In deze zaak heeft de Rechtbank Midden-Nederland op 23 december 2025 uitspraak gedaan in een geschil over de vastgestelde WOZ-waarde van een onroerende zaak. De heffingsambtenaar had de waarde vastgesteld op € 315.000,- per 1 januari 2023, maar eiseres, een B.V., heeft hiertegen bezwaar gemaakt. De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. Eiseres heeft geen concrete beroepsgronden ingediend, waardoor de rechtbank geen aanleiding ziet om aan de juistheid van de vastgestelde waarde te twijfelen. Het beroep wordt dan ook kennelijk ongegrond verklaard. Daarnaast heeft eiseres verzocht om schadevergoeding wegens een onredelijk lange procedure, maar de rechtbank concludeert dat de redelijke termijn niet is overschreden en wijst dit verzoek af. De uitspraak benadrukt het belang van concrete en zaakspecifieke beroepsgronden in bestuursrechtelijke procedures.