ECLI:NL:RBGEL:2025:11225

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
440202
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot schadevergoeding wegens te late aansluiting op het elektriciteitsnet door Liander N.V.

In deze zaak vordert de vennootschap onder firma [eiser 1] schadevergoeding van Liander N.V. wegens een te late aansluiting op het elektriciteitsnet. De aanvraag voor een kleinverbruiksaansluiting werd op 15 juli 2022 ingediend, maar de aansluiting vond pas plaats op 4 april 2024. [eiser 1] stelt dat Liander in strijd heeft gehandeld met de Elektriciteitswet door de aansluiting niet binnen de wettelijke termijn van achttien weken te realiseren. Liander betwist dit en stelt dat de termijn niet van toepassing was omdat er een netuitbreiding nodig was. De rechtbank oordeelt dat de achttien-wekentermijn niet als bovengrens geldt en dat Liander de aansluiting binnen een redelijke termijn heeft gerealiseerd. De rechtbank wijst de vorderingen van [eiser 1] af, omdat Liander niet in gebreke is gebleven en aan haar aansluit- en transportplicht heeft voldaan. De rechtbank concludeert dat de communicatie van Liander weliswaar gebrekkig was, maar dit leidt niet tot aansprakelijkheid. [eiser 1] wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/440202 / HA ZA 24-441
Vonnis van 17 december 2025
in de zaak van

1.de vennootschap onder firma [eiser 1] ,

gevestigd te [plaats 1] , gemeente [plaats 2] ,
2.
[eiser 2],
in hoedanigheid van vennoot van [eiser 1] ,
wonende te [plaats 3] ,
3.
[eiser 3],
in hoedanigheid van vennoot van [eiser 1] ,
wonende te [plaats 3] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eiser 1] ,
advocaat: mr. J.F. Hoff,
tegen
LIANDER N.V.,
gevestigd te Arnhem,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Liander,
advocaat: mr. J.E. Janssen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 4 december 2024 waarbij mondelinge behandeling is bepaald;
- het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 16 april 2025.
1.2.
Ten slotte is opnieuw vonnis bepaald.

2.De zaak in het kort

2.1.
Op 15 juli 2022 is voor een pand van [eiser 1] een aanvraag bij Liander ingediend voor een kleinverbruiksaansluiting. Op 4 april 2024 is dit pand door Liander aangesloten op het elektriciteitsnet. [eiser 1] vindt dat Liander haar niet op tijd heeft aangesloten op het elektriciteitsnet en daardoor in strijd met artikel 23 of 24 van de Elektriciteitswet heeft gehandeld. Op basis van wanprestatie en onrechtmatige daad vordert [eiser 1] de schade die zij heeft geleden doordat zij een noodaggregaat heeft moeten huren voor de bouw en ingebruikneming van het pand.
2.2.
Liander meent dat zij niet in strijd met artikel 23 of 24 Elektriciteitswet heeft gehandeld. Onder andere voert zij aan dat de termijn van achttien weken uit artikel 23 lid 4 Elektriciteitswet niet van toepassing is in het geval dat voor de aansluiting een netuitbreiding nodig is. Nadat de netuitbreiding was gerealiseerd, is het pand van [eiser 1] binnen enkele dagen aangesloten en is transport aangeboden. Ook betoogt zij dat zij niet kon aansluiten zolang [eiser 1] niet had voldaan aan haar verplichting uit artikel 2.11 Netcode elektriciteit (Nce) om een meterkast te realiseren.
2.3.
De rechtbank zal Liander in het gelijk stellen en de vorderingen van [eiser 1] afwijzen. Liander hoefde het pand van [eiser 1] niet binnen achttien weken aan te sluiten, omdat die termijn niet meer van toepassing is. Liander heeft het pand vervolgens wel binnen redelijke termijn aangesloten op het net en transport aangeboden. Zij heeft daarom niet in strijd gehandeld met artikel 23 of 24 Elektriciteitswet. De rechtbank zal hierna toelichten hoe zij tot deze oordelen is gekomen.

3.De feiten

3.1.
De vennootschap onder firma [eiser 1] is een zelfstandig administratie- en advieskantoor. De heer [eiser 2] en mevrouw [eiser 3] zijn haar vennoten.
3.2.
Liander is netbeheerder in de zin van artikel 10 lid 9 Elektriciteitswet. Liander verzorgt de realisatie van aansluitingen en het transport van elektriciteit op het door haar beheerde elektriciteitsnet, onder andere in het gebied waar [eiser 1] is gevestigd.
3.3.
[eiser 1] heeft in 2020 besloten om een energieneutraal pand te bouwen aan de [adres+woonplaats 1] . [eiser 1] heeft Dura Vermeer Bouw Hengelo B.V. (hierna: Dura Vermeer) opdracht gegeven voor de bouw van dit pand. De bouw is op 7 december 2022 gestart. [eiser 1] heeft dit pand in september 2023 in gebruik genomen en een noodaggregaat gehuurd om te voorzien in elektriciteit.
3.4.
Op 15 juli 2022 is op naam van Loonbedrijf [bedrijf] (hierna: [bedrijf] ) een gecombineerde aanvraag gedaan voor een permanente kleinverbruikaansluiting voor het (nog te realiseren) pand aan de [adres+woonplaats 1] en voor een pand aan de [adres+woonplaats 2] . [bedrijf] is de eigenaar van het pand aan de [adres+woonplaats 2] . Bij deze aanvraag is week 41 van 2022 als gewenste uitvoeringsweek aangegeven. Onder het kopje ‘Opmerking’ is vermeld:
“er ligt nu niks dus snap dat het langer duurt maar graag wel zo snel mogelijk.” Op deze gecombineerde aanvraag is voor [adres+woonplaats 1] bij vergissing gevraagd om een voorziening van 3x40 ampère in plaats van de gewenste 3x80 ampère. [bedrijf] heeft Liander op 1 november 2022 bericht dat dit moest worden gecorrigeerd.
