ECLI:NL:RBDHA:2026:5718

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
17 maart 2026
Zaaknummer
NL25.42331
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens onvoldoende motivering afhankelijkheid en belangenafweging

Eiseres, een Syrische vrouw, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in Nederland, nadat haar meerderjarige dochter (referente) met verblijfsvergunning asiel had gekregen en haar minderjarige zoon (kleinzoon van eiseres) was toegelaten. De minister van Asiel en Migratie wees de aanvraag af, stellende dat er geen sprake was van gezinsleven tussen eiseres en referente vanwege het ontbreken van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Wel erkende verweerder het gezinsleven tussen eiseres en haar kleinzoon, maar maakte een belangenafweging die in het nadeel van eiseres uitviel.

Eiseres voerde aan dat zij vanwege ernstige medische klachten afhankelijk is van de zorg van referente en dat verweerder ten onrechte een te hoge eis stelde aan exclusieve afhankelijkheid. Ook stelde zij dat verweerder onvoldoende gewicht gaf aan haar rol als hoofdverzorger van haar kleinzoon gedurende diens vormende jaren en de psychische gevolgen van hun scheiding. De rechtbank oordeelde dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd waarom de medische omstandigheden en de zorgrelatie geen bijkomende elementen van afhankelijkheid vormden en dat de belangenafweging onvolledig was, met name door het negeren van de langdurige verzorgingsrelatie tussen eiseres en haar kleinzoon.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en droeg verweerder op binnen vier weken een nieuw besluit te nemen, waarbij de belangen van het kind en de zorgrelatie met eiseres adequaat moeten worden betrokken. Tevens werden de proceskosten en griffierecht aan eiseres toegekend.

Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering en onvolledige belangenafweging.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.42331

