Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9788

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 april 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
NL25.5539
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30b VwArt. 31 VwArt. 4 KwalificatierichtlijnWI 2024/6WI 2014/10
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing opvolgende asielaanvraag wegens ongeloofwaardige homoseksuele gerichtheid

Eiser, van Oegandese nationaliteit, heeft meerdere asielaanvragen ingediend waarbij hij telkens zijn homoseksuele gerichtheid als grond voor bescherming aanvoert. Na eerdere afwijzingen en bevestigingen door rechtbanken en de Afdeling bestuursrechtspraak, diende hij in november 2023 een vierde aanvraag in. Deze werd door verweerder afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vreemdelingenwet.

Eiser voerde aan dat de nieuwe werkinstructie WI 2024/6 en het beleid in strijd zijn met het Unierecht en dat verweerder onvoldoende rekening hield met zijn persoonlijke omstandigheden en referentiekader. De rechtbank oordeelde dat verweerder de geloofwaardigheidstoets zorgvuldig en in lijn met het Unierecht heeft toegepast, waarbij alle relevante feiten en omstandigheden zijn betrokken.

De rechtbank stelde vast dat eiser zijn homoseksuele gerichtheid niet aannemelijk heeft gemaakt met de overgelegde documenten en verklaringen, waaronder een brief van het COC en een brief van zijn gestelde partner. Ook waren de verklaringen over zijn relatie inconsistent en summier. De afwijzing als kennelijk ongegrond was daarom terecht. Het beroep is ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en handhaaft de afwijzing van de vierde asielaanvraag wegens ongeloofwaardige homoseksuele gerichtheid.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.5539

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer], eiser,

(gemachtigde: mr. I.M. Hidding),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. A. Bondarev).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de opvolgende asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw. [1] Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag als kennelijk ongegrond in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een opvolgende aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 31 januari 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31 van Pro de Vw, gelezen in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Op 11 februari 2025 heeft eiser de gronden van beroep ingediend.
2.2.
Verweerder heeft op 19 september 2025 op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
Op 20 september 2025 heeft eiser op het verweerschrift gereageerd en op 17 maart 2026 heeft eiser aanvullende beroepsgronden ingediend.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 31 maart 2026 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep [2] , op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, mevrouw [naam 1] als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Inleiding en eerdere procedures
3. Eiser stelt van Oegandese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1986.
3.1.
Eiser heeft eerder, op 8 december 2009, een asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag heeft verweerder met het besluit van 11 november 2010 afgewezen. Het daartegen ingestelde beroep is bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 30 september 2011 [3] ongegrond verklaard. De Afdeling [4] heeft op 27 december 2011 [5] deze uitspraak bevestigd.
3.2.
Op 3 juni 2013 heeft eiser zijn tweede asielaanvraag ingediend. Aan deze aanvraag heeft eiser zijn gestelde homoseksuele gerichtheid voor de eerste keer ten grondslag gelegd. Met het besluit van 22 november 2013 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 30 april 2014 [6] , is het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. De Afdeling heeft bij uitspraak van 23 juli 2015 [7] het hoger beroep van eiser gegrond verklaard en zowel de uitspraak van de rechtbank als het besluit van 22 november 2013 vernietigd, Met het besluit van 4 juni 2016 heeft verweerder de tweede asielaanvraag van eiser nogmaals afgewezen. Bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 17 februari 2017 [8] is het beroep van eiser ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak zijn geen rechtsmiddelen ingesteld. Hierdoor staat in rechte vast dat verweerder eisers gestelde homoseksuele gerichtheid niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft bevonden.
3.3.
Eiser heeft vervolgens op 12 juni 2018 zijn derde asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 31 augustus 2018 kennelijk ongegrond verklaard op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw en aan eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. Het daartegen ingestelde beroep is bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 1 oktober 2018 [9] ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 6 februari 2020 [10] heeft de Afdeling het hoger beroep van eiser gegrond verklaard en zowel de uitspraak van de rechtbank als het besluit van 31 augustus 2018 vernietigd. Vervolgens heeft verweerder bij besluit van 3 april 2020 verweerder de derde asielaanvraag van eiser opnieuw afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van
artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw. Ook heeft verweerder aan eiser een inreisverbod voor de duur van drie jaar opgelegd. Bij uitspraak van 2 juli 2020 [11] heeft deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, het beroep van eiser ongegrond verklaard. Deze uitspraak is op 20 januari 2021 [12] door de Afdeling bevestigd.