3.5.
Direct na ontvangst van de aanvraag heeft Liander op 15 juli 2022 de opdracht aan [bedrijf] bevestigd met een automatisch gegenereerd opdrachtdocument. In dit opdrachtdocument heeft Liander gewaarschuwd voor vertraging in de werkzaamheden:
“Mogelijk geldt er voor uw locatie een transportbeperking. Dit betekent dat u mogelijk geen of beperkt transport van energie aangeboden wordt (…). In dat geval wordt u hierover geïnformeerd door Liander.
(…) Let op: Het aantal aanvragen voor aanpassingen aan de energieaansluiting neemt enorm toe. Tegelijkertijd is er een tekort aan technisch personeel. Hierdoor lukt het niet altijd om 15 werkdagen voor uw voorkeursweek contact op te nemen.
(…) We werken hard aan de uitbreiding van ons net. Helaas kan dit niet op alle plekken tegelijk. Hierdoor kan het voorkomen dat het langer duurt voor wij uw aanvraag kunnen uitvoeren. (…) ”
3.6.
Op het moment van de aanvraag lag op het bedrijventerrein waar de [straatnaam] toe behoort, nog geen laagspanningsnet van Liander. De dichtstbijzijnde al aanwezige laagspanningsnetkabel die deel uitmaakte van het laagspanningsnet van Liander bevond zich ongeveer 250 meter ten zuiden van de [adres+woonplaats 1] .
3.7.
Liander heeft via het interne GAIA-programma berekend wat er gebeurt als [adres+woonplaats 1] en 7 vanaf augustus 2022 zouden worden aangesloten op de laagspanningsnetkabel. Uit die berekening volgt dat de spanningsvastheid wordt berekend op 205 volt voor [adres+woonplaats 1] en 206 volt voor [adres+woonplaats 2] . Daarmee valt de spanningsvastheid onder de in de Nce vastgestelde ondergrens van 207 volt.
3.8.
Liander heeft de aanvraag op 5 september 2022 in behandeling genomen.
3.9.
[eiser 1] en haar aannemer Dura Vermeer hebben vanaf eind september 2022 herhaaldelijk contact met Liander gezocht om te informeren naar de stand van zaken.
3.10.
Op 31 oktober 2022 heeft de werkvoorbereider van Liander aan Dura Vermeer laten weten dat een nieuw algemeen voedingspunt (AVP) nodig is en dat dit AVP gerealiseerd zal worden in het derde kwartaal van 2023. Liander heeft telefonisch meegedeeld dat de voor [eiser 1] gevraagde aansluiting medio het derde kwartaal van 2023 zal worden gerealiseerd.
3.11.
[eiser 1] heeft op 11 november 2022 en 14 december 2022 schriftelijk klachten ingediend bij Liander over (kort gezegd) de doorlooptijd van de aanvraag. Zij heeft Liander erop gewezen dat de wettelijke aansluittermijn achttien weken bedraagt.
3.12.
Op 22 december 2022 heeft Liander de eerste klacht ongegrond verklaard. Volgens haar is er onvoldoende transportcapaciteit beschikbaar. Er is een nieuw AVP nodig en een uitbreiding van het middenspanningsnet (MS-net). Liander verwacht dat het net in juli 2023 is uitgebreid, waarna [eiser 1] aangesloten kan worden.
3.13.
Op 30 december 2022 heeft Liander de tweede klacht ongegrond verklaard en over de vertraging het volgende toegelicht:
“Wij kunnen de werkzaamheden op dit moment niet opnieuw inplannen en uitvoeren. Onze belangrijkste leveranciers kunnen de meter die we hiervoor nodig hebben namelijk niet leveren. Dat komt door het wereldwijde tekort aan materiaal om de meters te maken. (…)”
3.14.
In de periode januari tot juni 2023 hebben [eiser 1] en Dura Vermeer telefonisch contact gezocht met Liander over onder meer de status van de aanvraag.
3.15.
Op 14 juni 2023 heeft Liander aan [eiser 1] laten weten dat een trafo moet worden geplaatst, dat er leveringsproblemen zijn voor de trafo en dat de werkzaamheden nu gepland staan voor februari 2024.
3.16.
Op 20 september 2023 heeft Liander aan [eiser 1] laten weten dat er een stuk grond is toegewezen voor de plaatsing van het nieuwe AVP en dat de gemeente [plaats 2] hiervoor akkoord heeft gegeven. De levertermijn van het AVP, dat ‘nu (…) net besteld’ is, is erg lang en bepaalt de verdere planning, zo heeft Liander geschreven. Een voorlopige planning zal aan [eiser 1] worden teruggekoppeld.
3.17.
Op 16 oktober 2023 heeft [eiser 1] Liander aansprakelijk gesteld voor de door haar geleden en nog te lijden schade, op dat moment begroot op € 36.442,44.
3.18.
Op 26 oktober 2023 heeft Liander aan [eiser 1] bevestigd dat het AVP eind januari 2024 kan worden geleverd en dat de werkzaamheden – het leggen van de laagspanningsnetkabels – daarna nog ongeveer een maand in beslag zullen nemen.
3.19.
Op 30 oktober 2023 heeft Liander aan [eiser 1] een offerte met opdrachtbevestiging en een conceptfactuur verstrekt. [eiser 1] heeft per e-mail van 31 oktober 2023 akkoord gegeven op deze offerte en opdrachtbevestiging.
3.20.
