ECLI:NL:RBDHA:2026:3842

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 februari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
NL25.43006
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMparagraaf B7/3.8.1 Vreemdelingencirculaire 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag machtiging voorlopig verblijf als familie- of gezinslid bij meerderjarige broer

Eiser, een Jemenitische jongvolwassene, vroeg een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) aan om bij zijn meerderjarige broer in Nederland te verblijven. De minister van Asiel en Migratie wees de aanvraag af omdat het jongvolwassenenbeleid niet op eiser van toepassing was en er geen bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiser en zijn ouders of broer waren. Wel werd gezinsleven aangenomen met de minderjarige broer en zus, maar de belangenafweging viel in het nadeel van eiser uit.

Eiser voerde aan dat hij onder het jongvolwassenenbeleid viel, dat de gezinsband niet was verbroken ondanks studieverblijf in Jemen, en dat er wel sprake was van financiële, emotionele en praktische afhankelijkheid. Ook stelde hij dat de belangenafweging onjuist was en dat de hoorplicht was geschonden.

De rechtbank oordeelde dat eiser een zelfstandige keuze had gemaakt om in Jemen te studeren, waardoor het jongvolwassenenbeleid niet van toepassing was. Er waren geen bijkomende afhankelijkheidselementen tussen eiser en zijn ouders of broer. De belangenafweging was zorgvuldig en rechtvaardig, waarbij ook het economisch belang van de Nederlandse staat was meegewogen. De hoorplicht was niet geschonden omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was.

Het beroep werd ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de mvv-aanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.43006

