ECLI:NL:RBGEL:2023:5616
Rechtbank Gelderland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling premieheffing en evenredigheidsbeginsel bij Rijnvarende werknemer met buitenlandse werkgever
Belanghebbende, een werknemer met Nederlandse nationaliteit werkzaam op Rijnvarende schepen en in dienst bij een in Liechtenstein gevestigde werkgever, betwistte de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2017. De Sociale Verzekeringsbank (SVB) had het Nederlandse socialezekerheidsrecht van toepassing verklaard via een voorlopige aanwijzing en een onherroepelijke A1-verklaring. De inspecteur weigerde vrijstelling van premieheffing, waarna belanghebbende bezwaar en beroep instelde.
De rechtbank oordeelt dat de uitworp van de aangifte voor controle op basis van het Rijnvarendenrisico niet discriminerend is en dat de premieheffing terecht is vastgesteld. Hoewel de dubbele premieheffing voortkomt uit het niet-conformeren van de werkgever en het Liechtensteins bevoegde orgaan aan internationale afspraken, is de inspecteur juridisch gebonden aan de A1-verklaring en kan hij de aanslag niet aanpassen.
Wel benadrukt de rechtbank het belang van het evenredigheidsbeginsel en stelt dat de inspecteur de ontvanger moet verplichten tot automatisch uitstel van betaling voor het bedrag dat de SVB terugvordert van Liechtenstein. Tevens wijst de rechtbank belanghebbende een immateriële schadevergoeding van €1.500 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn met circa 13 maanden. De proceskosten en griffierecht worden eveneens aan belanghebbende toegekend.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aanslag IB/PVV 2017 blijft ongewijzigd, met toekenning van immateriële schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn.