ECLI:NL:RBGEL:2026:5087

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
ARN 25/6560
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:4 AwbArt. 3:2 AwbArt. 7:12 AwbArt. 3:310 BWArt. 6:2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen afwijzing vergoeding reiskosten ex-partner wegens verjaring

Eiser, voormalig politieambtenaar, vroeg vergoeding van medische kosten en reiskosten van zijn ex-partner gemaakt tijdens psychiatrische opnames in de periode 1992-1998. De korpschef kende alleen vergoeding toe voor het eigen risico van de zorgverzekering vanaf 2008 en wees de reiskosten af wegens verjaring.

Eiser voerde aan dat artikel 53 (oud) Barp een discretionaire hardheidsclausule is en dat de korpschef onvoldoende individuele belangenafweging had gemaakt. Ook stelde hij dat de verjaringstermijn pas na formele erkenning PTSS in 2022 had moeten lopen.

De rechtbank oordeelde dat de twintigjarige absolute verjaringstermijn van artikel 3:310 BW Pro ook geldt voor bestuursrechtelijke tegemoetkomingen op grond van artikel 53 Barp Pro. De reiskosten zijn in 1992-1998 gemaakt, waardoor de verjaring in 2008 is geëindigd. Eiser heeft zijn verzoek pas in 2024 ingediend, te laat volgens de rechtbank.

De rechtbank vond geen bijzondere omstandigheden die toepassing van verjaring onaanvaardbaar maken. De zorgplicht en bewijsnood van eiser leiden niet tot een latere aanvang van de verjaring. De korpschef heeft terecht het beroep op verjaring gedaan en het beroep van eiser is ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep van eiser is ongegrond verklaard omdat de vergoeding van reiskosten verjaard is.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/6560

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en

de korpschef van politie, de korpschef

(gemachtigden: mr. E. Sedighi en mr. W.A.N. Bot).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de gedeeltelijke toewijzing van de aanvraag van eiser tot vergoeding van medische kosten. Eiser is het niet eens met deze gedeeltelijke toewijzing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank deze gedeeltelijke toewijzing.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de korpschef een correct besluit heeft genomen
.Eiser krijgt daarom geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De standpunten van partijen staan onder 4 en 5. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 6. Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
1.3.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Procesverloop