3.4.
Op 7 november 2023 heeft eiser zijn huidige asielaanvraag ingediend.
Wat heeft eiser aan zijn huidige asielaanvraag ten grondslag gelegd?
4. Eiser heeft aan zijn huidige asielaanvraag wederom ten grondslag gelegd dat hij vanwege zijn homoseksuele gerichtheid niet kan terugkeren naar Oeganda. Ter onderbouwing hiervan heeft eiser bij zijn aanvraag de volgende stukken overgelegd:
- een brief van de voorzitter van het COC Nederland van 30 juli 2020;
- een handgeschreven brief van [naam 2] , de gestelde partner van eiser, van 29 oktober 2023 (inclusief identiteitskaart).
Wat zijn de standpunten van partijen in de huidige procedure?
5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:
- de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser;
- de gestelde homoseksuele gerichtheid van eiser.
6. Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser in de eerdere asielprocedures al geloofwaardig zijn bevonden. Volgens verweerder is er geen reden om daar nu alsnog aan te twijfelen. Verder heeft verweerder overwogen dat eiser bij zijn tweede asielaanvraag heeft gesteld dat hij homoseksueel is. Met het besluit van 4 juni 2016 is de door eiser gestelde homoseksuele gerichtheid niet geloofwaardig bevonden. Dit besluit staat op dit moment in rechte vast. Vervolgens heeft eiser aan zijn derde asielaanvraag wederom zijn seksuele gerichtheid ten grondslag gelegd. Deze asielaanvraag is bij besluit van 2 juli 2020 kennelijk ongegrond verklaard. Ook dit besluit staat volgens verweerder in rechte vast.
Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser met de in de huidige procedure overgelegde documenten zijn gestelde homoseksuele gerichtheid niet alsnog aannemelijk heeft gemaakt. Daarnaast heeft eiser volgens verweerder summier en inconsistent verklaard over zijn relatie met [naam 2] . Verweerder concludeert daarom dat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Hiermee voldoet eiser volgens verweerder niet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw.
Tot slot heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw, omdat zijn aanvraag een opvolgende aanvraag is die niet niet-ontvankelijk is verklaard.
7. Eiser heeft de juistheid van het bestreden besluit gemotiveerd betwist. Een bespreking van wat hij naar voren heeft gebracht zal hieronder plaatsvinden.
Is WI 2024/6 [13] in strijd met het Unierecht?
Wat is het betoog van eiser?
8. Eiser stelt zich allereerst op het standpunt dat WI 2024/6 en paragraaf C1/4.4.3. van de Vc [14] in strijd zijn met het Unierecht en verweerder deze werkinstructie en dit beleid ten onrechte heeft toegepast bij de geloofwaardigheidsbeoordeling. Eiser wijst daarbij onder meer op de prejudiciële vragen die hierover in de verwijzingsuitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 7 januari 2025 [15] aan het Hof [16] zijn gesteld. In dit verband voert eiser aan dat de geloofwaardigheidsbeoordeling, als niet wordt voldaan aan stap 2a van WI 2024/6, plaatsvindt door de criteria van artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn [17] te gebruiken als checklist. Op grond van paragraaf 4.2. van WI 2024/6 wordt het asielmotief namelijk alleen geloofwaardig bevonden als de asielzoeker voldoet aan de vijf cumulatieve voorwaarden van artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn. Dit in tegenstelling tot WI 2014/10. [18] Eiser meent – onder verwijzing naar het UNHCR Handboek – dat verweerder na toetsing aan de criteria van artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn alsnog een integrale beoordeling moet verrichten, waarbij eventueel het voordeel van de twijfel moet worden toegepast. Dit wordt volgens eiser bevestigd door het arrest X tegen Ierland [19] , waarin staat dat wanneer niet cumulatief aan de vijf voorwaarden van deze bepaling is voldaan bevestiging nodig kan zijn voor de
verklaringen van asielzoekers die niet met bewijzen zijn gestaafd.
