3.8.Met het bestreden besluit van 30 juli 2024 op het bezwaar van eiseres is de korpschef, in afwijking van het advies van de Bezwaaradviescommissie HRM, bij het besluit van 25 augustus 2023 gebleven.
4. In het bestreden besluit heeft de korpschef onder verwijzing naar rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB)overwogen dat, het in de artikelen 3 en 4 van de Regeling vergoeding beroepsziekten politie (Rvbp) vormgegeven systeem voorziet in een eenmalige beoordeling van de invaliditeit of arbeidsongeschiktheid en in toekenning van een daarop gebaseerde eenmalige smartengelduitkering. De artikelen schrijven voor dat de beoordeling plaatsvindt naar de stand van zaken op dat moment, laatstelijk op het moment dat de vijfjaarstermijn is verstreken. Later ingetreden omstandigheden, of die nu ten voordele of ten nadele van de betrokkene werken, kunnen dat niet anders maken. Eiseres heeft op 12 maart 2015 een verzoek ingediend om erkenning van haar PTSS als beroepsziekte. De beoordeling van het BI-percentage en het arbeidsongeschiktheidspercentage c.q. tweede percentage had naar de stand van zaken op uiterlijk 12 maart 2020 moeten plaatsvinden.
Volgens de korpschef brengt de overschrijding van de termijn van artikel 3 van het Rvbp in het geval van eiseres niet met zich dat ook het arbeidsongeschiktheidspercentage moet worden beoordeeld naar de stand van zaken in 2023. Daarbij acht de korpschef van belang dat de termijnen van artikelen 3 en 4 van het Rvbp geen beslistermijnen zijn,dat aan het einde van de vijfjaarstermijn geen sprake was van arbeidsongeschiktheid van eiseres en dat niet is gebleken dat eiseres is benadeeld, doordat het BI-percentage pas in 2023 is beoordeeld. De klachten gerelateerd aan PTSS zijn met name verergerd in 2021, onder meer als gevolg van het dienstongeval in oktober 2021. In dat jaar is eiseres ook langdurig uitgevallen wegens ziekte en is herstel helaas niet meer mogelijk gebleken. Het is daarom niet onwaarschijnlijk dat het BI-percentage lager was uitgevallen als dit beoordeeld was naar de stand van zaken in 2020. Er zijn bovendien geen aanwijzingen dat er al veel eerder dan in 2020/2021 sprake was van langdurige arbeidsongeschiktheid en dat er om die reden al eerder een WIA-beoordeling had moeten plaatsvinden. Een tijdige afwikkeling van de smartengeldaanvraag had daarom niet tot een voor eiseres gunstiger resultaat geleid, aldus de korpschef.
5. Eiseres betoogt dat de omvang van het smartengeld ten onrechte is vastgesteld aan de hand van het BI-percentage van 15 (het eerste percentage op grond van artikel 3 van de Rvbp) en niet op basis van het tweede percentage op grond van artikel 4 van de Rvbp, berekend aan de hand van het arbeidsongeschiktheidspercentage van het UWV van 80 tot 100, waarnaar bij besluit van 27 juni 2023 de WIA-uitkering is toegekend.
Het BI-percentage kon volgens eiseres in haar geval niet anders dan naar de stand van zaken van 2023 worden beoordeeld, omdat deze keuring is voorgeschreven alvorens er tot een uitkering kan worden gekomen
.Pas na deze keuring (ex nunc),wordt conform artikel 4 van het Rvbp een tweede percentage vastgesteld. Het tweede percentage kan dus pas worden vastgesteld, nadat het eerste percentage is vastgesteld. Verwezen wordt naar de formulering in artikel 3 van de Rvbp, uitspraken van de CRvB over dit artikel,de formulering in artikel 4, eerste lid, laatste regel, van het Rvbpen de artikelsgewijze toelichting op de artikelen 3 en 4 van en de Rvbp.Dat de termijnen geen beslistermijnen zijn is daarbij irrelevant, aldus eiseres.
De korpschef heeft in het bestreden besluit overwogen dat eiseres niet is benadeeld door de vaststelling van het BI-percentage in 2023, in plaats van in 2020, omdat de PTSS is verergerd in 2021. Deze redenering gaat er volgens eiseres opnieuw ten onrechte vanuit dat het peilmoment voor de bepaling van de omvang van het smartengeld als gevolg van arbeidsongeschiktheid, precies op vijf jaar na de datum van de aanvraag om erkenning van de beroepsziekte moet worden gelegd. Pas na het BI-percentage wordt het arbeidsongeschiktheidspercentage vastgesteld. Verder zit achter de termijn van vijf jaar een beschermingsgedachte voor de ambtenaar. In het bijzonder mag door de korpschef niet worden gewacht op een verdere verbetering van de medische situatie, omdat dat in het nadeel van de ambtenaar zou zijn. Voor de vaststelling van het eerste percentage is in de toelichting op artikel 3 van het Rvbp een termijn opgenomen, maar voor het bepalen van het tweede percentage is dat niet het geval. Op voorhand weet men namelijk niet wanneer het eerste percentage bepaald zal zijn. Voor het tweede percentage moet, op grond van artikel 4 van het Rvbp, gekeken worden naar de meest recente informatie die van het UWV voorhanden was op het moment van het nemen van het bestreden besluit en na de vaststelling van het BI-percentage. Eiseres heeft in dit kader ten slotte een beroep gedaan op de uitspraak van Rechtbank Midden-Nederland van 11 april 2024.In die zaak oordeelde de rechtbank volgens eiseres dat de korpschef (die ook in die zaak de termijnen had overschreden) zelfs had moeten wachten op de IVA-aanvraag, terwijl in de zaak van eiseres de WIA-uitkering al was toegekend maanden voordat het smartengeldbesluit werd genomen.
6. Conform rechtspraak van de CRvBwordt op een aanvraag om smartengeld op grond van artikel 54a van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp), in overeenstemming met de hoofdregel van het bestuursrecht, beslist met toepassing van het recht zoals dat geldt op het moment van beslissen op de aanvraag. Tussen partijen is het van toepassing zijnde recht ook niet in geschil.