2. Op 30 augustus 2024 heeft eiser een verzoek ingediend tot vergoeding van medische kosten. Met het besluit van 25 juni 2025 heeft de korpschef dit verzoek gedeeltelijk toegewezen en gedeeltelijk afgewezen. Met het bestreden besluit van 18 december 2025 op het bezwaar van eiser is de korpschef bij dat besluit gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De korpschef heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 16 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, bijgestaan door zijn echtgenote, en de gemachtigden van de korpschef deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser is van 1 oktober 1981 tot 1 augustus 1988 in dienst geweest bij de Politie. Tijdens dit dienstverband heeft eiser diverse ernstige incidenten meegemaakt. Hij heeft zich op 19 december 1994 ziek gemeld. Na diverse foutieve diagnoses, is in 2019 en op 16 november 2021 de diagnose PTSS bij eiser vastgesteld. Naar aanleiding van het rapport TTDC Expertise Onderzoek Mentale Beroepsziekte van 13 december 2021 heeft de korpschef bij besluit van 1 februari 2022 de door eiser opgelopen PTSS erkend als beroepsziekte. Op 16 oktober 2023 hebben eiser en de korpschef een vaststellingsovereenkomst (VSO) gesloten.
3.1.
Met zijn e-mail van 30 augustus 2024 aan Team Beroepsrisico van de Politie heeft eiser aangegeven van mening te zijn dat hij, op grond van artikel 53 en Pro/of 54 (oud) van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) recht heeft op een vergoeding van de door hem in het verleden gemaakte kosten en de daaraan direct gerelateerde kosten welke niet door een zorgverzekeraar vergoed zijn. Daarbij gaat het om de kosten van de verblijven van eiser in psychiatrische instellingen in de periode van januari 1992 tot en met juni 1998 gedurende (in totaal 1.054 dagen) en de kosten van het eigen risico van de zorgverzekering vanaf 2008. Nadat eiser door de korpschef, bij e-mail van 2 september 2024, erop is gewezen dat hij zijn aanvraag in moet dienen middels een declaratieformulier, heeft eiser, met zijn e-mail van 14 maart 2025, een declaratieformulier ingestuurd. Vervolgens is eiser in een e-mail van 9 mei 2025 gevraagd om aanvullende gegevens te overleggen. Ook is in deze e-mail aangegeven dat de gevraagde daggeldvergoeding voor de opnames in psychiatrische instellingen op grond van de rechtspositie (artikel 54 (oud) van het Barp) niet voor vergoeding in aanmerking komt. Ook de reiskosten van de bezoekers van eiser tijdens deze opnames kunnen niet vergoed worden. Verwezen wordt naar de gesloten VSO, waarin eiser tegen finale kwijting restschade is betaald.
3.2.
Nadat eiser bezwaar heeft gemaakt tegen de e-mail van 9 mei 2025, is de korpschef overgegaan tot afgifte van het besluit van 25 juni 2025, waarin besloten is tot vergoeding van het eigen risico over de periode van 2008 tot en met 2024 tot een totaalbedrag van € 5.405. De korpschef kent geen vergoeding toe voor de daggeldvergoeding voor de opname in de psychiatrische instellingen en voor de reiskosten van de familieleden van eiser tijdens deze opnames. Vervolgens heeft eiser aangegeven zijn bezwaar te handhaven en dat alleen nog in geschil zijn de reiskosten van zijn ex-partner, die zijn gemaakt tijdens de psychiatrische opnames in de periode van 1992 tot en met 1998 tot een bedrag van € 6.238,08 inclusief wettelijke rente. Vervolgens is de korpschef overgegaan tot afgifte van het bestreden besluit.
Wat vindt de korpschef?
4. De korpschef heeft aan de afwijzing van de reiskosten – samengevat – het volgende ten grondslag gelegd. De aanvraag van de kostenvergoeding ziet op de periode van 1992 tot en met 1998. Dat is meer dan twintig jaar geleden, waardoor er een beroep kan worden gedaan op de absolute verjaringstermijn. Aan de twintigjarige verjaringstermijn van artikel 3:310, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) ligt het belang van de rechtszekerheid ten grondslag. Uitgangspunt is dat financiële aanspraken jegens de overheid op grond van de rechtszekerheid en de billijkheid na een termijn van vijf jaar niet meer in rechte afdwingbaar zijn. Deze termijn van vijf jaar begint te lopen op het moment waarop degene die meent schade te lijden met betrekking tot deze schade in actie had kunnen komen. [1]
