In deze zaak heeft de Rechtbank Midden-Nederland op 23 december 2025 uitspraak gedaan in een geschil over de vastgestelde WOZ-waarde van een onroerende zaak. Eiseres, een B.V. uit [plaats], had bezwaar aangetekend tegen de beschikking van de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap [gemeente], die de waarde van de onroerende zaak had vastgesteld op € 1.416.000,- per 1 januari 2023. De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar aannemelijk had gemaakt dat de waarde niet te hoog was vastgesteld, omdat eiseres geen concrete beroepsgronden had ingediend. De rechtbank heeft de zaak zonder zitting afgedaan op basis van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht, omdat er geen redelijke twijfel bestond over de uitkomst van het geschil. Eiseres had in haar beroepschrift en daaropvolgende correspondentie geen specifieke argumenten aangedragen die de waardevaststelling konden betwisten. De rechtbank concludeerde dat het beroep kennelijk ongegrond was en wees ook het verzoek om schadevergoeding af, omdat de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak niet was overschreden. De uitspraak werd gedaan door mr. M.W.A. Schimmel, in aanwezigheid van griffier mr. D. Burggraaf.