Belanghebbende, een vennootschap, bezat in 2005 en 2006 effecten in een beursgenoteerd beleggingsfonds dat later werd getroffen door een ponzi-fraude. De effecten werden gewaardeerd tegen kostprijs of lagere beurskoers. Na bekendwording van de fraude in 2008 stelde belanghebbende dat de waarde van de effecten op balansdatum lager had moeten zijn.
De Rechtbank oordeelde dat de effecten op balansdatum verhandelbaar waren tegen de beurskoers en dat de latere fraude geen invloed mocht hebben op de waardering per balansdatum volgens goed koopmansgebruik. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en stelde dat alleen uitzonderingen mogelijk zijn indien onmiddellijke verkoop een koersdrukkend effect zou hebben, wat hier niet was vastgesteld.
De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af. Hiermee blijft de waardering tegen kostprijs of lagere beurskoers op balansdatum in stand, ondanks de latere fraude.