Op 2 november 2023 heeft [eiser 1] de door haar en [bedrijf] ondertekende opdrachtbevestiging retour gestuurd. In die opdrachtbevestiging is als gewenste week van uitvoering door haar en [bedrijf] ingevuld
“zo snel als mogelijk”. In de opdrachtbevestiging heeft Liander geschreven dat de gekozen week – de eerste week van 2024 – niet kan worden gegarandeerd.
3.21.
In oktober tot begin december 2023 heeft [eiser 1] bij Liander aangedrongen op een inhoudelijke reactie op haar aansprakelijkstelling, maar heeft Liander herhaaldelijk laten weten dat dat nog niet mogelijk is. Op 6 december 2023 heeft Liander laten weten dat naar een alternatieve oplossing wordt gezocht. Op 29 december 2023 heeft zij aansprakelijkheid afgewezen, welk standpunt zij in de daaropvolgende correspondentie tussen partijen heeft herhaald.
3.22.
Op 4 april 2024 heeft Liander het pand van [eiser 1] aan de [adres+woonplaats 1] aangesloten op het elektriciteitsnet. Vanaf 5 april 2024 heeft [eiser 1] geen gebruik meer gemaakt van een noodaggregaat.
3.23.
Over de kosten van het noodaggregaat dat [eiser 1] heeft gehuurd in de periode waarin zij niet op het net was aangesloten zijn partijen niet tot een regeling gekomen.

4.Het geschil

4.1.
[eiser 1] vordert – samengevat en na vermindering van eis tijdens de mondelinge behandeling – Liander bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad te veroordelen tot betaling aan [eiser 1] van een bedrag van primair en subsidiair € 64.990,78, meer subsidiair € 62.479,58 en uiterst subsidiair € 5.909,24, te vermeerderen met (handels)rente en kosten.
4.2.
[eiser 1] stelt dat Liander onrechtmatig tegenover haar heeft gehandeld op grond van artikel 6:162 BW dan wel is tekortgeschoten in haar aansluitplicht (artikel 23 Elektriciteitswet jo. artikel 8 Codebesluit aansluittermijnen elektriciteit kleine aansluitingen, hierna: codebesluit) en transportplicht (artikel 24 Elektriciteitswet). Zij stelt dat Liander haar pand aan de [adres+woonplaats 1] pas heeft aangesloten na het verstrijken van de termijn van achttien weken. De aansluiting had daarom moeten worden gerealiseerd binnen achttien weken:
  • primair: nadat [eiser 1] de aanvraag heeft ingediend (in dit geval: 15 juli 2022),
  • subsidiair: na de offerte van Liander, welke offerte uiterlijk tien werkdagen na de aanvraag had moeten zijn aangeboden (in dit geval: 28 juli 2022),
  • meer subsidiair: vanaf de datum waarop Liander de aanvraag in behandeling heeft genomen (in dit geval: 5 september 2022),
  • uiterst subsidiair: nadat [eiser 1] de offerte heeft geaccepteerd (in dit geval: 2 november 2023).
In alle gevallen heeft Liander haar niet binnen de termijn aangesloten. Liander heeft daarnaast niet voldaan aan haar transportverplichting omdat, zo begrijpt althans de rechtbank, zij haar pas transport heeft aangeboden nadat haar pand was aangesloten op het net. Als gevolg daarvan heeft [eiser 1] de onder r.o. 4.1 vermelde schade geleden. Deze bestaat uit de kosten van huur en diesel van het noodaggregaat dat zij heeft moeten gebruiken gedurende de periode waarin het pand niet was aangesloten op het net.
4.3.
Liander concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser 1] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser 1] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser 1] in de kosten van deze procedure. Liander betwist dat zij is gehouden om binnen een termijn van achttien weken de aansluiting te realiseren en ook overigens dat zij niet tijdig aan haar aansluit- en transportplicht heeft voldaan. Zij betwist daarmee dat zij onrechtmatig heeft gehandeld dan wel wanprestatie heeft gepleegd. Ook betwist zij de hoogte van de schade.
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

5.1.
Kern van het geschil tussen partijen is de vraag of Liander het pand van [eiser 1] binnen redelijke termijn heeft aangesloten op het net. De aanvankelijke aanvraag om aansluiting op het net is op 15 juli 2022 ingediend. Volgens Liander moest eerst het net worden uitgebreid. Deze uitbreiding is op 31 maart 2024 voltooid, waarna het pand op 4 april 2024 is aangesloten op het net. Uitgaande van de aanvankelijke aanvraag heeft het aldus bijna twee jaar geduurd voordat de aansluiting is gerealiseerd. Hoewel niet in geschil is dat dit lang is, is het wel de vraag of dit onredelijk lang is volgens de wet en Liander daardoor schadeplichtig is.
5.2.
De rechtbank zal hierna eerst beoordelen of [eiser 1] als contractspartij kan worden aangemerkt en hoe beide gestelde rechtsgronden zich tot elkaar verhouden. Vervolgens zal zij beoordelen of de achttien-wekentermijn van toepassing is, of de netuitbreiding onderdeel uitmaakt van de redelijke aansluittermijn, of de werkzaamheden voor die netuitbreiding noodzakelijk waren, of Liander [eiser 1] binnen redelijke termijn heeft aangesloten en tot slot of Liander aan haar transportplicht heeft voldaan.
[eiser 1] geldt als contractspartij
5.3.
Partijen zijn het oneens over het antwoord op de vraag of tussen [eiser 1] en Liander een overeenkomst tot stand is gekomen, op basis waarvan Liander was gehouden om een aansluiting voor de [adres+woonplaats 1] te realiseren en in stand te houden en om het transport van elektriciteit te verzorgen, tegen betaling van de daarvoor geldende tarieven door [eiser 1] . Hoewel Liander betwist dat [eiser 1] haar contractuele wederpartij is, heeft zij tijdens de mondelinge behandeling met zoveel woorden verklaard hieraan geen rechtsgevolgen te willen verbinden. Voor het vervolg gaat de rechtbank er daarom van uit dat Liander jegens [eiser 1] was gehouden tot het realiseren en in stand houden van de aansluiting te realiseren en verzorgen van het transport.