In het geval van eiser gaat het om de kosten gemaakt in verband met ziekte, gemaakt in de periode van 1992 tot en met 1998. De stelling dat de termijn van vijf jaar pas met de erkenning van PTSS is gaan lopen, is niet juist. Om aanspraak te kunnen maken op artikel 53 (oud) van het Barp is een erkenning dienstongeval/beroepsziekte niet vereist; het moet gaan om ziekte. Eiser had daarom (toen) een beroep kunnen doen op artikel 53 (oud) van het Barp, maar dat heeft hij niet gedaan. Daarnaast kan door een bestuursorgaan in de besluitvorming op ieder moment een beroep op verjaring worden gedaan, tenzij daarvan ondubbelzinnig afstand is gedaan. Dat is hier niet gebeurd. Ook zijn er geen bijzondere feiten of omstandigheden naar voren gekomen op grond waarvan het onredelijk zou zijn dat er een beroep wordt gedaan op verjaring.
De enige mogelijkheid om de kosten te declareren was dan ook in het kader van de minnelijke schikking die met eiser in 2023 is getroffen naar aanleiding van zijn aansprakelijkheidsstelling. Het resultaat daarvan is vastgelegd in een VSO die eiser op 16 oktober 2023 getekend heeft. Daarin is aan eiser een financiële vergoeding toegekend voor de restschade die is ontstaan als gevolg van de door eiser opgelopen beroepsziekte.
Artikel 53 (oud) van het Barp is een bepaling die het karakter heeft van een
(anti-)hardheidsclausule, waarbij eiser moet aantonen dat sprake is van een bijzonder geval. [2] Het geeft eiser geen recht op een vergoeding, maar het opent voor de korpschef de mogelijkheid om onder bijzondere omstandigheden een vergoeding toe te kennen naast de eventuele aanspraken die eiser heeft op basis van de rechtspositie. Een dergelijke hardheidsclausule dient restrictief te worden toegepast. [3] Er moet als eerste beoordeeld worden of er sprake is van een bijzonder geval. Het enkele feit dat er sprake is van een beroepsziekte, PTSS, een laat ziekte-inzicht en verkeerde diagnoses maakt niet dat er gesproken kan worden van een bijzonder geval. De situatie waarin de ex-partner van eiser aanwezig moest zijn, omdat hij door de medicatie geen gesprekken kon voeren met behandelaars, acht de korpschef wel bijzonder en noodzakelijk. Omdat eiser echter 30 jaar later de kosten wil declareren, kan niet meer worden achterhaald wanneer er sprake was van familiebezoek en op welke momenten er gesprekken waren, waarbij de ex-partner van eiser aanwezig moest zijn en wat de werkelijke kosten van deze reizen waren. Eiser heeft dat niet nader onderbouwd met stukken. Dat had wel van hem verwacht mogen worden, ondanks het feit dat het gaat om 30 jaar geleden. Eiser heeft aangegeven dat hij deze kosten niet zelf kon dragen, dat er gekeken moet worden naar zijn fictief inkomen van destijds, dat hij een koophuis en kinderen had en dat hij een onderhandse lening met zijn broer heeft gesloten. Daarmee heeft eiser onvoldoende gemotiveerd, waarom hij de kosten niet zelf kon dragen. Op basis van de geldende rechtspositionele regelingen is en wordt eiser ten aanzien van veel aspecten schadeloosgesteld. De medische kosten en de aanvullingen op zijn inkomen zijn op grond van de artikelen 38 en 39 van het Besluit bezoldiging politie (Bbp) gedekt. Ook heeft eiser het maximale bedrag aan smartengeld ontvangen ter hoogte van € 176.970. Verder is er een schadevergoeding uitgekeerd ter hoogte van € 250.000 netto in het kader van de restschade afwikkeling. Daarnaast is in het kader van de fiscale gevolgen/schade van de nabetaling van de artikelen 38 en 39 van het Bbp ook een bedrag van € 18.177,10 netto aan eiser uitgekeerd. De financiële gevolgen van de beroepsziekte zijn daarom niet zodanig dat eiser het geclaimde bedrag redelijkerwijs niet zelf kan dragen.
Wat vindt eiser?
5. Eiser voert – samengevat – het volgende aan. Artikel 53 (oud) van het Barp betreft een discretionaire hardheidsbevoegdheid. Dat brengt mee dat de korpschef gehouden is een belangenafweging te maken. De civielrechtelijke verjaringstermijn van twintig jaar ziet op afdwingbare schadevergoedingen en niet op een bestuursrechtelijke tegemoetkomingsbevoegdheid. De korpschef kan bij toepassing van een hardheidsbevoegdheid niet zonder meer volstaan met het afkappen van de beoordeling op basis van louter het tijdsverloop. Uit vaste rechtspraak blijkt dat zelfs een objectieve (absolute) verjaringstermijn in uitzonderlijke omstandigheden niet zonder meer doorslaggevend hoeft te zijn. [4] In het bestuursrecht is het toetsingskader de evenredigheid en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Dat maakt de eis aan een kenbare individuele belangenafweging hier niet kleiner maar groter. In het bestreden besluit ontbreekt, in strijd met artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), iedere kenbare afweging waarom het tegenwerpen van absolute verjaring in de situatie van eiser redelijk en evenwichtig zou zijn.
