ECLI:NL:RBMNE:2025:6295
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen WOZ-waarde hotelobject; immateriële schadevergoeding toegekend wegens termijnoverschrijding
Eiser maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van een hotel/logiesruimte aan een adres in een Nederlandse plaats, vastgesteld op €441.000,- per peildatum 1 januari 2019. Na afwijzing van het bezwaar stelde eiser beroep in bij de rechtbank. De rechtbank beoordeelde het beroep op 7 juli 2025 en concludeerde dat de heffingsambtenaar de waarde aannemelijk had onderbouwd met een taxatiematrix op basis van de huurwaardekapitalisatiemethode en vergelijkbare transacties.
Eiser leverde onvoldoende concrete en samenhangende beroepsgronden en overgelegde een taxatierapport dat niet specifiek op het WOZ-object was gericht en een andere waardepeildatum had. Nieuwe beroepsgronden die op zitting werden aangevoerd, werden buiten beschouwing gelaten wegens late indiening. Daarnaast stelde eiser dat de opbrengstlimiet was overschreden, maar deze grond werd te laat ingebracht en niet volgens het vereiste stappenplan, waardoor ook deze werd afgewezen.
De rechtbank constateerde een overschrijding van de redelijke termijn van 2,5 jaar in de bezwaar- en beroepsfase en kende een immateriële schadevergoeding toe van €3.000,-, te verdelen tussen de heffingsambtenaar en de Staat. Tevens werden proceskosten en griffierechten aan eiser vergoed. Het beroep werd ongegrond verklaard en de schadevergoeding en kosten werden toegewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard, maar eiser krijgt een immateriële schadevergoeding toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn.