ECLI:NL:RVS:2025:1827
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging terugkeerbesluit wegens prematuur uitvaardigen tijdens facultatieve tijdelijke bescherming
De zaak betreft het hoger beroep van appellant tegen het terugkeerbesluit van 7 februari 2024, uitgevaardigd door de minister van Asiel en Migratie. Dit besluit volgde op de beëindiging van de tijdelijke bescherming die appellant genoot op grond van Richtlijn 2001/55/EG en het Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft het hoger beroep geschorst in afwachting van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie, dat op 19 december 2024 uitspraak deed over de uitleg van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming.
Het Hof bevestigde dat lidstaten discretionair kunnen bepalen wanneer zij facultatieve tijdelijke bescherming verlenen en beëindigen, mits dit binnen het kader van de Richtlijn blijft en de algemene beginselen van het Unierecht worden gerespecteerd. Tevens oordeelde het Hof dat een terugkeerbesluit niet kan worden uitgevaardigd zolang een vreemdeling legaal verblijft op grond van facultatieve tijdelijke bescherming.
De Afdeling concludeert dat de minister het terugkeerbesluit ten onrechte heeft uitgevaardigd op 7 februari 2024, terwijl appellant nog rechtmatig verbleef. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het terugkeerbesluit vernietigd en de uitspraak van de rechtbank voor zover deze het terugkeerbesluit betreft eveneens vernietigd. De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten.
Uitkomst: Het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 wordt vernietigd omdat het prematuur is uitgevaardigd terwijl appellant nog rechtmatig verbleef.