ECLI:NL:RVS:2025:4148
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging terugkeerbesluit wegens voortduren tijdelijke bescherming volgens EU-richtlijn
Bij besluit van 24 augustus 2023 beëindigde de staatssecretaris het recht op tijdelijke bescherming van betrokkene op grond van EU-richtlijn 2001/55/EG per 4 september 2023 en beval vertrek uit de EU. Dit besluit werd op 6 februari 2024 ingetrokken, maar op 7 februari 2024 volgde een nieuw terugkeerbesluit dat betrokkene opdroeg Nederland te verlaten.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en vernietigde het tweede besluit. De minister stelde hoger beroep in, waarbij de Afdeling bestuursrechtspraak eerst oordeelde dat het hoger beroep ontvankelijk was ondanks een te korte termijn genoemd door de rechtbank, omdat de wettelijke termijn vier weken bedraagt.
Inhoudelijk oordeelde de Afdeling dat de minister bevoegd was om tijdelijke bescherming te beëindigen, maar dat het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 onrechtmatig was omdat betrokkene toen nog tijdelijke bescherming genoot en dus rechtmatig verbleef. Het beroep werd gegrond verklaard, het terugkeerbesluit vernietigd en de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 wordt vernietigd omdat betrokkene nog tijdelijke bescherming genoot en rechtmatig verbleef.