De korpschef miskent dat de bewijsnood rechtstreeks samenhangt met de aard en gevolgen van de beroepsziekte. Een zorgplicht van de korpschef heft verjaring als zodanig niet op, maar de zorgplicht en mate van verwijtbaarheid zijn relevant voor de risicotoedeling van tijdsverloop en bewijsverlies en daarmee voor de vraag of het beroep op verjaring aanvaardbaar is. Van de korpschef mag – als werkgever én als bestuursorgaan – een verhoogde mate van zorgvuldigheid worden verwacht.
De korpschef miskent dat eiser redelijkerwijs niet eerder in actie kon komen. Pas na afronding van het herdiagnose-traject is geconcludeerd dat sprake is van beroepsgerelateerde PTSS, hetgeen heeft geleid tot de formele erkenning van de beroepsziekte per 1 februari 2022. Dat maakt het standpunt van de korpschef, dat eiser reeds (veel) eerder een samenhangende aanspraak op grond van artikel 53 (oud) van het Barp had moeten effectueren, niet houdbaar. Daarmee handelt de korpschef in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb.
De korpschef was in 2021 reeds op de hoogte van het verzoek om erkenning van PTSS als beroepsziekte en beschikte over uitgebreide medische informatie. In het erkenningsbesluit van 1 februari 2022 heeft de korpschef expliciet vermeld dat uit deze erkenning (mogelijk) aanspraken kunnen voortvloeien uit rechtspositionele regelingen. Daarmee konden aanspraken die samenhangen met de beroepsziekte vanaf dat moment niet worden aangemerkt als plotseling of onvoorzien.
De korpschef erkent noodzakelijkheid en bijzonderheid, maar laat de beoordeling onder artikel 53 (oud) van het Barp vervolgens feitelijk vallen. Eiser beperkt zijn verzoek tot de kosten die samenhingen met de noodzakelijke aanwezigheid van zijn ex-partner in de behandelcontext. Het is volgens eiser onverenigbaar om noodzakelijkheid als “bijzonder en noodzakelijk” aan te merken en vervolgens de beoordeling feitelijk te laten vervallen bij gebrek aan exactheid, zonder een schattingsbenadering kenbaar te overwegen.
De korpschef had vanwege de bewijsnood moeten beoordelen of de kosten aannemelijk zijn en zij binnen redelijke marges kunnen worden geschat op basis van opnameperioden, locaties, afstanden en aannemelijke frequentie. Door geen schattings- of forfaitaire benadering toe te passen en dit ook niet gemotiveerd te weigeren, heeft de korpschef in strijd gehandeld met de zorgvuldigheids- en motiveringsplicht. Pas in een laat stadium is verjaring als dragende afwijzingsgrond ingezet. Hoewel heroverweging in bezwaar is toegestaan, brengt deze gang van zaken mee dat de korpschef extra kenbaar had moeten motiveren waarom alsnog een beroep op verjaring wordt gedaan.
Uit het interne uitvoeringskader Richtlijn aanpak dossiers restschade volgt als kern dat bij restschade-afwikkeling doorgaans een VSO met finale kwijting wordt gesloten, maar dat rechtspositionele aanspraken op vergoeding van (medische) kosten op grond van artikel 53 (oud) en 54 (oud) van het Barp uitdrukkelijk buiten finale kwijting vallen. Dit bevestigt dat de korpschef zelf werkt met een scheiding van sporen: civielrechtelijke restschade/VSO enerzijds en publiekrechtelijke rechtspositionele aanspraken anderzijds.
De korpschef betrekt bij de draagkrachtbeoordeling mede later uitgekeerde bedragen. Daarmee wordt volgens eiser miskend dat de relevante kosten zijn gemaakt in de periode 1992-1998. De draagkrachttoets dient daarom primair ex-tunc plaats te vinden.
Binnen hetzelfde feitencomplex heeft de korpschef wel historische schadecomponenten vergoed, zonder (absolute) verjaring als blokkade te hanteren. Daarnaast heeft de korpschef in het primaire besluit bij een andere post (medische kosten/eigen risico) bewijsnood geaccepteerd en vergoeding toegekend zonder strikte bewijslevering, juist vanwege het tijdsverloop. Daarom is het niet consistent en onvoldoende gemotiveerd dat de korpschef bij juist deze post wel een harde afsluiter hanteert (bewijsnood/verjaring).