De vordering is niet toewijsbaar op grond van onrechtmatige daad
5.4.
Voor de ingestelde rechtsgronden geldt het volgende. Een gedraging kan naast wanprestatie ook een onrechtmatige daad opleveren als de gedraging onafhankelijk van de schending van de verbintenis is aan te merken als een onrechtmatige daad. [1] Als de geschonden norm uitsluitend voortvloeit uit de overeenkomst, dan kan de vordering alleen toewijsbaar zijn op grond van wanprestatie en niet ook op grond van onrechtmatige daad; als de geschonden norm ook een algemene zorgvuldigheidsnorm is, dan kan de vordering ook toewijsbaar zijn op grond van onrechtmatige daad.
5.5.
In dit geval verwijt [eiser 1] Liander haar pand niet tijdig, dat wil zeggen binnen achttien weken, te hebben aangesloten op het net. Die termijn baseert zij op (de toen nog geldende tekst van) artikel 23 lid 4 Elektriciteitswet en het codebesluit. Liander is gehouden het pand van [eiser 1] aan te sluiten op het net omdat zij zich daartoe bij overeenkomst met [eiser 1] heeft verbonden. Daarbij dient zij de wettelijke termijn in acht te nemen, nu partijen daarover niets anders zijn overeengekomen. Dit is aldus een door de overeenkomst geschapen norm. Het voorgaande geldt eveneens voor zover [eiser 1] haar vordering heeft gegrond op artikel 24 Elektriciteitsnet, nu de daarin opgenomen norm eveneens tussen partijen van toepassing is omdat Liander zich daartoe op grond van de overeenkomst jegens [eiser 1] heeft verbonden. Van een zelfstandige onrechtmatige daad is dan ook geen sprake, zodat de vordering niet op die grond toewijsbaar is. Dit ligt mogelijk anders ten aanzien van het standpunt dat de communicatie gebrekkig was, maar voor zover [eiser 1] heeft beoogd die stelling aan haar vordering ten grondslag te leggen heeft zij die onvoldoende onderbouwd (zie ook hierna onder r.o. 5.32 en 5.33).
5.6.
De rechtbank zal de vordering hierna beoordelen op grond van artikel 6:74 BW.
Het wettelijk kader
5.7.
Artikel 16 Elektriciteitswet draagt Liander als netbeheerder onder meer de taak op om netten aan te leggen, te herstellen, te vernieuwen of uit te breiden (sub c), op de grondslag van artikel 23 derden te voorzien van een aansluiting op de netten (sub e) en op de grondslag van artikel 24 ten behoeve van derden transport van elektriciteit uit te voeren (sub f).
5.8.
Op grond van artikel 23 lid 1 Elektriciteitswet is Liander verplicht om de aanvrager te voorzien van een aansluiting op het door haar beheerde net tegen een tarief en tegen andere voorwaarden die in overeenstemming zijn met de Elektriciteitswet. Lid 4 bepaalt dat een aansluiting binnen redelijke termijn wordt gerealiseerd. Tot 22 februari 2025 was hieraan toegevoegd dat deze termijn in ieder geval is verstreken wanneer de gevraagde aansluiting niet is gerealiseerd binnen achttien weken nadat het verzoek om aansluiting bij haar is ingediend. Deze termijn was ook opgenomen in het codebesluit en is vervolgens gecodificeerd in artikel 8.11 Nce.
5.9.
Het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) heeft het codebesluit in haar beslissing van 17 september 2024 vernietigd voor wat betreft de daarin genoemde aansluittermijnen. [2] De aansluittermijn van achttien weken is vervolgens ook bij koninklijk besluit van 17 februari 2025 [3] uit de Elektriciteitswet geschrapt. Als gevolg hiervan resteert in lid 4 sinds 22 februari 2025 enkel de bepaling dat een aansluiting binnen redelijke termijn wordt gerealiseerd.
5.10.
Artikel 24 lid 1 Elektriciteitswet verplicht Liander om de aanvrager een aanbod te doen om met gebruikmaking van het door haar beheerde net ten behoeve van de aanvrager transport van elektriciteit uit te voeren tegen een tarief en tegen andere voorwaarden die in overeenstemming zijn met de Elektriciteitswet. De verplichting geldt volgens lid 2 niet voor zover Liander voor het gevraagde transport redelijkerwijs geen capaciteit ter beschikking heeft.
De achttien-wekentermijn geldt niet als bovengrens
5.11.
Tussen partijen is niet in geschil dat zij geen termijn voor het tot stand brengen van de aansluiting zijn overeengekomen. [eiser 1] heeft weliswaar verklaard dat zij gerechtvaardigd mocht vertrouwen dat die termijn gold, maar zij heeft niet gesteld dat deze termijn was overeengekomen. Uitgangspunt is daarom de termijn van artikel 23 lid 4 Elektriciteitswet. De vraag is echter welke versie van de wettekst geldt: die met of zonder achttien weken als bovengrens van de redelijke termijn.
5.12.
In de periode waarin [eiser 1] Liander voor het eerst heeft verzocht om haar aan te sluiten tot het moment dat zij was aangesloten op het net gold de oude versie van artikel 23 lid 4 Elektriciteitswet. Daarin stond dat de netbeheerder een aansluiting realiseert binnen een redelijke termijn en dat deze redelijke termijn in ieder geval is verstreken wanneer de gevraagde aansluiting niet is gerealiseerd binnen achttien weken nadat het verzoek om een aansluiting bij de netbeheerder is ingediend. Na de dagvaarding en voor de mondelinge behandeling is artikel 23 lid 4 Elektriciteitswet door een wetswijziging veranderd. Sinds 22 februari 2025 staat de achttien-wekentermijn daar niet meer in, zoals bij de mondelinge behandeling ook aan de orde is geweest.