Op zitting heeft eiser – in aanvulling op het vorenstaande – aangevoerd dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte niet heeft gemotiveerd of en aan welke van de overige voorwaarden van artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatie richtlijn wel of niet is voldaan en welke invloed dat heeft gehad op de algehele geloofwaardigheid.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
9. Met de publicatie van WI 2024/6 heeft verweerder een nieuwe geloofwaardigheids-
beoordeling geïntroduceerd voor asielzaken. De oude WI 2014/10 is hiermee vervangen.
Verweerder heeft deze nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling ook vastgelegd in zijn beleid. [20]
9.1.
In de nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling wordt onderscheid gemaakt tussen twee stappen. In stap 1 gaat het om het verzamelen van informatie. De vreemdeling zal alle relevante elementen ter staving van zijn asielaanvraag moeten indienen. Bij het vaststellen van de relevante feiten en omstandigheden is sprake van een samenwerkingsverplichting tussen de vreemdeling en verweerder. Verweerder zal in stap 1 uiteindelijk de asielmotieven vaststellen en die daarna op geloofwaardigheid toetsen (stap 2).
Stap 2 gaat over de daadwerkelijke beoordeling van de geloofwaardigheid van de asielmotieven. In stap 2 wordt onderscheid gemaakt tussen stap 2a en stap 2b. In stap 2a wordt beoordeeld of een vreemdeling voldoende bewijsmateriaal heeft overgelegd om het betreffende asielmotief aannemelijk te maken. Als aan stap 2a niet wordt voldaan, gaat verweerder over naar stap 2b. In die stap toetst verweerder aan de vijf cumulatieve voorwaarden om de geloofwaardigheid te beoordelen.
In WI 2024/6 is vermeld dat als het asielmotief niet aan één of meerdere van de vijf voorwaarden voldoet, het asielmotief niet geloofwaardig is. In de Vc is bepaald dat als niet aan alle vijf de voorwaarden is voldaan het asielmotief niet geloofwaardig is.
9.2.
Zoals verweerder in het verweerschrift en op zitting heeft toegelicht, wordt in stap 2a gekeken of het asielmotief alleen al op basis van objectief bewijsmateriaal geloofwaardig kan worden geacht. Als dat niet het geval is wordt een geloofwaardigheidstoets toegepast om tot een oordeel te komen over de geloofwaardigheid (stap 2b). [21] Daarbij worden alle verklaringen van de vreemdeling, al het bewijsmateriaal dat niet voldoende sterk is als onderbouwing van een asielmotief in stap 2a en alle overige omstandigheden betrokken en in samenhang beoordeeld. Daarmee laat verweerder, net als voorheen onder WI 2014/10, geen bewijsstukken of verklaringen buiten beschouwing. Naar het oordeel van de rechtbank is er met deze werkwijze in zoverre dus geen sprake van een hogere bewijsmaatstaf die in strijd is met het Unierecht.
9.3.
In stap 2b wordt door verweerder aan de cumulatieve voorwaarden getoetst. De rechtbank leidt uit de formulering van artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn en de rechtspraak van het Hof [22] over deze bepaling, af dat het niet voldoen aan één van die voorwaarden in beginsel zou kunnen volstaan om een vreemdeling niet het voordeel van de twijfel te geven ten aanzien van verklaringen waarvoor bewijsmiddelen ontbreken en om het asielmotief ongeloofwaardig te achten, maar dat dit niet wegneemt dat verweerder een asielaanvraag altijd op individuele basis moet beoordelen, met inachtneming van alle omstandigheden van het geval en rekening houdend met alle relevante feiten. Uit WI 2024/6 blijkt ook dat bij de beoordeling van de geloofwaardigheid alle feiten en omstandigheden worden betrokken. [23] Uit de toelichting van verweerder op zitting volgt dat verweerder in het individuele geval beziet of het redelijk is te volstaan met de vaststelling dat de vreemdeling niet voldoet aan een enkele voorwaarde van artikel 31, zesde lid, van de Vw of dat deze voorwaarden meer in samenhang moeten worden bezien.
