3.4.Op 7 november 2023 heeft eiser zijn huidige asielaanvraag ingediend.
Wat heeft eiser aan zijn huidige asielaanvraag ten grondslag gelegd?
4. Eiser heeft aan zijn huidige asielaanvraag wederom ten grondslag gelegd dat hij vanwege zijn homoseksuele gerichtheid niet kan terugkeren naar Oeganda. Ter onderbouwing hiervan heeft eiser bij zijn aanvraag de volgende stukken overgelegd:
- een brief van de voorzitter van het COC Nederland van 30 juli 2020;
- een handgeschreven brief van [naam 2] , de gestelde partner van eiser, van 29 oktober 2023 (inclusief identiteitskaart).
Wat zijn de standpunten van partijen in de huidige procedure?
5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:
- de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser;
- de gestelde homoseksuele gerichtheid van eiser.
6. Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser in de eerdere asielprocedures al geloofwaardig zijn bevonden. Volgens verweerder is er geen reden om daar nu alsnog aan te twijfelen. Verder heeft verweerder overwogen dat eiser bij zijn tweede asielaanvraag heeft gesteld dat hij homoseksueel is. Met het besluit van 4 juni 2016 is de door eiser gestelde homoseksuele gerichtheid niet geloofwaardig bevonden. Dit besluit staat op dit moment in rechte vast. Vervolgens heeft eiser aan zijn derde asielaanvraag wederom zijn seksuele gerichtheid ten grondslag gelegd. Deze asielaanvraag is bij besluit van 2 juli 2020 kennelijk ongegrond verklaard. Ook dit besluit staat volgens verweerder in rechte vast.
Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser met de in de huidige procedure overgelegde documenten zijn gestelde homoseksuele gerichtheid niet alsnog aannemelijk heeft gemaakt. Daarnaast heeft eiser volgens verweerder summier en inconsistent verklaard over zijn relatie met [naam 2] . Verweerder concludeert daarom dat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Hiermee voldoet eiser volgens verweerder niet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw.
Tot slot heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw, omdat zijn aanvraag een opvolgende aanvraag is die niet niet-ontvankelijk is verklaard.
7. Eiser heeft de juistheid van het bestreden besluit gemotiveerd betwist. Een bespreking van wat hij naar voren heeft gebracht zal hieronder plaatsvinden.
Is WI 2024/6in strijd met het Unierecht?
Wat is het betoog van eiser?
8. Eiser stelt zich allereerst op het standpunt dat WI 2024/6 en paragraaf C1/4.4.3. van de Vcin strijd zijn met het Unierecht en verweerder deze werkinstructie en dit beleid ten onrechte heeft toegepast bij de geloofwaardigheidsbeoordeling. Eiser wijst daarbij onder meer op de prejudiciële vragen die hierover in de verwijzingsuitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 7 januari 2025aan het Hofzijn gesteld. In dit verband voert eiser aan dat de geloofwaardigheidsbeoordeling, als niet wordt voldaan aan stap 2a van WI 2024/6, plaatsvindt door de criteria van artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijnte gebruiken als checklist. Op grond van paragraaf 4.2. van WI 2024/6 wordt het asielmotief namelijk alleen geloofwaardig bevonden als de asielzoeker voldoet aan de vijf cumulatieve voorwaarden van artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn. Dit in tegenstelling tot WI 2014/10.Eiser meent – onder verwijzing naar het UNHCR Handboek – dat verweerder na toetsing aan de criteria van artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn alsnog een integrale beoordeling moet verrichten, waarbij eventueel het voordeel van de twijfel moet worden toegepast. Dit wordt volgens eiser bevestigd door het arrest X tegen Ierland, waarin staat dat wanneer niet cumulatief aan de vijf voorwaarden van deze bepaling is voldaan bevestiging nodig kan zijn voor de
verklaringen van asielzoekers die niet met bewijzen zijn gestaafd.
Op zitting heeft eiser – in aanvulling op het vorenstaande – aangevoerd dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte niet heeft gemotiveerd of en aan welke van de overige voorwaarden van artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatie richtlijn wel of niet is voldaan en welke invloed dat heeft gehad op de algehele geloofwaardigheid.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
9. Met de publicatie van WI 2024/6 heeft verweerder een nieuwe geloofwaardigheids-
beoordeling geïntroduceerd voor asielzaken. De oude WI 2014/10 is hiermee vervangen.
Verweerder heeft deze nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling ook vastgelegd in zijn beleid.