ECLI:NL:RBDHA:2026:4807
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beëindiging facultatieve tijdelijke bescherming en uitvaardiging terugkeerbesluiten aan derdelander uit Oekraïne
Eiser, een derdelander uit Oekraïne, betwistte de beëindiging van zijn facultatieve tijdelijke bescherming en de uitvaardiging van terugkeerbesluiten door verweerder. De rechtbank stelde vast dat de tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB) en het Uitvoeringsbesluit per 4 maart 2024 rechtsgeldig eindigde, conform eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak en het Hof van Justitie van de Europese Unie.
Eiser voerde onder meer aan dat de beëindiging in strijd was met het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel en dat verweerder een belangenafweging had moeten maken. De rechtbank verwierp deze gronden, stellende dat het Unierecht lidstaten toestaat facultatieve tijdelijke bescherming eerder te beëindigen zonder individuele belangenafweging.
Ook het terugkeerbesluit werd getoetst aan het evenredigheidsbeginsel en artikel 8 EVRM Pro. De rechtbank vond onvoldoende aanleiding om het besluit te schorsen of te vernietigen, mede omdat eiser geen zwaarwegende persoonlijke omstandigheden had aangetoond die een uitzondering rechtvaardigen.
De beroepen tegen de besluiten van 21 augustus 2023 en 21 februari 2024 werden niet-ontvankelijk verklaard, terwijl het beroep tegen het besluit van 6 augustus 2025 ongegrond werd verklaard. Verweerder werd veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen niet-ontvankelijk dan wel ongegrond en veroordeelt verweerder tot betaling van proceskosten aan eiser.