9.4.
Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de cumulatieve voorwaarden dus niet als een strikte checklist kunnen worden getoetst door verweerder, maar dat alle omstandigheden altijd in samenhang beoordeeld zullen moeten worden om tot een conclusie over de geloofwaardigheid te komen. De rechtbank zal dus in elke zaak moeten beoordelen of verweerder op overtuigende wijze heeft gemotiveerd waarom een asielmotief volgens hem al dan niet geloofwaardig is en daarbij rekening moeten houden met alle relevante aspecten.
9.5.
Ondanks dat verweerder geen afzonderlijke overweging heeft opgenomen ten aanzien van de ‘integrale beoordeling’ is de rechtbank van oordeel dat uit de tekst van het bestreden besluit voldoende duidelijk volgt dat alle relevante feiten en omstandigheden zijn beoordeeld. Verweerder heeft alle cumulatieve voorwaarden getoetst [24] en alle feiten en omstandigheden betrokken bij de geloofwaardigheidsbeoordeling. Ook de door eiser overgelegde documenten zijn daarin betrokken. Verweerder heeft daarbij voldoende gemotiveerd waarom aan deze documenten geen of een lage bewijswaarde wordt toegekend als het gaat om het onderbouwen van de gestelde asielmotieven.
9.6.
Eisers stelling dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte niet heeft gemotiveerd of en aan welke van de overige voorwaarden (a, b, d en e) wel of niet is voldaan en welke invloed dat heeft gehad op de algehele geloofwaardigheid, leidt niet tot een ander oordeel. Op de zitting heeft verweerder toegelicht dat hij aan alle cumulatieve voorwaarden heeft getoetst. Dat hij de overige voorwaarden niet in het besluit heeft vermeld, betekent dat wel aan deze voorwaarden is voldaan. Alleen als een voorwaarde wordt tegengeworpen, wordt dat in het besluit gemotiveerd. Volgens verweerder heeft het voldoen aan de overige voorwaarden niet geleid tot een andere conclusie over de geloofwaardigheid van eisers relaas. De rechtbank vindt deze toelichting, in samenhang met de integrale beoordeling van het asielrelaas, voldoende.
9.7.
De rechtbank ziet geen aanleiding de zaak aan te houden in afwachting van de beantwoording van de eerdergenoemde prejudiciële vragen van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 7 januari 2025. De rechtbank is hiertoe namelijk niet verplicht, partijen hebben hier niet om verzocht, onduidelijk is wanneer de uitspraak van het Hof zal volgen en naar het oordeel van de rechtbank kan – gelet op het vorenstaande – in dit geval ook zonder het antwoord op deze vragen af te wachten uitspraak worden gedaan.
Heeft verweerder de gestelde homoseksuele gerichtheid van eiser ongeloofwaardig kunnen vinden?
Heeft verweerder voldoende rekening gehouden met het referentiekader van eiser?
10. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn referentiekader. Hij vindt het namelijk bijzonder moeilijk om zaken te verwoorden, is analfabeet, komt uit een cultuur waar homoseksualiteit niet wordt getolereerd en is mogelijk depressief. Dit heeft volgens eiser invloed op zijn vermogen om te kunnen verklaren.
10.1.
Uit WI 2019/17 [25] volgt dat verweerder bij de vraagstelling en beoordeling rekening houdt met de persoonlijkheid en achtergrond van de vreemdeling. Elke vreemdeling heeft namelijk een eigen referentiekader op basis van onder andere opleiding, culturele achtergrond en levensfase.
