Eiser heeft beroep ingesteld tegen de gedeeltelijke afwijzing van zijn aanvraag voor een tijdelijke tegemoetkoming op grond van de Regeling tijdelijke tegemoetkoming rijnvarenden. De minister had de aanvraag gedeeltelijk toegewezen voor de jaren 2010 en 2011, maar afgewezen voor de periode vóór 1 mei 2010 en voor het jaar 2012, omdat eiser niet voldeed aan de voorwaarden dat hij in dat jaar Nederlandse premie volksverzekeringen verschuldigd was.
De rechtbank oordeelt dat de Regeling terecht beperkt is tot de periode van 1 mei 2010 tot en met 31 december 2015, mede vanwege de Rijnvarendenovereenkomst die met terugwerkende kracht per 1 mei 2010 is ingevoerd. De rechtbank stelt vast dat de Regeling een algemeen verbindend voorschrift is en dat de minister geen discretionaire bevoegdheid heeft om hiervan af te wijken. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel slaagt niet omdat eiser onvoldoende heeft aangetoond dat hij in een vergelijkbare situatie verkeert als anderen die wel een tegemoetkoming ontvingen.
Verder oordeelt de rechtbank dat eiser over 2012 geen recht heeft op een tegemoetkoming omdat hij per saldo geen Nederlandse premie volksverzekeringen verschuldigd was, aangezien het premiedeel van de heffingskortingen hoger was dan de berekende premie. Tot slot wordt vastgesteld dat de redelijke termijn voor de behandeling van het bezwaar en beroep is overschreden, waardoor eiser recht heeft op een schadevergoeding van € 1.000, waarvan € 100 ten laste van de minister en € 900 ten laste van de Staat. Ook wordt eiser een proceskostenvergoeding toegekend.