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres,

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. A.A. van Harmelen),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. S. Beyik).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv).
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 24 juli 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 8 augustus 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 11 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [referente] (referente), bijgestaan door mr. E. Verstelle (als waarnemer van de gemachtigde van eiseres). Als tolk is verschenen H. Ridan. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1950. De meerderjarige dochter van eiseres, [referente] (referente), heeft een verblijfsvergunning asiel gekregen in Nederland en heeft vervolgens nareis aangevraagd voor haar minderjarige zoon [minderjarige] en een aanvraag voor een mvv ingediend namens eiseres. Alle familieleden hebben de Syrische nationaliteit. De aanvraag van de zoon van referente (de kleinzoon van eiseres) is ingewilligd en hij is inmiddels Nederland ingereisd.
3. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres afgewezen. Verweerder heeft daar aan ten grondslag gelegd dat er geen sprake is van gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM [1] tussen eiseres en referente. Tussen eiseres en referente bestaan geen bijkomende elementen van afhankelijkheid. Verweerder heeft wel aangenomen dat er sprake is van gezinsleven tussen eiseres en haar kleinzoon omdat sprake is van hechte persoonlijke banden. Verweerder heeft vervolgens een belangenafweging gemaakt, die in het nadeel van eiseres uitvalt.
Wat vindt eiseres in beroep?
4. Eiseres voert aan dat verweerder ten onrechte stelt dat er geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiseres en referente. Eiseres is vanwege haar medische klachten afhankelijk van de zorg van referente. Haar medische klachten maken dat zij bij veel praktische dingen en persoonlijke verzorging hulp nodig heeft. De medische klachten van eiseres kunnen bovendien niet in Syrië worden behandeld. Eiseres en referente hebben altijd samengewoond, waarbij referente zorg droeg voor eiseres. Ook is eiseres financieel afhankelijk van referente en bestaat er een grote emotionele afhankelijkheid tussen eiseres en referente. Verweerder legt de lat te hoog door te vereisen dat eiseres voor zorg en ondersteuning exclusief afhankelijk is van referente. [2]
Verder voert eiseres aan dat verweerder ten onrechte de belangenafweging die is verricht in het kader van het familieleven tussen eiseres en haar kleinzoon, in het nadeel van eiseres heeft laten uitvallen. Verweerder heeft onvoldoende gewicht gehecht aan het bestaan van gezinsleven en hechte persoonlijke banden tussen eiseres en haar kleinzoon en de objectieve belemmering om dat gezinsleven uit te oefenen in Syrië. Ook heeft verweerder ten onrechte gesteld dat het niet in het belang van de kleinzoon zou zijn om met eiseres te verblijven. Eiseres en haar kleinzoon hebben altijd samen gewoond, waarbij eiseres een moederrol heeft vervuld voor haar kleinzoon. Toen haar kleinzoon vijf en een half jaar oud was, is referente naar Nederland gekomen. Vanaf dat moment heeft eiseres ongeveer vijf jaar alleen en dus als hoofdverzorger voor haar kleinzoon gezorgd. Haar kleinzoon ziet haar dan ook als zijn moeder. De mentale gezondheid van de kleinzoon van eiseres gaat achteruit vanwege hun scheiding. Verweerder kent verder een te groot gewicht toe aan het economisch belang van de Nederlandse staat, ook omdat referente juist wil bijdragen aan de economie. [3] Ten slotte heeft verweerder miskent dat eiseres geen banden meer heeft met Syrië sinds het vertrek van referente en haar kleinzoon. Ze heeft wel banden met Nederland, gelet op het verblijf van haar familieleden.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat er geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiseres en referente. De rechtbank is ook van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat de belangenafweging in het kader van het gezinsleven tussen eiseres en haar kleinzoon in het nadeel van eiseres uit valt. De rechtbank legt dat hieronder uit.
Bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiseres en referente
6. Verweerder beoordeelt of er familie- of gezinsleven bestaat in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM tussen een meerderjarig kind en zijn ouder(s) op grond van het vereiste van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Verweerder moet een brede beoordeling maken van de vraag of er bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn, waarin hij alle individuele omstandigheden van het geval betrekt. Deze elementen kunnen onder meer zijn: samenwoning, de mate van financiële afhankelijkheid, de mate van emotionele afhankelijkheid, de gezondheid van betrokkenen en de banden met het land van herkomst.
6.1.
De bestuursrechter toetst het onderzoek van verweerder naar de relevante feiten en omstandigheden volledig. Ook toetst de bestuursrechter de motivering van verweerder volledig. Daarbij gaat de bestuursrechter na of de motivering in objectieve zin begrijpelijk is. De bestuursrechter toetst de uitkomst van de beoordeling of familie- en gezinsleven op grond van bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaat enigszins terughoudend, omdat verweerder die uitkomst moet baseren op een weging van de in samenhang bezien betrokken feiten en omstandigheden. Verweerder heeft daarbij namelijk beoordelingsruimte. De uitkomst van haar beoordeling is dus niet alleen gebaseerd op een feitenvaststelling.
7. Uit uitspraken van de hoogste bestuursrechter volgt verder dat verweerder voor het aannemen van bijkomende elementen van afhankelijkheid niet mag vereisen dat tussen een vreemdeling en referent sprake moet zijn van banden die zo sterk zijn dat zij niet zonder elkaar kunnen functioneren. Verweerder mag dit aspect wel betrekken als één van de onderdelen in zijn beoordeling van de bijkomende elementen van afhankelijkheid. [4]
7.1.
De rechtbank overweegt als volgt. In de besluitvorming heeft verweerder uitdrukkelijk gesteld dat de afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres en referente zo sterk moet zijn dat eiseres of referente niet in staat zouden zijn om zichzelf te handhaven in afwezigheid van de ander. Vervolgens heeft verweerder geconcludeerd dat niet aannemelijk is dat eiseres vanwege medische omstandigheden voor haar volledige functioneren exclusief afhankelijk is van referente en dat daarom de medische omstandigheden niet maken dat er sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat de praktische zorg die eiseres stelt te behoeven vanwege haar medische omstandigheden, ook door anderen kan worden verleend. De rechtbank is van oordeel dat de vraag in hoeverre eiseres exclusief afhankelijk is van de hulp van referente hiermee ten onrechte een leidende rol heeft gespeeld in de beoordeling van verweerder. De rechtbank volgt eiseres in haar betoog dat verweerder hiermee een te hoge lat aanlegt in de beoordeling van het bestaan van bijkomende elementen van afhankelijkheid.
8. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de medische omstandigheden en daaruit volgende hulpbehoevendheid van eiseres geen bijkomende elementen van afhankelijkheid vormen.
8.1.