10.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende rekening heeft gehouden met het referentiekader van eiser. Verweerder heeft in het voornemen eisers referentiekader uiteengezet en benoemd. Ook heeft verweerder bij de beoordeling van eisers verklaringen over zijn seksuele geaardheid kenbaar rekening gehouden met onder andere opleidingsniveau, cultuur en afkomst van eiser. Door verweerder wordt gevolgd dat er in Oeganda een taboe heerst om over homoseksualiteit te praten, maar stelt– niet ten onrechte – ook dat eiser alle ruimte heeft gekregen om dit wel te doen. Daarover merkt de rechtbank ook nog op dat de Afdeling heeft bevestigd dat verweerder reeds bij het inrichten van de asielprocedure in algemene zin voldoende maatregelen heeft genomen om een zorgvuldige en objectieve beoordeling van het asielrelaas te waarborgen, waarbij rekening wordt gehouden met de culturele achtergrond van een vreemdeling. [26] Ook wordt door verweerder overwogen dat eiser niet zal worden afgerekend op het niet kunnen noemen van exacte data bij gebeurtenissen. Maar verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht het standpunt ingenomen dat van eiser wel mag worden verwacht dat hij bij benadering periodes kan aangeven. Daarnaast heeft verweerder rekening gehouden met eisers mentale gesteldheid. Zo zijn er tijdens het gehoor pauzes ingelast en is er extra gevraagd naar waar rekening mee kon worden gehouden tijdens het gehoor.
10.3.
Voor zover eiser stelt dat hij als gevolg van zijn lage opleidingsniveau en mentale gesteldheid ten tijde van het gehoor niet compleet, coherent en consistent kon verklaren, volgt de rechtbank dit niet. Eiser heeft deze stelling namelijk niet met (medische) stukken onderbouwd. Ook volgt uit het verslag van het gehoor niet dat eiser door zijn lage opleidingsniveau bepaalde vragen niet heeft begrepen. De beroepsgrond slaagt niet.
Wat is de bewijsmaatstaf in deze procedure?
11. De rechtbank overweegt dat in lhbti-zaken het zwaartepunt van de geloofwaardigheidsbeoordeling ligt bij het persoonlijke en authentieke verhaal dat de vreemdeling vertelt over en vanuit zijn eigen ervaring met betrekking tot zijn gestelde seksuele gerichtheid. [27] Het is dus aan eiser om te verklaren over zijn seksuele gerichtheid. Dit geldt temeer in een geval als dit, waarbij de vreemdeling al in een eerdere procedure heeft verklaard over zijn seksuele gerichtheid en ook bekend is met de redenen waarom hij zijn gestelde seksuele gerichtheid destijds niet aannemelijk heeft weten te maken. [28] Dat laat onverlet dat de vreemdeling zijn ontoereikende verklaringen kan compenseren met andere verklaringen en overgelegd bewijsmateriaal. [29] Daarbij is vooral van belang of er informatie van feitelijke aard uit deze stukken volgt.
11.1.
Uit het bestreden besluit en de toelichting daarop tijdens de zitting volgt dat verweerder de brief van de voorzitter van het COC van 30 juli 2020 en de brief van [naam 2] van 29 oktober 2023 als ondersteunend bewijs – zoals weergegeven onder 11 – heeft aangemerkt. Dit geldt blijkens de toelichting van verweerder op zitting ook voor de in beroep overgelegde verklaringen van eisers kennissen [naam 3] van 6 maart 2026 en [naam 4] van 10 maart 2026. De rechtbank vindt dit in lijn met de hiervoor genoemde bewijsmaatstaf. Anders dan eiser stelt, kan de brief van het COC echter niet als objectief bewijs worden aangemerkt, aangezien het COC een belangenorganisatie is. [30]
11.2.
Verder overweegt de rechtbank dat verweerder bij de besluitvorming de WI 2019/17 heeft toegepast die specifiek gaat over zaken waarin lhbti- gerichtheid als asielmotief is aangevoerd en de WI 2024/6 die een algemene werkwijze bevat voor de geloofwaardigheidsbeoordeling van een asielrelaas. Deze werkinstructies worden in samenhang toegepast. Gelet op wat onder 9.2 en 9.5 is overwogen, heeft verweerder de hiervoor genoemde brief van de voorzitter van het COC Nederland (en ook de overige verklaringen die zijn overgelegd) onder stap 2b van WI 2024/6 beoordeeld.