Wat vindt de rechtbank?
Heeft de korpschef zich mogen beroepen op verjaring?
6. De CRvB heeft in zijn uitspraken van 9 april 2015 overwogen dat aanleiding bestaat om bij de beoordeling van de vraag wanneer de ambtenaar in actie had kunnen komen uit een oogpunt van eenvormige rechtstoepassing aansluiting te zoeken bij de verjaringsbepalingen in het BW en de uitleg die de Hoge Raad daaraan geeft. In dit geval gaat het dan in het bijzonder om artikel 3:310 van Pro het BW dat betrekking heeft op rechtsvorderingen tot vergoeding van schade uit onrechtmatige daad. [5] Op grond van artikel 3:310, eerste lid, van het BW, voor zover hier van belang, verjaart een rechtsvordering tot vergoeding van schade uit onrechtmatige daad door verloop van vijf jaar na de aanvang van de dag volgend op de datum waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon of instantie bekend is geworden (de vijfjaarstermijn) en in ieder geval door verloop van twintig jaar na de gebeurtenis waardoor de schade is ontstaan (de absolute verjaringstermijn). Voor het aanvangstijdstip van de absolute verjaringstermijn is beslissend het objectief gegeven tijdstip waarop de gebeurtenis plaatsvond waardoor de schade is veroorzaakt.
6.1.
Niet in geschil is dat de aanvraag van eiser om vergoeding van de reiskosten van zijn ex-partner is gebaseerd op artikel 53 (oud) van het Barp. De rechtbank stelt vast dat voor het verkrijgen door de ambtenaar van een tegemoetkoming in noodzakelijk gemaakte kosten die verband houden met ziekte die de ambtenaar voor zichzelf en zijn medebelanghebbenden heeft gemaakt, niet vereist is dat de ziekte is veroorzaakt door werkgerelateerde omstandigheden.
6.2.
Dat betekent dat eventuele aanspraken op grond van dit artikel een (absolute) verjaringstermijn kennen van twintig jaar nadat de kosten zijn gemaakt. De reiskosten waarvoor eiser een vergoeding heeft gevraagd zijn door hem en zijn ex-partner gemaakt tijdens zijn opnames in de periode van 1992 tot en met juni 1998. Dat betekent dat de verjaringstermijn van twintig jaar in juni 1998 is gestart en geëindigd is in juni 2008. Nu eiser zijn aanvraag om vergoeding van deze kosten voor het eerst op 30 augustus 2024 bij de korpschef kenbaar heeft gemaakt, betekent dit dat de aanspraken van eiser op dat moment reeds zijn verjaard. Eiser had zich binnen twintig jaar na juni 1998 tot de korpschef moeten wenden voor het aanvragen van een vergoeding voor de genoemde reiskosten. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat de 20-jarige verjaringstermijn ziet op afdwingbare schadevergoedingen en niet op een bestuursrechtelijke tegemoetkomingsbevoegdheid bedoeld in artikel 53 (oud) van het Barp. Genoemde bepaling biedt weliswaar een tegemoetkomingsbevoegdheid bij door de ambtenaar gemaakte (ziekte)kosten maar het verzoek tot vergoeding hiervan moet naar het oordeel van de rechtbank op een lijn worden gesteld met een verzoek om schadevergoeding bedoeld in artikel 3:310, eerste lid, van het BW.
6.3.
Voor zover eiser er niet mee bekend was dat de oorzaak voor de reiskosten van zijn ex-partner in de periode van 1992 tot en met juni 1998 lag in de PTSS die door zijn dienstverband bij de politie is ontstaan, overweegt de rechtbank het volgende.
6.3.1.
Bij eiser is voor het eerst in 2019 de diagnose PTSS gesteld. Naar het oordeel van de rechtbank had bij eiser op dat moment in 2019 het vermoeden moeten ontstaan dat deze PTSS was veroorzaakt door de incidenten die hij tijdens zijn dienstverband bij de politie had meegemaakt.
6.3.2.
In zijn arrest van 28 april 2000 [6] heeft de Hoge Raad een aantal gezichtspunten geformuleerd, waarin toepassing van de verjaringstermijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is:
“(a)of het gaat om vergoeding van vermogensschade dan wel van nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, en - mede in verband daarmede - of de gevorderde
schadevergoeding ten goede komt aan het slachtoffer zelf, diens nabestaanden dan wel een derde;
(b)in hoeverre voor het slachtoffer respectievelijk zijn nabestaanden ter zake van de schade een aanspraak op een uitkering uit anderen hoofde bestaat;
(c)de mate waarin de gebeurtenis de aangesprokene kan worden verweten;
(d) in hoeverre de aangesprokene reeds vóór het verstrijken van de verjaringstermijn rekening heeft gehouden of had behoren te houden met de mogelijkheid dat hij voor de schade aansprakelijk zou zijn;