5.13.
Deze achttien-wekentermijn is uit de wet gehaald zonder overgangsregeling. Ook in de beslissing van het CBb die heeft geleid tot gedeeltelijke vernietiging van het codebesluit is daarover niets overwogen. De rechtbank is van oordeel dat het nu geschrapte deel van de wetsbepaling wegens strijd met artikel 47 Handvest [4] niet van toepassing is op de hier relevante periode en licht dit als volgt toe.
5.14.
De achttien-wekentermijn is in 2004 bij amendement aan de Elektriciteitswet toegevoegd. Uit rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) volgt echter dat het in strijd is met de Elektriciteitsrichtlijn 2009/72 [5] en de Elektriciteitsrichtlijn 2019/944 [6] om een termijn als deze achttien-wekentermijn op te nemen in de wet. [7] De bevoegdheid om voorwaarden met betrekking tot de aansluiting vast te stellen, berust namelijk bij de Autoriteit Consument en Markt (hierna: ACM) als nationale regulerende instantie en niet bij de formele wetgever. De uiterste termijn voor omzetting van Elektriciteitsrichtlijn 2009/72 in het nationale recht verstreek op 3 maart 2011 [8] en voor Elektriciteitsrichtlijn 2019/944 op 31 december 2020. [9] De achttien-wekentermijn had in de hier relevante periode daarom niet meer in de wet mogen staan, maar het heeft tot 22 februari 2025 geduurd voordat de termijn uit de wet werd gehaald.
5.15.
Een niet of niet tijdig geïmplementeerde richtlijn kan doorwerken in het nationale recht door richtlijnconforme uitleg van het nationale recht of door rechtstreekse werking. Richtlijnconforme uitleg is in dit geval niet mogelijk, omdat in de Elektriciteitsrichtlijnen geen aansluittermijn staat genoemd en de nationale wetgever heeft in de oude versie van artikel 23 lid 4 Elektriciteitswet een harde termijn van achttien weken opgenomen. Partijen moeten erop kunnen vertrouwen dat die termijn geldend is. Aan de Elektriciteitsrichtlijnen kan ook geen rechtstreekse werking worden toegekend, alleen al omdat niet is voldaan aan het daarvoor geldende vereiste dat de betreffende bepalingen voldoende nauwkeurig, duidelijk en onvoorwaardelijk zijn. [10]
5.16.
De nationale rechter dient echter wel de rechtsbescherming te verzekeren die voor rechtzoekenden uit artikel 47 Handvest voortvloeit en de volle werking van die bepaling te waarborgen door – voor zover nodig – elke daarmee strijdige nationale bepaling buiten toepassing te laten. De rechtbank sluit zich aan bij jurisprudentie van het hof dat de oude wettekst van artikel 23 lid 4 Elektriciteitswet afbreuk doet aan het in artikel 47 Handvest neergelegde recht van Liander op een doeltreffende voorziening in rechte. De mogelijkheden die Liander in deze procedure ten dienste staan verschillen immers kort gezegd met die in een bestuursrechtelijke procedure en bieden niet een gelijkwaardige doeltreffende voorziening zoals die door het Handvest moet worden gewaarborgd. [11]
5.17.
De conclusie is dat de achttien-wekentermijn als bovengrens buiten toepassing moet worden gelaten. Dit betekent dat Liander de aansluiting diende te realiseren binnen een redelijke termijn, zoals bepaald in artikel 23 lid 4 Elektriciteitswet, zonder dat daarvoor een bovengrens geldt.
De netuitbreiding was noodzakelijk
5.18.
Vervolgens is de vraag of Liander het pand van [eiser 1] binnen redelijke termijn heeft aangesloten, dat wil zeggen zonder dat daarbij een maximum van achttien weken of een andere concrete duur geldt. De rechtbank gaat er althans van uit dat [eiser 1] dat heeft bedoeld te stellen bij gebreke van een specifieke termijn, nu zij artikel 23 lid 4 Elektriciteitswet aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd. Voor het antwoord op die vraag is van belang in hoeverre de werkzaamheden die volgens Liander nodig waren om het net uit te breiden tot een onredelijke verlenging van de aansluittermijn hebben geleid. Met die werkzaamheden was immers een substantieel deel van de tijd gemoeid die het heeft gekost om de aansluiting te realiseren.
5.19.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft Liander toegelicht dat zij het pand van [eiser 1] had kunnen aansluiten op het elektriciteitsnet zonder dat deze geschikt zou zijn om daarover vervolgens elektriciteit te transporteren. Zij licht toe dat het transport in die situatie ‘op nul’ zou worden gezet c.q. de spanningskwaliteit niet zou kunnen worden gewaarborgd. In dat geval was het pand binnen aanzienlijk kortere termijn aangesloten, maar had [eiser 1] niet (via een door haar te contracteren energieleverancier) over de benodigde elektriciteit beschikt. Liander heeft er echter voor gekozen om eerst het net uit te breiden, omdat op dat moment onvoldoende capaciteit beschikbaar was op het bestaande net. [eiser 1] heeft niet weersproken dat Liander deze keuze met deze gevolgen kan maken, maar wel dat het noodzakelijk was om het net uit te breiden.
5.20.