Eiseres heeft bij haar aanvraag verklaringen overgelegd van artsen in Syrië om te onderbouwen dat zij leidt aan verschillende medische aandoeningen, waaronder de gevolgen van opgelopen brandwonden op 75% van haar onderbenen, het verwijderen van haar galblaas, het uitbreiden en stabiliseren van haar ruggenwervels en een hartziekte. In deze medische verklaringen wordt tevens aangegeven dat er onvoldoende behandelmogelijkheden zijn in Syrië. Verder heeft referente verklaard dat eiseres vanwege deze medische omstandigheden hulp behoeft bij praktische zaken en haar persoonlijke verzorging. Referente heeft verklaard dat zij deze hulp bood voor haar vertrek uit Syrië en dat de kleinzoon van eiseres dat heeft gedaan na haar vertrek. De kleinzoon van eiseres was in deze periode tussen de vijf en de elf jaar oud. Sinds het vertrek van de kleinzoon van eiseres bieden de buren van eiseres hulp tegen betaling.
8.2.
Verweerder heeft zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is dat eiseres vanwege haar medische omstandigheden afhankelijk is van medische zorg en van de zorg van referente. Verweerder heeft namelijk de overgelegde medische verklaringen van eiseres en de verklaringen die referente heeft afgelegd, onvoldoende in samenhang beoordeeld. Daarbij heeft verweerder zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat uit de medische verklaringen niet volgt dat eiseres vanwege haar medische omstandigheden afhankelijk is van hulp. Verweerder werpt ten onrechte tegen dat de verklaringen van de artsen niet toelichten waarom er geen verdere behandelmogelijkheden zijn in Syrië, op welke wijze fysiotherapie de medische omstandigheden van eiseres zou verbeteren en welke anesthesiologische omstandigheden in de weg zouden staan aan verdere medische ingrepen. De rechtbank ziet niet in waarom deze punten afbreuk zouden doen aan de relevantie en de inhoud van de medische verklaringen. De rechtbank acht daarbij van belang dat de arts uitdrukkelijk stelt dat eiseres vanwege haar medische omstandigheden niet in staat is haar dagelijkse taken, zoals medische verzorging en persoonlijke hygiëne, zelfstandig uit te voeren. Verweerder heeft zich ook onvoldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat aannemelijk is dat eiseres zichzelf staande kan houden, omdat referente heeft verklaard dat eiseres zichzelf kan wassen en kan koken. De rechtbank kan verweerder hierin niet volgen, gelet op het geheel van medische bewijsstukken en de verklaringen van referente waaruit (ook) volgt dat eiseres zich slechts kan verplaatsen met behulp van stokken, dat zij hulp nodig heeft gehad van referente en, na haar vertrek, van de (zeer jonge) kleinzoon van eiseres. De beroepsgrond slaagt.
De belangenafweging in het kader van het gezinsleven tussen eiseres en haar kleinzoon
9. Niet in geschil is dat eiseres en haar kleinzoon familieleven hebben in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. In geschil is of verweerder de belangenafweging in het nadeel van eiseres heeft kunnen laten uitvallen. Bij de beantwoording van de vraag of inmenging in het gezins- of privéleven beschermd door artikel 8 van Pro het EVRM is gerechtvaardigd, dient er een ‘fair balance’ te worden gevonden tussen de belangen van de vreemdeling enerzijds en het algemeen belang van de Staat anderzijds. De rechtbank beoordeelt zonder terughoudendheid of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in die belangenafweging heeft betrokken en beoordeelt de uitkomst van de gemaakte belangenafweging enigszins terughoudend. [5]
9.1.
Uit rechtspraak van de hoogste bestuursrechter volgt dat verweerder in deze belangenafweging moet beoordelen welk gewicht aan de belangen van het kind toekomt. Volgens het beleid van verweerder vormt in iedere beslissing het belang van het kind een eerste overweging die zwaar meeweegt en een centrale plaats dient te krijgen. [6]
9.2.
Uit rechtspraak van de hoogste bestuursrechter volgt verder dat verweerder de intensiteit of aard van het gezinsleven tussen een kleinkind en een grootouder mag betrekken in de belangenafweging. [7] Verweerder mag zich daarbij, mits gemotiveerd inzicht wordt gegeven in de daarbij betrokken omstandigheden, op het standpunt stellen dat de intensiteit of aard van het gezinsleven tussen de grootouder en het kleinkind niet in het voordeel van de vreemdelingen wordt betrokken. Daarbij mag verweerder volgens de hoogste bestuursrechter betrekken dat de relatie tussen grootouders en kleinkinderen over het algemeen een mindere mate van bescherming vereist dan de relatie tussen ouders en hun kinderen. [8] Verweerder kan van dit standpunt afwijken wanneer de feiten en omstandigheden daar aanleiding toe geven, bijvoorbeeld gelet op de rol die ouders en grootouders hebben gehad in de opvoeding van het betrokken (klein)kind. [9]
9.3.
Verweerder heeft in het voordeel van eiseres betrokken dat er gezinsleven bestaat tussen eiseres en haar kleinzoon en heeft licht in het voordeel van eiseres betrokken dat er sprake is van een objectieve belemmering om dat gezinsleven uit te oefenen in Syrië. In het nadeel van eiseres heeft verweerder betrokken dat eiseres sterke banden met Syrië heeft en geen sterke banden heeft met Nederland. Verder heeft verweerder in het nadeel van eiseres betrokken dat het in het belang van haar kleinzoon is om met zijn moeder te verblijven en het niet in zijn belang is om met eiseres te verblijven. Ten slotte heeft verweerder het restrictief toelatingsbeleid en het economisch belang van Nederland in het nadeel van eiseres betrokken.
9.4.
De rechtbank is van oordeel dat de belangenafweging onvolledig is en dat er geen sprake is van een ‘fair balance’ in de door verweerder verrichte belangenafweging. Verweerder heeft namelijk niet inzichtelijk gemaakt dat hij heeft betrokken dat eiseres lange tijd de hoofdverzorger is geweest van haar kleinzoon in Syrië. Eiseres en haar kleinzoon hebben, na het vertrek van referente, vijf jaar met zijn tweeën gewoond in Syrië. De kleinzoon van eiseres had een jonge leeftijd gedurende die jaren. Tussen zijn 5e en 11e levensjaar is eiseres zijn enige hoofdverzorger en opvoeder geweest. Dit zijn vormende jaren, waarin een kind zich hecht aan zijn verzorger. De rechtbank acht dit zeer relevante omstandigheden die verweerder niet achterwege kan laten in de belangenafweging. Verweerder heeft niet inzichtelijk gemaakt of er gewicht aan deze omstandigheden is toegekomen. Tegen deze achtergrond acht de rechtbank ook niet inzichtelijk gemotiveerd waarom de objectieve belemmering om het gezinsleven uit te oefenen in Syrië slechts licht in het voordeel van eiseres weegt.
9.5.
De rechtbank is ook van oordeel dat niet inzichtelijk is gemaakt dat de voornoemde omstandigheden zijn betrokken in de vaststelling van de belangen van het kind en de weging daarvan in de belangenafweging
. [10] De rechtbank acht daartoe ook relevant dat eiseres heeft onderbouwd dat haar kleinzoon psychische hulp nodig heeft als gevolg van de scheiding van zijn moeder (referente) en dat – zoals eiseres stelt – overkomst van zijn oma (eiseres) in zijn belang zou zijn gelet op de rol als hoofdverzorgster die zij de afgelopen jaren heeft vervuld. De rechtbank overweegt verder dat niet duidelijk is waarom in het nadeel van eiseres is betrokken dat het in het belang is van haar kleinzoon om met referente (zijn moeder) te verblijven. Immers zou er bij overkomst van eiseres geen sprake zijn van een scheiding tussen kleinzoon en referente, maar van verblijf mét eiseres bij referente. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd dat het niet in het belang van het kind is om (ook) bij eiseres te zijn en dat dit niet in het voordeel van eiseres is meegewogen. De rechtbank wijst er daarbij op dat verweerder mag betrekken dat referente nu weer de hoofdverzorger is van het kleinkind en dat haar rol in zijn leven het belangrijkst is, maar dat verweerder niet onder deze omstandigheden in zijn geheel geen gewicht toe kan kennen aan de grote rol van eiseres in het leven van haar kleinzoon. [11]