(e)of de aangesprokene naar redelijkheid nog de mogelijkheid heeft zich tegen de vordering te verweren;
(f)of de aansprakelijkheid (nog) door verzekering is gedekt;
(g)of na het aan het licht komen van de schade binnen redelijke termijn een aansprakelijkstelling heeft plaatsgevonden en een vordering tot schadevergoeding is
ingesteld.”
Deze gezichtspunten zijn opgesteld met als doel rechtszekerheid te bieden aan zowel degene die het schadeverzoek in kan dienen als degene die daarvoor aangesproken kan worden.
6.3.3.
Uit het onder g geformuleerde gezichtspunt volgt dat eiser binnen redelijke termijn nadat in 2019 voor het eerst bij hem de diagnose PTSS is gesteld een vordering tot schadevergoeding (hier de reiskosten van zijn ex-partner) bij de korpschef in had moeten dienen. Eiser heeft dat verzoek echter, naar het oordeel van de rechtbank, niet binnen een redelijke termijn gedaan. Hij heeft eerst op 30 augustus 2024, vijf jaar na het stellen van de diagnose PTSS, de korpschef om vergoeding van deze kosten verzocht.
6.3.4.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van een situatie waarin het toepassen van de verjaringstermijn van twintig jaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Dit mede gelet op de rechtszekerheid van de korpschef om geen verzoeken tot schadevergoeding meer te krijgen voor kosten die, in dit geval, bijna 30 jaar eerder zijn gemaakt.
6.4.
Omdat de rechtbank van oordeel is dat de korpschef de aanvraag van eiser terecht op grond van verjaring heeft afgewezen, komt zij niet meer toe aan een inhoudelijke beoordeling van de aanvraag.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hij krijgt daarom het griffierecht niet terug. Eiser krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Klein Egelink, rechter, in aanwezigheid van
mr. H. Peters, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
De rechter is verhinderd de uitspraak te tekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 3:4, tweede lid
De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
Burgerlijk Wetboek
Artikel 3:310, eerste lid
Een rechtsvordering tot vergoeding van schade of tot betaling van een bedongen boete verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade of de opeisbaarheid van de boete als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden, en in ieder geval door verloop van twintig jaren na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt of de boete opeisbaar is geworden.
Artikel 6:2, tweede lid
Een tussen hen krachtens wet, gewoonte of rechtshandeling geldende regel is niet van toepassing, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.
Besluit algemene rechtspositie politie oud
Artikel 53 (oud)
In bijzondere gevallen kan aan de ambtenaar een tegemoetkoming worden verleend in noodzakelijk gemaakte kosten die verband houden met ziekte die de ambtenaar voor zichzelf en zijn medebelanghebbenden heeft gemaakt, indien hierin niet ingevolge een andere regeling wordt voorzien en deze kosten redelijkerwijze niet te zijnen laste kunnen blijven. Het bevoegd gezag kan over de uitvoering van dit artikel regels vaststellen.
Artikel 54, eerste lid (oud)
In geval van ziekte die in overwegende mate haar oorzaak vindt in de aard van de aan de ambtenaar opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht, en die niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid te wijten is, worden hem vergoed de te zijnen laste blijvende, naar het oordeel van het bevoegd gezag noodzakelijk gemaakte kosten van geneeskundige behandeling of verzorging.

Voetnoten

1.De korpschef verwijst naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 9 januari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:51.
2.De korpschef verwijst naar de uitspraken van de CRvB van 21 februari 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BC5625, 23 november 2022 (ECLI:NL:CRVB:2022:2519) en 28 september 2023 (ECLI:NL:CRVB:2023:1822).
3.De korpschef verwijst naar de uitspraken van de CRvB van 23 november 2022 (ECLI:NL:CRVB:2022:2519) en 28 september 2023 (ECLI:NL:CRVB:2023:1822).
4.Eiser verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 28 april 2020 (ECLI:NL:HR:2000:AA5635) en de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 17 maart 2010 (ECLI:NL:RBMID:2010:BO4431).