Aan de hand van een schematische weergave van de situatie ter plaatse heeft Liander uitgelegd dat op het nog grotendeels onbebouwde bedrijventerrein waarop [eiser 1] haar nieuwe pand heeft gerealiseerd geen laagspanningsnet (LS-net) aanwezig was. De dichtstbijzijnde LS-netkabel bevond zich op 250 meter ten zuiden van de locatie van het nieuwe pand. Liander heeft een nieuw AVP (dat wil zeggen transformatorruimte) gerealiseerd en het MS-net uitgebreid. Het AVP transformeert middenspanning naar laagspanning en houdt ook de spanningskwaliteit op beide netten binnen de in de Nce gestelde grenzen. Vanuit het AVP heeft zij een hoofdkabel aangelegd waarop onder andere het pand van [eiser 1] is aangesloten.
5.21.
Tussen partijen staat vast dat uit de GAIA-berekening volgt dat de spanningsvastheid zou zakken naar 205 volt voor [adres+woonplaats 1] en 206 volt voor [adres+woonplaats 2] als [adres+woonplaats 1] en 7 vanaf augustus 2022 waren aangesloten op de dichtbijgelegen laagspanningsnetkabel. Daarmee valt de spanningsvastheid onder de in de Nce vastgestelde ondergrens van 207 volt.
5.22.
Liander heeft voldoende onderbouwd dat deze berekening juist en betrouwbaar is. Liander heeft tijdens de mondelinge behandeling uitgelegd dat zij de GAIA-berekening die destijds in 2022 is gemaakt om de transportcapaciteit voor [adres+woonplaats 1] en [adres+woonplaats 2] te berekenen, niet heeft bewaard. Daarom is in oktober 2024 een nieuwe GAIA-berekening gemaakt om de situatie op het net in augustus 2022 te reconstrueren. De rechtbank is het met Liander eens dat het in oktober 2024 geen zin had om een berekening te maken op basis van de omgewisselde aansluitingen, omdat in augustus 2022 nog niet bekend was dat voor [adres+woonplaats 1] bij vergissing gevraagd was om een voorziening van 3x40 ampère in plaats van de gewenste 3x80 ampère (zie hiervoor onder r.o. 3.4). Bij het maken van de berekening in 2024 was deze vergissing al bijna twee jaar gecorrigeerd. Bovendien heeft [eiser 1] niet weersproken dat de conclusie van de berekening hetzelfde blijft als de aansluitingen voor [adres+woonplaats 1] en [adres+woonplaats 2] worden omgewisseld, namelijk dat de spanningsvastheid onder de norm van 207 volt zakt.
5.23.
Ook uit de door [eiser 1] gestelde aanwezigheid van andere panden en lantaarnpalen op het bedrijventerrein blijkt niet dat deze GAIA-berekening niet klopt. Liander heeft deze berekening immers gemaakt met inachtneming van deze aanwezigheid. Voor zover deze panden en lantaarnpalen niet in deze berekening zijn meegenomen, geldt dat het bedrijventerrein waarop [eiser 1] haar nieuwe pand heeft gebouwd bij de aanvang van de bouwwerkzaamheden nog grotendeels onbebouwd was. Liander heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat lantaarnpalen zijn aangesloten op een zogeheten ‘solo-uitloper’. Dit is een dunne laagspanningskabel waarop uitsluitend in de avonduren spanning staat. Deze kabel is niet bedoeld voor voorzieningen die een continue spanningsvoorziening vereisen, zoals huishoudens of kleinzakelijke gebruikers. Een van de al aanwezige panden beschikte daarnaast over een grootverbruikaansluiting die rechtstreeks op het station is aangesloten. Dat is een grote hal met een speciale aansluiting op een onderstation die buiten het net omgaat. Die aansluiting heeft dus geen invloed op de GAIA-berekening. De enkele aanwezigheid van overige al aanwezige panden op het destijds verder nog grotendeels braakliggende terrein maakt tot slot niet dat het aanwezige LS-net ook voor het pand van [eiser 1] voldoende capaciteit had.
5.24.
Uit de door [eiser 1] overgelegde capaciteitskaart blijkt evenmin dat deze GAIA-berekening niet klopt. Deze capaciteitskaart vermeldt slechts knelpunten voor grootverbruikersaansluitingen, zoals Liander tijdens de mondelinge behandeling heeft toegelicht. Dit zijn aansluitingen groter dan 3x80 ampère. Dit staat onder de kaart vermeld. Bovendien staat onder de kaart vermeld dat de kaart indicatief is en dat daar geen rechten aan kunnen worden ontleend. Liander heeft onweersproken aangevoerd dat zo’n capaciteitskaart op laagspanningsniveau niet bestaat en op basis van de aanwezige kabels een berekening moet worden uitgevoerd.
5.25.
Ten slotte brengt, anders dan [eiser 1] aanvoert, het feit dat de spanningsvastheid volgens deze GAIA-berekening slechts minimaal onder de norm van 207 volt zakt, niet mee dat Liander samen met [eiser 1] een al dan niet tijdelijke oplossing had moeten vinden. De rechtbank begrijpt dat [eiser 1] hiermee bedoelt dat Liander maatregelen had moeten treffen om de toegang tot elektriciteit te regelen, bijvoorbeeld door de elektriciteit alleen in bepaalde periodes beschikbaar te stellen. Liander heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat dit niet mogelijk is en de gebruiker onbeperkt van die aansluiting gebruik mag maken als deze gebruiker eenmaal de gewenste aansluiting op het elektriciteitsnet heeft. Liander moet uitgaan van en rekenen met profielen. De wettelijke norm van 207 volt strekt ertoe om de veiligheid en betrouwbaarheid van het elektriciteitsnet te waarborgen. Liander moet volgens de wettelijke normen aansluiten. Zij mag daarom niet meewerken aan al dan niet tijdelijke oplossingen die bestaan uit een (verwacht) verminderd gebruik van een aansluiting.
5.26.