De beoordeling van de overgelegde brief van de voorzitter van het COC Nederland van 30 juni 2020
12. Uit de onder 3.3 genoemde uitspraak van de Afdeling van 20 januari 2021 blijkt dat eiser de brief van de voorzitter van het COC van 30 juni 2020 al heeft ingebracht tijdens het hoger beroep in zijn derde asielprocedure, maar dat deze brief door de Afdeling niet is meegenomen bij de beoordeling omdat deze pas na de uitspraak in beroep van 2 juli 2020 is ingediend. Vervolgens heeft eiser pas op 7 november 2023, dus 2 á 3 jaar later, de huidige asielaanvraag ingediend. Zoals verweerder niet ten onrechte stelt, valt niet in te zien waarom eiser deze brief niet meteen na de uitspraak van de Afdeling aan een opvolgende asielaanvraag ten grondslag heeft gelegd. Anders dan eiser stelt, was verweerder namelijk niet gehouden om uit zichzelf conclusies te verbinden aan de brief van het COC en het overleggen van deze brief in de hoger beroepsprocedure als een opvolgende asielaanvraag aan te merken. Verweerder heeft zich dan ook naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden op het standpunt gesteld dat de lange periode die is verstreken tussen de ontvangst van de brief en de huidige aanvraag afbreuk aan de door eiser gestelde noodzaak voor bescherming.
12.1.
Daar komt bij dat de brief van het COC van 30 juli 2020 vooral redenen geeft waarom de eerdere besluiten gebaseerd zijn op een onjuist toetsingskader. Zoals verweerder terecht stelt, staan deze besluiten inmiddels in rechte vast. Niet gebleken is dat de opvolgende asielaanvraag van eiser van 7 november 2023 ook moet worden aangemerkt als een verzoek om heroverweging van de eerdere besluiten zoals bedoeld in IB 2024/20. [31] Verweerder was daarom in deze procedure niet gehouden om de verklaringen van eiser over zijn homoseksuele gerichtheid tijdens de vorige procedures aan de hand van de brief van het COC opnieuw te beoordelen. Als eiser van mening is dat de eerdere besluiten op een onjuist toetsingskader zijn gebaseerd, moet hij een verzoek om herziening van de eerdergenoemde uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 17 februari 2017 en de Afdeling van 21 januari 2020 indienen.
12.2.
Verder heeft verweerder aan eiser kunnen tegenwerpen dat uit de brief van het COC niet blijkt dat er persoonlijke gesprekken met eiser zijn gevoerd, enkel dat er ‘delen van het dossier’ zijn doorgenomen. Ook hierom heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat deze brief niet voldoende overtuigingskracht heeft om de eerder ongeloofwaardig bevonden gestelde homoseksuele gerichtheid van eiser alsnog geloofwaardig te vinden.
De beoordeling van de overgelegde brief van [naam 2] van 29 oktober 2023
13. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de brief van [naam 2] van 29 oktober 2023 op zichzelf niet doorslaggevend kan zijn om de homoseksuele gerichtheid van eiser alsnog geloofwaardig te vinden, omdat deze brief op verzoek is opgesteld en afkomstig is van eisers gestelde partner.
13.1.
Daarnaast heeft verweerder aan eiser kunnen tegenwerpen dat niet valt in te zien waarom hij niet eerder een verklaring van zijn partner heeft overgelegd. In de brief wordt namelijk gesteld dat eiser en [naam 2] sinds juli 2020 samen zijn. Verweerder heeft zich daarom op het standpunt kunnen stellen dat het feit dat eiser meer dan twee jaar heeft gewacht met het overleggen van een brief van zijn gestelde partner afbreuk doet aan eisers gestelde noodzaak voor internationale bescherming. De stelling van eiser dat zijn gemachtigde hem had geadviseerd om te wachten met het indienen van een opvolgende aanvraag totdat er sprake was van een langdurige en stabiele relatie, doet hier – gelet op het lange tijdsverloop tussen de aanvang van de relatie en het indienen van de aanvraag – niet aan af.