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat de rechtbank het bestreden besluit vernietigt. Verweerder zal een nieuwe beslissing moet maken op het bezwaar van eiseres met inachtneming van deze uitspraak. Gelet op de belangen van het betrokken (klein)kind draagt de rechtbank verweerder om op binnen vier weken een nieuw besluit te nemen.
11. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder de proceskosten van eiseres
vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten
bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op
€1.868,-. [12]
12. Eiseres krijgt ook een vergoeding van het griffierecht.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het besluit van 8 augustus 2025;
  • draagt verweerder op om binnen vier weken een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van deze uitspraak;
  • bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 189,- vergoedt;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Jans, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
2.Eiseres verwijst daarbij naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen van 11 december 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:20736.
3.Eiseres verwijst daarbij naar de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem van 4 maart 2020 ECLI:NL:RBDHA:2020:2984 en 10 februari 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:1614.
4.Zie de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 18 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3275, en de uitspraak van de Afdeling van 4 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1003.
5.Zie de uitspraak van de Afdeling van 5 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:964.
6.Zie de Werkinstructie 2020/16 (Richtlijnen voor de toepassing van artikel 8 EVRM Pro).
7.Zie de uitspraken van de Afdeling van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3170 en 27 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3894.
8.Idem.
9.Zie de uitspraken van de Afdeling van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3170 en 27 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3894.
10.Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1187, r.o. 14
11.Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van ECLI:NL:RVS:2024:1187, r.o. 13.4
12.1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een