezwaar ongegrond in de uitspraak op bezwaar van 27 december 2024. Eiseres heeft vervolgens beroep ingesteld, maar de rechtbank oordeelde dat het beroep kennelijk ongegrond was. De rechtbank stelde vast dat eiseres geen concrete beroepsgronden had ingediend en dat de heffingsambtenaar aannemelijk had gemaakt dat de waardes niet te hoog waren vastgesteld. De rechtbank deed uitspraak zonder zitting, op basis van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank concludeerde dat er geen aanknopingspunten waren om te twijfelen aan de juistheid van de vastgestelde waardes en wees het verzoek om schadevergoeding af, omdat de redelijke termijn niet was overschreden. De uitspraak werd gedaan door mr. M.W.A. Schimmel, in aanwezigheid van griffier mr. D. Burggraaf.