De zaak betreft een kort geding tussen [eiseres], die een pand herontwikkelt tot 29 levensloopbestendige wooneenheden, en Liander, de netbeheerder verantwoordelijk voor aansluiting en transport van elektriciteit. [Eiseres] vordert dat Liander binnen twee weken de aansluitingen en het benodigde transportvermogen levert, onder dreiging van een dwangsom.
Liander betwist dit en stelt dat er onvoldoende transportcapaciteit beschikbaar is op het elektriciteitsnet, waardoor een netuitbreiding noodzakelijk is. Deze netuitbreiding omvat de plaatsing van een nieuwe middenspanningsruimte (MSR), die pas medio januari 2024 geleverd zal worden. Liander heeft al voorbereidingen getroffen en de MSR besteld, maar kan de aansluitingen niet eerder dan medio februari/maart 2024 opleveren.
De voorzieningenrechter oordeelt dat Liander op grond van de Elektriciteitswet verplicht is om binnen een redelijke termijn aan te sluiten en transport te leveren, maar dat deze verplichting niet geldt indien er onvoldoende transportcapaciteit is. Liander heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat het huidige net deze capaciteit niet kan leveren zonder risico op spanningsverlies en schade.
Het beroep van [eiseres] op alternatieve maatregelen zoals congestiemanagement faalt omdat dit niet toepasbaar is op kleinverbruik aansluitingen. Ook de stelling dat het gebrek aan capaciteit niet aan kleinverbruikers kan worden tegengeworpen, wordt verworpen. De voorzieningenrechter weegt het belang van [eiseres] af tegen het belang van Liander om de netintegriteit te waarborgen en wijst de vorderingen af.
De rechter gaat er vanuit dat Liander de aansluitingen uiterlijk medio februari/begin maart 2024 zal realiseren, zodat [eiseres] het pand tijdig kan opleveren. [Eiseres] wordt veroordeeld in de proceskosten.