ECLI:NL:RBGEL:2026:5829

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
ARN 24/2413
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 Wet BPMArt. 110 VWEU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen naheffingsaanslag BPM en toekenning immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding

Belanghebbende maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag BPM van €5.338 opgelegd door de inspecteur. De rechtbank beoordeelde de historische nieuwprijs, de omvang van de schade, waardeverminderingen wegens schadeverleden en het ontbreken van een oordeel over de kilometerstand, en het discriminatieverbod van artikel 110 VWEU Pro.

De rechtbank oordeelde dat de door belanghebbende gehanteerde hogere historische nieuwprijs niet kon worden onderbouwd vanwege onjuiste optiebepalingen. Ook werd niet aannemelijk gemaakt dat er meer schade was dan vastgesteld door de inspecteur. De waardeverminderingen wegens schadeverleden en het ontbreken van een oordeel over de kilometerstand werden niet bewezen. Het beroep op het discriminatieverbod faalde omdat belanghebbende geen deskundigenonderzoek had geleverd dat voldeed aan de Hoge Raad-criteria.

Verder werd een verzoek om vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn toegewezen. De rechtbank stelde vast dat de totale procedure langer dan twee jaar duurde en kende een forfaitaire vergoeding van €1.500 toe, waarvan €115 door de inspecteur en €1.385 door de Staat betaald moeten worden.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, handhaafde de naheffingsaanslag en veroordeelde de inspecteur en de Staat tot betaling van de immateriële schadevergoeding en proceskosten aan belanghebbende.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM wordt ongegrond verklaard en een immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding wordt toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/2413

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 17 juli 2026

in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de inspecteur van de belastingdienst, Centrale administratieve processen, de inspecteur,
en
de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), in Den Haag,
de Staat.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 21 december 2023.
De inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 16 juni 2023 een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) van € 5.338 opgelegd.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de naheffingsaanslag gehandhaafd.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 8 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende, bijgestaan door [persoon 1] en, namens de inspecteur, [persoon 2] en [persoon 3] .

