Eiseres, voormalig inpakmedewerker, viel in 2006 uit wegens gezondheidsklachten en kreeg een WIA-uitkering wegens volledige arbeidsongeschiktheid. In 2020 verzocht zij herbeoordeling vanwege toegenomen klachten, maar het UWV stelde dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en beëindigde haar uitkering per 28 december 2020. Eiseres maakte bezwaar en stelde beroep in bij de rechtbank.
De rechtbank schakelde een onafhankelijke medisch deskundige in na vaststelling dat het eerdere onderzoek onvolledig was. Deze deskundigen concludeerden dat eiseres een persisterende depressieve stoornis heeft met beperkingen, maar niet zodanig dat haar functionele mogelijkhedenlijst (FML) moest worden aangepast. Het UWV kon zich vinden in deze conclusies, terwijl eiseres dit betwistte.
De rechtbank oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig en volledig was en dat de beperkingen van eiseres juist waren vastgesteld. De geselecteerde voorbeeldfuncties werden als passend beoordeeld, ondanks bezwaren van eiseres over taal en actualiteit. Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en bleef het besluit tot beëindiging van de WIA-uitkering in stand.
Daarnaast verzocht eiseres om een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelde vast dat de procedure bij de rechtbank 11 maanden te lang had geduurd, mede door verzoeken van eiseres en haar gemachtigde om uitstel. De Staat werd veroordeeld tot betaling van €1.000,- schadevergoeding en €218,75 aan proceskosten voor het schadeverzoek.
De uitspraak werd gedaan door rechter J.R. van Es-de Vries op 20 september 2024, waarbij partijen werden geïnformeerd over de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.