Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
uitspraak van de meervoudige belastingkamer van
[eiser] , te [woonplaats] , eiser,
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Arnhem, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
- € 83.550 op 1 februari 2019;
- € 12.371 op 17 oktober 2019; en
- € 68.150 op 29 februari 2020.
- Een vordering op de werkmaatschappij van € 163.474 had geen enkele waarde;
- De vordering op [B.V. 1] van € 561.452 is tot € 164.072 ter finale aflossing ontvangen;
- De effecten (participaties in [Fonds] ) zijn moeilijk liquide te maken, want nagenoeg onverhandelbaar. De waarde wordt ingeschat op € 10.000.
€ 3.113
- € 27.128
- geen zekerheden zijn verstrekt;
- geen schriftelijke overeenkomsten zijn opgesteld;
- geen afspraken zijn gemaakt over aflossingen;
- Beheer nauwelijks nog omzet genereerde;
- Beheer wel aanzienlijke kosten had, waardoor elk jaar verlies werd geleden;
- Beheer meer schulden dan bezittingen had en dus een jaarlijks oplopend negatief eigen vermogen;
- op het moment van geldverstrekking het duidelijk was dat Beheer niet aan zijn pensioenverplichtingen kon voldoen.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de aanslag IB/PVV voor het jaar 2017 tot nihil;
- vernietigt de beschikking belastingrente;
- wijzigt de verliesbeschikking en stelt het verlies uit werk en woning voor het jaar 2017 vast op € 15.508;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 19;
- gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 49 vergoedt.