Feiten

1. Belanghebbende heeft met dagtekening 29 maart 2023 aangifte BPM gedaan voor een Audi A6 Avant RS 6 TFSI Quattro (de auto) met als datum van eerste toelating 10 maart 2020.
2. In de aangifte is de te betalen belasting op basis van een taxatierapport van [bedrijf] berekend op € 17.210. De taxateur van belanghebbende heeft de historische nieuwprijs van de auto bepaald op € 247.902. In het taxatierapport van belanghebbende is de handelsinkoopwaarde van de auto in onbeschadigde staat vastgesteld op € 93.282. De taxateur heeft de herstelkosten van de schade begroot op € 11.002, wat volgens hem leidt tot een waardevermindering van € 11.002 (100%). In de schadecalculatie is een extra waardevermindering van € 2.000 meegenomen met als omschrijving “bekend schadeverleden” en een extra waardevermindering van € 3.800 vanwege “geen oordeel kilometerstand”. De taxateur heeft de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat bepaald op € 76.480.
3. De inspecteur heeft een bedrag van € 5.338 nageheven. Daarbij heeft de inspecteur zich gebaseerd op een onderzoek waardebepaling van [persoon 4] , werkzaam bij Domeinen Roerende Zaken (DRZ), van 11 april 2023. Hierbij is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 228.640 en is de handelsinkoopwaarde van de auto in onbeschadigde staat vastgesteld op € 93.489 op basis van een koerslijst van Eurotax. Verder is in dat rapport de waardevermindering als gevolg van schade vastgesteld op € 1.067 (31% van € 3.343). De handelsinkoopwaarde bedraagt volgens het rapport van DRZ € 92.422.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank beoordeelt de naheffingsaanslag. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
5. In geschil is:
  • de historische nieuwprijs;
  • de omvang van de schade en de waardevermindering;
  • de waardevermindering wegens schadeverleden en ‘geen oordeel kilometerstand’;
  • het discriminatieverbod van artikel 110 VWEU Pro.
6. De rechtbank komt tot het oordeel dat de naheffingsaanslag niet te hoog is vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Historische nieuwprijs
7. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de gehanteerde historische nieuwprijs te laag is en moet worden vastgesteld op € 247.902.
8. Deze beroepsgrond slaagt niet. Ter zitting is komen vast te staan dat in de koerslijst van AutotelexPro, die door belanghebbende is gehanteerd, zijn keramische remschijven en een high-end audiosysteem van Bang & Olufsen (code 8RF) als afzonderlijke optie opgenomen, terwijl ter zitting is komen vast te staan dat de keramische remschijven onderdeel zijn van het dynamic-pakket plus en de auto het reguliere Bang & Olufsen (code 9VS) heeft. De koerslijst die belanghebbende heeft gehanteerd om tot de hogere historische nieuwprijs te komen, kan om die reden niet dienen ter onderbouwing daarvan.
Handelsinkoopwaarde: schade
9. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat sprake is van meer schade dan DRZ heeft geconstateerd. Belanghebbende wijst ter onderbouwing op het taxatierapport met foto’s.
10. De rechtbank komt tot het oordeel dat belanghebbende, tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, niet aannemelijk heeft gemaakt dat met meer schade rekening moet worden gehouden dan de inspecteur heeft gedaan. Op de foto’s bij het taxatierapport en het DRZ-rapport is naast de geconstateerde schade niet meer schade te zien dan die als normale gebruikssporen kwalificeert. Belanghebbende heeft verder niet concreet gesteld welke andere schade aanwezig zou zijn en uit de foto’s bij het taxatierapport en het DRZ-rapport kan dit niet worden afgeleid.
Handelsinkoopwaarde; waardevermindering in verband met schadeverleden
11. Belanghebbende heeft gesteld dat er een waardevermindering van € 2.000 in aanmerking dient te worden genomen wegens het schadeverleden van de auto. De bewijslast daaromtrent rust op belanghebbende.
12. De rechtbank stelt voorop dat het schadeverleden van een auto een waardedrukkend effect kan hebben. Of dat zo is, hangt af van de omstandigheden van het geval, waaronder de oorzaak van de schade en in het bijzonder de aard ervan (of sprake is van schade die ook na herstel risico’s oproept, dan wel of het een schade betreft die zich volledig laat herstellen).
13. Belanghebbende heeft omtrent het schadeverleden gesteld dat de inkoopfactuur melding maakt van eerdere schade. Belanghebbende heeft echter niet onderbouwd of, laat staan in welke mate, dit tot een waardevermindering leidt. De verwijzing naar een tabel die is gebaseerd op algemene uitgangspunten, en dus niet zijn toegespitst op de auto, is daartoe onvoldoende. Daarmee is zij naar het oordeel van de rechtbank er niet in geslaagd de door haar gestelde waardevermindering ter zake van het schadeverleden aannemelijk te maken.
Handelsinkoopwaarde; waardevermindering in verband met ‘geen oordeel kilometerstand’
14. Belanghebbende heeft gesteld dat er een waardevermindering van € 3.800 in aanmerking dient te worden genomen in verband met ‘geen oordeel kilometerstand’. De bewijslast daaromtrent rust op belanghebbende.
15. De rechtbank stelt voorop dat het ontbreken van een oordeel van de RDW over de kilometerstand een waardedrukkende factor kan zijn en ook een omstandigheid kan zijn die, ook bij latere overdrachten, aan de auto blijft kleven. De bewijslast dat in dit geval sprake is van een dergelijk waardedrukkend effect rust op belanghebbende. [1]
16. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat bij de auto sprake is van een waardevermindering door het ontbreken van een oordeel van de RDW over de kilometerstand. Belanghebbende heeft in beroep slechts volstaan met algemene stellingen en zich daarbij niet toegespitst op de concrete situatie van de auto. In het taxatierapport wordt door de taxateur ook geen melding gemaakt van een mogelijk onjuiste kilometerstand of anderszins twijfel geuit over de betrouwbaarheid daarvan, behoudens algemene stellingen. Dat de vermelding ‘geen oordeel kilometerstand’ als een waardeverminderend stigma moet worden beschouwd, is in de taxatierapporten onvoldoende onderbouwd. Bovendien is de door belanghebbende in aanmerking genomen waardevermindering gebaseerd op een algemene tabel. De rechtbank is van oordeel dat niet aannemelijk is dat sprake is van een waardevermindering in verband met ‘geen oordeel kilometerstand’.
Handelsinkoopwaarde: waardevermindering als gevolg van begrote herstelkosten
17. Belanghebbende heeft gesteld dat de waardevermindering als gevolg van de begrote herstelkosten 100% bedraagt, omdat het een relatief jong voertuig uit het hogere segment is. De 31%-norm acht hij in strijd met het Europese recht, omdat sprake is van een slecht onderbouwd forfait.
18. De bewijslast van de omvang van de waardevermindering als gevolg van schade rust op belanghebbende. [2] De wet- en regelgeving komt tegemoet aan deze bewijslast door de waardevermindering in ieder geval op 31% van de aanwezige schade te stellen. In tegenstelling tot hetgeen belanghebbende meent, is hierbij geen sprake van een forfait, maar van een bewijsvermoeden. Belanghebbende heeft de mogelijkheid om aannemelijk te maken dat in dit geval een hoger percentage dient te gelden. Dat heeft belanghebbende niet gedaan, omdat zij blijft hangen in de vermelding van algemeenheden. Bovendien ontbreekt de feitelijke grondslag van haar standpunt dat het om een relatief jonge auto gaat. Ten tijde van het doen van aangifte was de auto al ongeveer drie jaar oud met een kilometerstand van bijna zestigduizend. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval geen aanleiding bestaat om een afwijkend percentage van de reparatiekosten van de geconstateerde schade als waardevermindering in aanmerking te nemen. De beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 110 van Pro het VWEU
19. Belanghebbende beroept zich op het discriminatieverbod van artikel 110 van Pro het VWEU. Volgens haar zijn referentievoertuigen in Nederland geregistreerd met een lagere rest BPM. Uit de door haar toegevoegd tabel blijkt volgens belanghebbende dat de verschuldigde BPM voor de auto hoger uitvalt dan bij soortgelijke referentievoertuigen en daardoor is sprake van verboden discriminatie.
20. Voor een succesvol beroep op het discriminatieverbod moet belanghebbende ter weerlegging van de onderhavige naheffingsaanslag aannemelijk maken dat het geheven bedrag aan BPM hoger is dan het restbedrag aan BPM dat is vervat in de handelswaarde van een of meer gelijksoortige, gebruikte personenauto’s die al in het binnenland zijn geregistreerd. Daartoe moet belanghebbende de werkelijke handelswaarde van de auto’s aantonen. Om dat te staven moet belanghebbende op basis van deskundigenonderzoek aantonen dat er ten tijde van de registratie een gelijksoortige, gebruikte personenauto met een vergelijkbare RDW-registratie (‘geen oordeel kilometerstand’) vergelijkbare vermelding op het buitenlandse kentekenbewijs en vergelijkbare schade in Nederland was geregistreerd en wat daarvan de waardeverminderende invloed op de handelsinkoopwaarde werkelijk is geweest ten opzichte van gelijksoortige, gebruikte personenauto’s die toentertijd in Nederland waren geregistreerd en niet een dergelijke RDW-registratie vermelding op het buitenlandse kentekenbewijs en schade kenden. Een verwijzing naar een algemeen bekend feit en/of een schatting in goede justitie is niet voldoende. [3]
21. Belanghebbende heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aan deze bewijslast voldaan, aangezien zij in deze procedure voor de auto geen bewijs heeft bijgebracht dat voldoet aan deze door de Hoge Raad geformuleerde maatstaf. De enkele vermelding van referentievoertuigen in het nadere stuk van 25 juni 2026 – waarop belanghebbende zich beroept – kan niet als een dergelijk deskundigenonderzoek worden aangemerkt. Bovendien betreft het uit een andere lidstaat afkomstige, gebruikte referentievoertuigen waarvan niet aannemelijk is gemaakt dat zij ten tijde van de registratie (van de onderhavige auto) op de binnenlandse markt voor gebruikte auto’s te koop waren aangeboden. Dit betekent dat belanghebbende ook via het Unierecht geen recht heeft op de door haar bepleite verminderingen. [4]
Overschrijding van de redelijke termijn
22. Belanghebbende heeft de rechtbank verzocht om een vergoeding voor immateriële schade toe te kennen wegens een overschrijding van de redelijke termijn. Op grond van een beleidsregel van de Minister van Justitie en Veiligheid is het niet nodig de Staat om een reactie te vragen op het verzoek. [5]
23. De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit verzoek uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in zijn arresten van 19 februari 2016. [6] Belastingzaken moeten binnen een redelijke termijn worden behandeld van in beginsel twee jaar voor de bezwaar- en beroepsprocedure samen. De rechtbank ziet in dit geval geen aanleiding deze termijn te verkorten of te verlengen.
24. De inspecteur heeft het bezwaarschrift van belanghebbende ontvangen op 19 juni 2023. De periode tussen deze datum en de uitspraak van de rechtbank is (afgerond) dertien maanden langer dan twee jaar. Dat is afgerond naar boven drie keer een half jaar. Daarom krijgt belanghebbende een schadevergoeding van € 1.500 (€ 500 per half jaar). De uitspraak op bezwaar is van 21 december 2023. De overschrijding van de redelijke termijn is dus voor het 1/13e deel toerekenbaar aan de bezwaarfase en voor 12/13e deel aan de beroepsfase. De rechtbank zal de inspecteur daarom veroordelen om een bedrag van € 115 aan belanghebbende te betalen en de Staat veroordelen om een bedrag van € 1.385 aan belanghebbende te betalen.