Gelet hierop zal de rechtbank de GAIA-berekening en de toelichting daarop van Liander tot uitgangspunt nemen. Uit deze berekening blijkt dat de fysieke grens van de maximale transportcapaciteit op de aanwezige laagspanningsnetkabel bij aansluiting van [adres+woonplaats 1] werd overschreden, zodat aansluiting zou leiden tot fysieke congestie. Daaruit blijkt dat er onvoldoende capaciteit beschikbaar was op het net voor de door [eiser 1] gewenste aansluiting en dat uitbreiding van het net noodzakelijk was.
Liander heeft het pand binnen redelijke termijn aangesloten
5.27.
Gelet op het voorgaande staat vast dat het noodzakelijk was om het net uit te breiden voordat het pand van [eiser 1] op het net werd aangesloten. Zoals hiervoor onder r.o. 5.19 overwogen staat als onweersproken eveneens vast dat Liander ervoor had kunnen kiezen deze uitbreiding achterwege te laten en het pand meteen aan te sluiten. In die situatie had [eiser 1] weliswaar binnen aanzienlijk kortere termijn over een aansluiting beschikt, maar was daarover geen of slechts beperkt transport van elektriciteit mogelijk geweest. Het was derhalve ook in het belang van [eiser 1] dat Liander eerst het net zou uitbreiden. Bij die stand van zaken is het niet redelijk om Liander af te rekenen op de langere periode die het heeft geduurd om het pand aan te sluiten.
5.28.
Daar komt bij dat uit jurisprudentie volgt dat geen vaste termijn geldt voor de wettelijke taak van Liander om zorg te dragen voor netuitbreiding, dat individuele aanvragers daaraan geen rechten kunnen ontlenen en dat Liander met betrekking tot (te realiseren) netuitbreiding geen verantwoording is verschuldigd aan individuele aanvragers, maar uitsluitend aan de ACM. [12] Voor zover binnen het kader van artikel 23 lid 4 Elektriciteitswet ruimte bestaat om de netuitbreidingswerkzaamheden van Liander te beoordelen, is die ruimte dus beperkt.
5.29.
Liander heeft bovendien voldoende toegelicht dat de netuitbreiding niet onredelijk lang heeft geduurd. Zij heeft immers bij conclusie van antwoord en tijdens de mondelinge behandeling onweersproken toegelicht dat zij tussen het indienen van de aanvraag en het uitbrengen van de offerte onder meer berekeningen doet en een planning maakt. Begin september 2022 ontdekte zij dat een nieuw AVP moest worden geplaatst en daarmee dat het net moest worden uitgebreid. Voor de netuitbreiding diende grond te worden aangekocht, met welke aankoop de gemeente akkoord diende te gaan. Op die grond dienden zakelijke rechten te worden gevestigd. Een nieuw AVP moest worden besteld en levering daarvan heeft op zich laten wachten. Dit moest op maat worden gemaakt, afhankelijk van de locatie waar het zou komen, en was niet op voorraad bij de leverancier. Begin december 2023 heeft Liander de bevestiging ontvangen dat de gemeente akkoord was met de aankoop van de grond voor het AVP. Tussen 30 maart en 1 april 2024 heeft Liander haar werkzaamheden voor de netuitbreiding afgerond en op 4 april 2024 heeft Liander het pand van [eiser 1] aangesloten, zo heeft [eiser 1] tijdens de mondelinge behandeling ook erkend.
5.30.
Uit het voorgaande volgt dat Liander begin september 2022 en daarmee kort na de aanvankelijke (en later gecorrigeerde) aanvraag op 15 juli 2022 aan de slag is gegaan met de voorbereidingen van de aansluiting, die in dit geval ook een netuitbreiding inhielden. Nadat die netuitbreiding was gerealiseerd, heeft Liander het pand binnen enkele dagen aangesloten op het net. Hiermee heeft Liander voldoende toegelicht dat zij (intern) met voldoende voortvarendheid te werk is gegaan om het pand aan te sluiten op het net. In elk geval is niet gebleken wat Liander redelijkerwijs meer had kunnen doen dan zij heeft gedaan om de aansluiting te bespoedigen. De conclusie is dat Liander het pand, ook als wordt uitgegaan van de primair gestelde (vroegste) startdatum van 25 juli 2022, binnen redelijke termijn heeft aangesloten op het elektriciteitsnet.
Liander heeft aan haar transportplicht voldaan
5.31.
De rechtbank gaat ook voorbij aan het standpunt van [eiser 1] dat Liander heeft gehandeld in strijd met artikel 24 Elektriciteitswet door, zo begrijpt althans de rechtbank, haar pas transport aan te bieden nadat haar pand was aangesloten op het net. Tussen partijen is niet in geschil dat Liander op grond van het eerste lid in beginsel een transportplicht heeft. Volgens [eiser 1] heeft Liander ten onrechte een beroep gedaan op de uitzondering in het tweede lid, waaruit volgt dat deze verplichting niet geldt bij onvoldoende transportcapaciteit. Liander heeft betwist dat zij een beroep heeft gedaan op deze uitzondering en heeft betoogd dat zij pas aan het transporteren van elektriciteit zou toekomen nadat de aansluiting was voltooid. Daarna heeft zij ook aan haar transportplicht voldaan. [eiser 1] heeft deze volgordelijkheid niet weersproken. Hiermee staat vast dat Liander niet in de nakoming van deze verbintenis is tekortgeschoten.
De communicatie was gebrekkig
5.32.