De beoordeling van de verklaringen van eiser over zijn gestelde relatie met [naam 2]
14. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser inconsistent over zijn relatie met [naam 2] heeft verklaard. Zo heeft hij tijdens het gehoor eerst driemaal verklaard dat de relatie in augustus 2023 begon, terwijl hij later in het gehoor heeft verklaard dat het in 2020 was. . Hoewel van eiser – gelet op zijn referentiekader – niet kan worden verwacht dat hij exacte data kan benoemen, heeft verweerder wel van eiser mogen verwachten dat over een dergelijk lange periode duidelijk zou moeten kunnen verklaren. [32] Dat eiser niet zou weten wat een relatie is, heeft verweerder niet hoeven volgen. De rechtbank verwijst daarbij naar wat verweerder daarover in het bestreden besluit heeft overwogen. Daar komt bij dat eiser op de vraag of het lukt om aan te geven hoe lang nadat hij en [naam 2] een relatie kregen zij zijn gaan samenwonen, het volgende heeft geantwoord:
“Onze liefdes relatie is in augustus 2023 begonnen. We waren heel lang vrienden.” [33] Hieruit kan naar het oordeel van de rechtbank worden opgemaakt dat eiser wel degelijk het verschil tussen een vriendschap en (liefdes)relatie begrijpt.
14.1.
Daarnaast heeft verweerder aan eiser kunnen tegenwerpen dat hij summier over [naam 2] heeft verklaard. Zo heeft eiser op de vraag wat hij precies fijn vindt aan de relatie met [naam 2] eerst alleen aangegeven dat hij heel makkelijk voor hem is. Nadat verweerder daarop doorvraagt, geeft eiser aan dat hij hem niet heeft veroordeeld. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat deze antwoorden summier en niet gedetailleerd zijn. Dat verweerder hierbij onvoldoende rekening heeft gehouden met eisers referentiekader volgt de rechtbank – onder verwijzing naar wat onder 10.2 is overwogen – niet.
De beoordeling van de in beroep overgelegde verklaringen van [naam 3] van 6 maart 2026 en [naam 4] van 10 maart 2026
15. Eiser heeft in beroep de hiervoor genoemde verklaringen overgelegd, waarin staat dat eiser homoseksueel is, dat hij een relatie heeft met [naam 2] en samenwoont met zijn partner in Amsterdam. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiser – gelet op zijn eigen inconsistente en summiere verklaringen – met de verklaringen van de heren [naam 3] en [naam 4] zijn gestelde homoseksuele gerichtheid en de relatie met [naam 2] niet alsnog aannemelijk heeft gemaakt
.Verweerder heeft daarom aan deze verklaringen geen doorslaggevende waarde hoeven hechten.
Heeft verweerder de asielaanvraag van eiser kunnen afwijzen als kennelijk ongegrond?
Wat is het betoog van eiser?