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. A.A. van Harmelen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. M. van Boheemen).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het doel ‘verblijf als familie- of gezinslid.’
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 20 november 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 8 augustus 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 27 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent, de moeder en zus van referent en eiser, de gemachtigde van eiser, G. Ahmed als tolk, en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser heeft de Jemenitische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 2001. Namens eiser is op 5 december 2022 een mvv aangevraagd omdat hij in Nederland wil verblijven bij zijn meerderjarige broer, [referent] (referent). Referent verblijft in Nederland met een verblijfsvergunning asiel, geldig vanaf 28 juli 2022.
2.1.
Tegelijkertijd met de aanvraag voor eiser, zijn aanvragen voor mvv’s voor de andere gezinsleden van eiser en referent gedaan. Het gaat om de ouders en minderjarige broer en zus van eiser en referent. Deze aanvragen heeft verweerder ingewilligd. De gezinsleden, behalve de vader, zijn inmiddels vanuit Saoedi-Arabië naar Nederland gekomen.
3. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen om de volgende redenen. Het jongvolwassenenbeleid is niet op eiser van toepassing en tussen eiser en zijn ouders bestaan geen bijkomende elementen van afhankelijkheid. Dit laatste geldt ook tussen eiser en referent. Verweerder neemt daarom geen familie- en gezinsleven aan in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM tussen eiser en zijn ouders en tussen eiser en referent. Verweerder heeft wel aangenomen dat sprake is van gezinsleven tussen eiser en zijn minderjarige broer en zus. De belangenafweging die eiser daarom heeft gemaakt, is echter in het nadeel van eiser uitgevallen.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert het volgende aan. Allereerst valt hij wel onder het jongvolwassenenbeleid. Dat hij acht à negen maanden in Jemen heeft gewoond om te studeren, maakt niet dat de gezinsband is verbroken. Als de gezinsband wel is verbroken, is dat gedwongen geweest omdat het voor eiser als Jemeniet onmogelijk is om in Saoedi-Arabië te studeren. [1] Daarnaast is de gezinsband hersteld omdat eiser inmiddels weer geruime tijd bij zijn gezin in Saoedi-Arabië woont. [2] Ook is er wel sprake van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiser en zijn meerderjarige gezinsleden in financiële, emotionele en praktische zin. Eiser betoogt verder dat de belangenafweging over eisers broer en zus in zijn voordeel uit moest vallen. Eiser wijst erop dat hij nu sterke banden heeft met Nederland vanwege de verblijfsvergunningen van zijn gezinsleden. Ook is er een objectieve belemmering om het gezinsleven in Jemen uit te oefenen en heeft verweerder de economische belangen van de staat te zwaar meegewogen. [3] Verweerder heeft tot slot de hoorplicht in bezwaar geschonden.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. De rechtbank zal dit oordeel hieronder uitleggen.
6. Verweerder gebruikt het jongvolwassenenbeleid om vast te stellen of tussen een meerderjarig kind en zijn ouder(s) familie- of gezinsleven bestaat als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM zonder dat daarvoor bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn vereist. Het jongvolwassenenbeleid bevat vier cumulatieve vereisten: het meerderjarig kind moet jongvolwassen zijn, met zijn ouder(s) in gezinsverband samenleven, niet in zijn eigen onderhoud voorzien en geen zelfstandig gezin hebben gevormd. [4] Als een meerderjarig kind geen geslaagd beroep kan doen op het jongvolwassenenbeleid, beoordeelt verweerder of er tussen dat kind en zijn ouder(s) sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid op basis waarvan zij familie- of gezinsleven hebben. Deze elementen kunnen zijn: samenwoning, de mate van financiële afhankelijkheid, de mate van emotionele afhankelijkheid en de gezondheid van betrokkenen.
Het jongvolwassenenbeleid
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft geconcludeerd dat het jongvolwassenenbeleid niet op eiser van toepassing is. Eiser is namelijk in Jemen gaan studeren en heeft daar acht tot negen maanden zelfstandig gewoond. Dit mocht verweerder aanmerken als sterke indicaties van zelfstandigheid. Dat eiser in Saoedi-Arabië niet door zou kunnen studeren, maakt dat eiser voor een lastige beslissing heeft gestaan, maar doet er niet aan af dat hij een weloverwogen keuze heeft gemaakt om naar Jemen te vertrekken. Ook het feit dat eiser is teruggekeerd naar zijn ouders omdat hij zijn studie niet voort kon zetten, maakt niet dat het jongvolwassenenbeleid op hem van toepassing is. Eiser is namelijk teruggegaan vanwege externe omstandigheden, en niet omdat hij zich niet kon handhaven. De gezinsband is dus, anders dan eiser subsidiair heeft betoogd, niet door de terugkeer van eiser hersteld in de zin van het jongvolwassenenbeleid. Verweerder mocht er daarnaast op wijzen dat eisers ouders hem niet financieel onderhouden. Dat eiser geld ontving van zijn broers, is in dit kader niet relevant omdat het jongvolwassenenbeleid ziet op afhankelijkheid van de ouders. Daar komt bij dat eiser ook zelf gedeeltelijke inkomsten heeft en bijdraagt aan het huishouden.
Bijkomende elementen van afhankelijkheid
