ECLI:NL:RBDHA:2026:6854
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- F.P. Heijne
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen weigering opheffing inreisverbod wegens ontbreken bijzondere omstandigheden
Eiser, met Marokkaanse nationaliteit, verzocht om opheffing van een inreisverbod dat op 9 augustus 2018 voor tien jaar tegen hem was uitgevaardigd. De minister van Asiel en Migratie wees dit verzoek op 3 juni 2024 af, omdat eiser Nederland sinds het opleggen van het inreisverbod niet had verlaten en geen bijzondere feiten of omstandigheden had aangevoerd.
Eiser stelde dat het besluit onzorgvuldig was en dat de minister een onjuist beoordelingskader had toegepast, met name dat niet was getoetst aan het Unierechtelijke openbare orde-criterium en dat artikel 8 EVRM Pro niet correct was toegepast. De rechtbank oordeelde dat het besluit zorgvuldig was genomen, dat de minister niet verplicht was het openbare orde-criterium opnieuw te toetsen omdat dit al bij het opleggen van het inreisverbod was gebeurd, en dat eiser zich niet kon beroepen op rechtspraak die niet op zijn situatie van toepassing was.
Verder oordeelde de rechtbank dat het enkele feit dat eiser zich niet schuldig had gemaakt aan strafbare feiten sinds het inreisverbod geen bijzondere omstandigheid vormt. Ook waren de familie- en medische omstandigheden onvoldoende om het inreisverbod op te heffen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en eiser kreeg geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.
De uitspraak bevestigt dat opheffing van een inreisverbod alleen mogelijk is bij bijzondere feiten of omstandigheden die zwaarder wegen dan het algemeen belang van de staat, en dat het niet verlaten van Nederland een doorslaggevende factor is voor afwijzing.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het verzoek tot opheffing van het inreisverbod wordt ongegrond verklaard en het inreisverbod blijft van kracht.