16. Eiser stelt zich op het standpunt dat de verweerder zijn asielaanvraag ten onrechte als kennelijk ongegrond heeft afgewezen. Daartoe stelt eiser dat artikel 30b van de Vw een facultatieve bepaling is, waardoor verweerder niet verplicht is de aanvraag als kennelijk ongegrond af te doen. Eiser leidt uit memorie van toelichting bij de wijziging van de Vw [34] af dat een aanvraag kan worden afgewezen als kennelijk ongegrond als er in redelijkheid geen twijfel mogelijk is over de ongegrondheid van de aanvraag. Eiser betwist dat er in redelijkheid geen twijfel mogelijk is over de ongegrondheid van de aanvraag. Die conclusie vloeit volgens eiser namelijk niet automatisch voort uit het feit dat hij een opvolgende aanvraag heeft ingediend. Zeker nu hij daadwerkelijk nieuwe documenten en feiten naar voren heeft gebracht en verweerder hem heeft gehoord. Eiser meent dat verweerder daarom nader moet motiveren waarom de aanvraag is afgewezen als kennelijk ongegrond en niet kan volstaan met de enkele mededeling dat het een herhaalde aanvraag is die niet niet-ontvankelijk is verklaard.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
17. De rechtbank overweegt dat artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw verweerder de bevoegdheid geeft een opvolgende aanvraag af te wijzen als kennelijk ongegrond. Dat heeft verweerder – onder verwijzing naar dit artikel – ook gedaan. Verweerder kan overgaan tot kennelijke ongegrondheid als in redelijkheid geen twijfel mogelijk is over de ongegrondheid van de aanvraag. Er moet daarvoor wel een volledig onderzoek gedaan worden, omdat de gronden voor afwijzing als kennelijk ongegrond pas kunnen worden aangenomen als hier onderzoek naar gedaan is. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat duidelijk is dat de afwijzing van de aanvraag niet enkel berust op dat eisers aanvraag een opvolgende aanvraag is die niet niet-ontvankelijk is verklaard. Verweerder heeft namelijk de gestelde homoseksuele gerichtheid van eiser (wederom) ongeloofwaardig bevonden, wat heeft geleid tot een ongegronde asielaanvraag. Het feit dat het een opvolgende asielaanvraag betreft die niet niet-ontvankelijk is verklaard, is de aanleiding voor de kennelijk ongegrondheid van de aanvraag. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder eisers asielaanvraag heeft kunnen afwijzen als kennelijk ongegrond. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

Conclusie en gevolgen

18. Verweerder heeft – gelet op wat hiervoor is overwogen – de opvolgende asielaanvraag van eiser terecht afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31 van Pro de Vw gelezen in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw.
19. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.B. Bruins, rechter, in aanwezigheid van
mr. K.I. Legendal-Moesker, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Geregistreerd onder zaaknummer NL25.5540.
4.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
5.Geregistreerd onder zaaknummer 201111656/1/V3.
8.Geregistreerd onder zaaknummer AWB 16/12355.
9.Geregistreerd onder zaaknummer NL18.16028.
10.Geregistreerd onder zaaknummer 201808112/1/V2.
11.Geregistreerd onder zaaknummer NL20.8204.
12.Geregistreerd onder zaaknummer 202003762/1/V2.
13.Werkinstructie 2024/6 “Geloofwaardigheidsbeoordeling (asiel)”.
14.Vreemdelingencirculaire 2000.
16.Hof van Justitie van de Europese Unie.
17.Richtlijn 2011/95/EU.
18.Werkinstructie 2014/10 “Inhoudelijke beoordeling (asiel)”, paragraaf 3.2.
19.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 29 juni 2023, in de zaak X tegen Ierland, ECLI:EU:C:2023:523.
20.Zie paragraaf C1/4.3 van de Vc.
21.Daarbij wordt er rekening gehouden dat een asielzoeker zijn verzoek niet altijd met schriftelijke of andere bewijzen zal kunnen staven.
22.Zie het arrest van het Hof van Justitie van 5 september 2012, ECLI:EU:C:2012:518, onder 68, en naar analogie arresten van 26 februari 2015, ECLI: EU:C:2015:117, onder 26, en 9 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:101, onder 36.
23.Zie pagina 2 van WI 2024/6, laatste zin van paragraaf 2.
24.De rechtbank verwijst daarbij naar wat is overwogen onder 9.6.
25.Werkinstructie 2019/17 “Horen en beslissen in zaken waarin lhbt-gerichtheid als asielmotief is aangevoerd”.
26.Zie onder meer de uitspraak van 20 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:121.
27.Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 12 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1885.
28.Zie de uitspraak van de Afdeling, van 26 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:300.
29.Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 4 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1754.
30.Zie onder meer de uitspraken van de Afdeling van 12 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1885 en 21 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1121.
31.Informatiebericht 2024/42 “Verzoek tot heroverweging in de opvolgende asielaanvraag”.
32.Zie ook wat daarover onder 10.2 is overwogen.
33.Zie pagina 4 van het rapport “Gehoor opvolgende aanvraag” van 6 januari 2025.
34.Kamerstukken II 2014/15, 34 088, nr. 3, pagina 13.