Conclusie en gevolgen

25. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de uitspraak op bezwaar en de naheffingsaanslag in stand blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Belanghebbende krijgt wel een forfaitaire vergoeding van haar proceskosten, uitsluitend omdat het verzoek om vergoeding voor immateriële schade wordt toegewezen.
26. De proceskosten stelt de rechtbank vast op € 233,50. [7] De inspecteur en de Staat moeten ieder de helft van die vergoeding betalen. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024 [8] ziet de rechtbank geen reden de Staat en de inspecteur te gelasten het betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding voor immateriële schade van € 115;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding voor immateriële schade van € 1.385;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van € 116,75 aan proceskosten aan belanghebbende;
- veroordeelt de Staat tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.L. Heldens, rechter, in aanwezigheid van mr. T.J.P. Wientjens, griffier.
Uitgesproken op 17 juli 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vgl. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21 maart 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:2453, r.o. 4.22 en Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23 juli 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4876, r.o. 4.14.
2.Hoge Raad 12 juli 2019, ECLI:NL:2019:1084.
3.Vgl. HR 2 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:147, r.o. 3.6.2.
4.Vgl. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 30 juni 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:4341.
5.Beleidsregel van de Minister van veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935, Staatscourant 2014, 20210, en de Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 27 oktober 2017, Staatscourant 2017, 62751.
7.1 punt voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding met een waarde van € 934 en een wegingsfactor 0,25 (Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526, r.o. 5.2.).
8.ECLI:NL:HR:2024:567. Omdat de redelijke termijn op 31 mei 2024 nog niet was overschreden, is het overgangsrecht niet van toepassing en is de nieuwe regel uit dit arrest van toepassing op deze zaak.