Tijdens de mondelinge behandeling is duidelijk geworden dat het knelpunt bij [eiser 1] het gebrek aan (actieve) communicatie vanuit Liander is. Liander had [eiser 1] beter en eerder kunnen uitleggen dat een uitbreiding van het net nodig was, welke werkzaamheden dat vergde en dat de benodigde materialen, zoals een AVP, pas besteld konden worden nadat was bepaald waar en hoe de netuitbreiding zou worden gerealiseerd. Daarnaast heeft Liander [eiser 1] op 6 en 21 december 2023 bericht dat zij zocht naar een alternatieve oplossing voor de door [eiser 1] gewenste aansluiting. Dit staat haaks op het betoog van Liander tijdens de mondelinge behandeling dat zij niet kan meedenken en meewerken aan een tijdelijke tussenoplossing, omdat zij volgens de wettelijke normen moet aansluiten. Hoewel dit op zichzelf onvoldoende is om te komen tot een verbintenis om schadevergoeding te betalen aan [eiser 1] , had Liander veel onzekerheid en frustratie bij [eiser 1] kunnen voorkomen indien zij had meegedacht in een redelijke oplossing c.q. [eiser 1] actiever en vollediger had geïnformeerd.
5.33.
Ook heeft Liander te lang gewacht met het sturen van een offerte aan [eiser 1] . De aanvraag voor [adres+woonplaats 1] is op 15 juli 2022 ingediend. Op grond van artikel 8.3, aanhef en sub g, Nce diende Liander uiterlijk binnen tien werkdagen na ontvangst van een volledige aanvraag de offerte voor de aansluiting te verzenden. Liander heeft pas op 30 oktober 2023 een offerte verstrekt. Tijdens de mondelinge behandeling heeft Liander aangevoerd dat de vertraging veroorzaakt is doordat op 15 juli 2022 bij vergissing gevraagd was om een voorziening van 3x40 ampère in plaats van de gewenste 3x80 ampère. Dit is geen voldoende verklaring, aangezien deze vergissing al in november 2022 bij Liander gecorrigeerd is. Daarnaast heeft Liander tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat een offerte pas kan worden uitgebracht als duidelijk is hoe de aansluiting gerealiseerd gaat worden, wat in dit geval afhankelijk was van de werkzaamheden voor de netuitbreiding. Ook indien dit zo zou zijn, had Liander onduidelijkheid bij [eiser 1] kunnen voorkomen door te communiceren dat het nog niet mogelijk was om een offerte uit te brengen omdat eerst de benodigde netuitbreiding precies in kaart moest worden gebracht, en duidelijk te maken dat Liander geen werkzaamheden verricht zolang er geen getekende offerte is. Gelet op hetgeen hiervoor onder r.o. 5.30 is overwegen leidt dit echter niet tot een andere slotsom, nu de aansluittermijn – ook als die zou zijn aangevangen op 15 juli 2022 – niet onredelijk lang was. Ook overigens leidt het te laat sturen van een offerte op zichzelf, dat wil zeggen zonder bijkomende omstandigheden, niet tot een schadevergoedingsplicht.
De slotsom
5.34.
De conclusie van het voorgaande is dat Liander niet is tekortgeschoten in haar aansluit- en transportverplichtingen en ook niet anderszins aansprakelijk is. Er is daarom geen grondslag voor toewijzing van schadevergoeding aan [eiser 1] . De rechtbank zal daarom de vorderingen van [eiser 1] afwijzen.
5.35.
Bij deze stand van zaken komt de rechtbank niet toe aan een beoordeling van het beroep op Liander op de exoneraties in artikel 14.1 en 14.2 van haar algemene voorwaarden, en het beroep van [eiser 1] op vernietiging van deze voorwaarden omdat zij onredelijk bezwarend zijn (artikel 6:233 aanhef en onder a BW).
De proceskosten
5.36.
[eiser 1] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Liander worden begroot op:
- griffierecht
2.889,00
- salaris advocaat
2.428,00
(2 punten × € 1.214,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
5.495,00

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
wijst de vorderingen af,
6.2.
veroordeelt [eiser 1] in de proceskosten van Liander, begroot op € 5.495,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiser 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 6.2 genoemde beslissing uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.W.M. Olthof en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2025.

Voetnoten

1.Hoge Raad 6 april 1990, ECLI:NL:HR:1990:AD4737.
2.CBb 17 september 2024, ECLI:NL:CBB:2024:642.
4.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (2000/C 364/01).
5.Richtlijn 2009/72/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot intrekking van richtlijn 2003/54/EG.
6.Richtlijn EU 2019/944 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot wijziging van richtlijn 2012/27/EU (herschikking).
7.HvJ EU 2 september 2021, ECLI:EU:C:2021:662 en HvJ EU 3 december 2020, ECLI:EU:C2020:984.
8.Op grond van artikel 72 van deze Elektriciteitsrichtlijn 2019/944 is de Elektriciteitsrichtlijn 2009/72 met ingang van 1 januari 2021 ingetrokken maar blijft de verplichting tot omzetting van ongewijzigde bepalingen uit de Elektriciteitsrichtlijn 2009/72 bestaan.
9.Artikel 37 lid 6 onder a Elektriciteitsrichtlijn 2009/72 en artikel 59 lid 7 onder a Elektriciteitsrichtlijn 2019/944.
10.Vgl. rechtbank Gelderland 28 februari 2024, ECLI:NL:RBGEL:2024:1076, r.o. 4.2-4.14 en
11.Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 25 november 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:7483 en gerechtshof ’s-Hertogenbosch 29 april 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:1220.
12.Zie bijvoorbeeld rechtbank Gelderland 24 november 2024, ECLI:NL:RBGEL:2023:6730, r.o. 4.9, rechtbank Gelderland 6 december 2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:6637, r.o. 4.14 en rechtbank Gelderland 5 december 2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:6636, 4.12. Zie ook CBb 16 juli 2024, ECLI:NL:CBB:2024:479, r.o. 6.7, waarin is overwogen dat de netbeheerder het ontwerp en de technische uitvoering van een standaardaansluiting bepaalt.