De Gemeente Nijmegen had een overeenkomst gesloten met drie vennootschappen en hun bestuurders voor de aankoop van opstalrechten en opstallen, met de bedoeling dat de onderneming zou worden verplaatst en voortgezet. De rechtbank oordeelde dat de vennootschappen tekortgeschoten zijn in hun verplichtingen, met name omdat de bedrijfsverplaatsing niet heeft plaatsgevonden en de werkgelegenheidsgarantie niet is nagekomen.
De rechtbank stelde vast dat de Gemeente door een onjuiste mededeling van de vennootschappen over het verkrijgen van de benodigde financiering heeft gedwaald. Dit leidde tot een partiële vernietiging van de overeenkomst en een verlaging van de koopprijs. De schade van de Gemeente werd begroot op circa €14 miljoen, resulterend in een terugbetaling van €6,974 miljoen door de vennootschappen.
De vordering tot bestuurdersaansprakelijkheid werd afgewezen wegens onvoldoende bewijs van persoonlijk ernstig verwijtbaar handelen. Ook werden dwangsommen die in een eerdere kortgedingprocedure waren opgelegd, niet toegewezen in deze bodemprocedure. De rechtbank veroordeelde de vennootschappen tot betaling van de terug te vorderen koopprijs, beslagkosten en proceskosten, terwijl de Gemeente werd veroordeeld in de proceskosten van de bestuurders.