8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder ook heeft kunnen concluderen dat er geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiser en zijn ouders en tussen eiser en referent. Dat eiser een bijzondere band heeft met zijn ouders vanwege het overlijden van zijn broer [naam] , leidt niet tot de conclusie dat er sprake is van een bijzondere emotionele afhankelijkheid. Verweerder mocht zich ook op het standpunt stellen dat er geen sprake is van financiële afhankelijkheid, nu eiser heeft verklaard en onderbouwd dat hij financieel afhankelijk is van zijn oudere broers en niet van zijn ouders. De rechtbank volgt eiser in dit kader niet in zijn betoog dat hij van het gezin als geheel financieel afhankelijk is. Verweerder heeft er daarbij op mogen wijzen dat eiser zelf ook werkt. Ook dat eiser bij het vertrek van zijn gezinsleden dakloos zal worden en blijven, hoefde verweerder niet tot een andere conclusie te brengen omdat dit niet nader is onderbouwd. Wat betreft de praktische afhankelijkheid heeft verweerder deugdelijk gemotiveerd dat hierom geen gezinsleven hoeft te worden aangenomen. De huishoudelijke taken die eiser noemt, passen namelijk bij de normale situatie waarin een meerderjarig kind thuiswoont en kunnen daarnaast door de andere kinderen worden verricht.
De belangenafweging
9. Nu verweerder gezinsleven heeft aangenomen tussen eiser en zijn minderjarige broer en zus, moest verweerder een belangenafweging maken. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de belangenafweging in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM niet ten onrechte in het nadeel van eiser heeft laten uitvallen. Verweerder heeft alle relevante omstandigheden in zijn belangenafweging betrokken en een “fair balance” gemaakt tussen de belangen van eiser en die van de Nederlandse staat.
10. Verweerder heeft betrokken dat er sprake is van gezinsleven, maar dat het niet gaat om zeer sterk gezinsleven en dat eiser minder steun van zijn gezinsleven nodig heeft omdat hij stappen naar zelfstandigheid heeft gezet. Ook heeft verweerder betrokken dat eisers banden met Jemen beperkt zijn omdat hij Jemen op jonge leeftijd heeft verlaten. Wel heeft eiser banden met Saoedi-Arabië. Verweerder heeft in de besluitvorming ook voldoende betrokken dat er een objectieve belemmering bestaat om het gezinsleven uit te oefenen in het land van herkomst. Eiser woont nu in Saoedi-Arabië en de gezinsleden kunnen daar mogelijk het gezinsleven uitoefenen. Verweerder mocht de objectieve belemmering daarom minder zwaar meewegen. Het betoog van eiser dat hij nu de sterkste banden met Nederland heeft vanwege de aanwezigheid van zijn gezinsleden, hoefde de belangenafweging niet in eisers voordeel te doen uitvallen. Het blijft namelijk staan dat eiser niet bekend is met Nederland, waaronder de taal, cultuur en gewoontes en er niet eerder is geweest. Verweerder heeft ook het economisch belang van de staat in het nadeel van eiser mogen meewegen en heeft daar niet ten onrechte meer gewicht aan toegekend. Dat verweerder het economisch belang van de Nederlandse staat bij de belangenafweging mag betrekken, volgt uit jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter. [5] In dit geval heeft verweerder mogen betrekken dat referent eiser niet volledig financieel kan ondersteunen. Verweerder heeft wel minder zwaar gewogen dat referent onvoldoende middelen van bestaan heeft vanwege zijn leeftijd en nog korte verblijf in Nederland. Anders dan eiser heeft betoogd, mocht verweerder ook als één van de factoren meewegen dat eiser gebruik zal maken van de openbare kas en publieke voorzieningen.
De hoorplicht
11. Tot slot volgt de rechtbank het standpunt van eiser niet dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden. Van het horen in bezwaar mag pas worden afgezien, als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een andersluidend oordeel kunnen leiden. Gelet op de motivering van het primaire besluit en de inhoud van de gronden van het bezwaar van eiser, mocht verweerder het bezwaar kennelijk ongegrond verklaren en afzien van het horen. De stelling van gemachtigde dat in dit type zaken over het algemeen wordt gehoord, maakt niet dat verweerder daar in deze zaak toe was gehouden. Verweerder heeft zich namelijk op het standpunt mogen stellen dat de bezwaargronden niet tot een ander oordeel zouden kunnen leiden omdat er in de bezwaarfase geen nieuwe omstandigheden naar voren zijn gekomen.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
13. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, rechter, in aanwezigheid van mr. H.S. van Wessel, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Eiser verwijst naar het artikel ‘Opgroeien als Jemeniet in Saoedi-Arabie, niemand geeft dan om je’ (dekanttekening.nl) van 12 april 2022 en het Informatiebericht 2020/153 van verweerder ‘Beoordeling veilig derde land – Saoedi-Arabië.’
2.Eiser verwijst naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 20 november 2024 ( ECLI:NL:RVS:2024:4630 en ECLI:NL:RVS:2024:4631).
3.Eiser verwijst naar de uitspraken van de rechtbank Haarlem van 4 maart 2020 (ECLI:NL:RBDHA:2020:2984) en van 10 februari 2022 (ECLI:NL:RBDHA:2022:1614) en de uitspraak van de Afdeling van 2 september 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2123).
4.Zie paragraaf B7/3.8.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
5.Bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling 25 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2485.