ECLI:NL:CRVB:2019:607
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Bevestiging toekenning smartengeld dienstongeval politie op basis van actuele regelgeving
Betrokkene, werkzaam bij de politie, raakte op 31 december 2015 betrokken bij een dienstongeval dat door de korpschef werd erkend. De korpschef kende op basis van artikel 54a van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) smartengeld toe, maar het toegekende bedrag werd betwist door betrokkene.
De rechtbank Noord-Holland oordeelde dat het smartengeld berekend moest worden op basis van het in 2017 geldende maximumbedrag van €161.555,- en wees het bezwaar van de korpschef tegen de loonstrook af. De korpschef ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat de aanspraak op smartengeld een bestuursrechtelijke rechtspositionele aanspraak betreft, waarbij het toepasselijke recht het recht is dat geldt op het moment van de beslissing op de aanvraag. De Raad verwierp het argument van de korpschef dat het jaar van het ongeval bepalend zou zijn.
De Raad bevestigde dat het smartengeld in maart 2017 moest worden vastgesteld op basis van het toen geldende maximumbedrag van €161.555,-, wat resulteerde in een toekenning van €1.615,55 aan betrokkene. Het hoger beroep werd verworpen en de korpschef werd veroordeeld in de proceskosten van betrokkene.
Uitkomst: Het hoger beroep van de korpschef wordt afgewezen en de toekenning van smartengeld op basis van het in 2017 geldende maximumbedrag wordt bevestigd.