ECLI:NL:RBDHA:2026:2997

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
16 februari 2026
Zaaknummer
NL25.24643
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 lid 6 VwArt. 31 lid 1 VwArt. 30b lid 1 VwArt. 29 lid 1 VwArt. 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende individuele risico-inschatting bij terugkeer uit het Westen

Eiser, een Afghaanse asielzoeker, heeft voor de derde keer een asielaanvraag ingediend met als grond zijn bekering tot het christendom en het risico op vervolging bij terugkeer naar Afghanistan. Verweerder wees de aanvraag af wegens ongeloofwaardigheid van de bekering en het ontbreken van een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer.

De rechtbank oordeelt dat de bekering tot het christendom terecht als ongeloofwaardig is beoordeeld, omdat eiser onvoldoende persoonlijke en samenhangende verklaringen heeft gegeven. De afvalligheid van de islam is niet als apart asielmotief beoordeeld, wat conform eerdere jurisprudentie juist is.

Belangrijk is dat verweerder bij de risico-inschatting onvoldoende rekening heeft gehouden met individuele omstandigheden, zoals de tweede terugkeer vanuit het Westen, de niet-praktiserende moslimstatus, de bekendheid van zijn bekering in Afghanistan, zijn eerdere werkzaamheden bij de Afghaanse centrale bank en de positie van zijn vader. Hierdoor is het besluit ondeugdelijk gemotiveerd en onzorgvuldig voorbereid.

De rechtbank vernietigt het besluit en draagt verweerder op binnen tien weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens worden de proceskosten aan verweerder opgelegd.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit tot afwijzing van de asielaanvraag wordt vernietigd wegens ondeugdelijke motivering van het risico bij terugkeer.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.24643

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. H.E. Visscher),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. Y. Verheugd).

Procesverloop

Bij besluit van 26 mei 2025 heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep, tezamen met eisers verzoek om een voorlopige voorziening (NL25.24644), op 17 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [naam] als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

Inleiding

1.1.
Eiser heeft de Afghaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1985.
1.2.
Op 5 december 2015 heeft eiser zijn eerste asielaanvraag in Nederland ingediend. Aan deze asielaanvraag heeft eiser – samengevat – ten grondslag gelegd dat hij in Afghanistan slachtoffer is geweest van een poging tot ontvoering door de Taliban. Bij besluit van 31 maart 2017 heeft verweerder deze asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond, omdat het asielmotief volgens verweerder ongeloofwaardig is. Het hiertegen door eiser ingestelde beroep is bij uitspraak van 16 november 2017 (AWB 17/9188) door deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, ongegrond verklaard. Deze uitspraak is bij uitspraak van 23 maart 2018 door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) bevestigd.
1.3.
Op 28 oktober 2019 heeft eiser een tweede asielaanvraag ingediend. Aan deze asielaanvraag heeft eiser ten grondslag dat hij is bekeerd tot het christendom. Bij besluit van 7 mei 2020 heeft verweerder deze asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Het hiertegen door eiser ingestelde beroep is bij uitspraak van 25 januari 2021 (NL20.11917) door deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, ongegrond verklaard. Deze uitspraak is bij uitspraak van 23 februari 2021 door de Afdeling bevestigd.
1.4.
Op 26 januari 2021 is eiser met de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) vertrokken naar Afghanistan.
De asielaanvraag
2.1.
Op 26 juli 2022 heeft eiser wederom een asielaanvraag ingediend in Nederland. Over deze – derde – asielaanvraag gaat deze uitspraak.
2.2.
Eiser heeft aan deze asielaanvraag – samengevat – het volgende ten grondslag gelegd. In 2015 is eiser vanwege persoonlijke problemen uit Afghanistan vertrokken. In Nederland is hij in 2016 in aanraking gekomen met het christendom en in 2019 is hij bekeerd. In 2021 is eiser, nadat zijn tweede asielaanvraag was afgewezen, teruggekeerd naar Afghanistan om zich met zijn vrouw te herenigen en om samen naar Nederland te reizen. Tijdens zijn verblijf in Afghanistan heeft eiser aan zijn vrouw verteld dat hij is bekeerd tot het christendom. Zijn vrouw heeft dit aan haar streng islamitische vader verteld en hij heeft dit vervolgens weer bekend gemaakt in de omgeving. Omdat bekering in Afghanistan een doodzonde is, is eiser in juni 2021 wederom uit Afghanistan vertrokken. De relatie met zijn vrouw is ook ten einde. In Nederland heeft hij zich verder verdiept in het christelijke geloof en heeft hij geloofsgroei doorgemaakt. Op 12 december 2024 is hij gedoopt.
Bij terugkeer naar Afghanistan vreest eiser te worden gedood door de Taliban of de mensen in zijn omgeving die op de hoogte zijn van zijn bekering.
Het bestreden besluit
3.1.
Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:
  • identiteit, nationaliteit en herkomst;
  • bekering tot het christendom;
  • problemen vanwege werkzaamheden bij de bank in Afghanistan.
3.2.
Verweerder heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig geacht. Eisers bekering tot het christendom en zijn problemen door zijn werkzaamheden bij de bank in Afghanistan heeft verweerder echter ongeloofwaardig geacht, omdat niet is voldaan aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Het geloofwaardig geachte element levert volgens verweerder geen asielgrond op als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw, omdat op grond daarvan niet aannemelijk is dat eiser een gegronde vrees heeft voor vervolging als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag of bij terugkeer naar Afghanistan een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Gelet hierop, en nu eiser zijn asielaanvraag volgens verweerder niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend, heeft verweerder de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw.
Het oordeel van de rechtbank
4. De rechtbank toetst het bestreden besluit aan de hand van de beroepsgronden die eiser daartegen heeft aangevoerd.
Geloofwaardigheid bekering tot het christendom
5. Eiser stelt dat zijn bekering tot het christendom ten onrechte ongeloofwaardig is geacht.
5.1.
Verweerder heeft eisers bekering tot het christendom ongeloofwaardig geacht omdat eisers verklaringen hierover geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen, in de zin van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw. Hiertoe heeft verweerder er in de eerste plaats op gewezen dat in eisers tweede asielprocedure reeds rechtmatig is geoordeeld dat er bij eiser geen sprake was van een geloofwaardige bekering tot het christendom (zie overweging 1.3) en dat dit het uitgangspunt vormt in de huidige asielprocedure. In de tweede plaats heeft verweerder hiertoe gesteld dat eisers verklaringen over zijn geloofsgroei in de huidige procedure onvoldoende overtuigend zijn om de bekering thans wel geloofwaardig te achten. Hiervoor heeft verweerder in het voornemen elf gemotiveerde argumenten gegeven, te weten: (1) eiser maakt zijn gestelde geloofsgroei niet inzichtelijk, (2) eisers verklaringen over wat het christendom hem heeft gebracht zijn onpersoonlijk, (3) eiser geeft geen inzicht in wat het voor hem betekende om in Nederland naar de kerk te gaan en op een vrijelijke manier zijn geloof te uiten, (4) eisers verklaringen over het lezen van de tekst van Johannes zijn niet persoonlijk, (5) eiser maakt niet duidelijk wat er precies over verlossing geschreven staat in de Bijbel, (6) eiser geeft geen inzichtelijke verklaringen over zijn gestelde verdieping binnen zijn geloof, (7) eiser kan niet inzichtelijk maken wat er sinds zijn vorige procedure is veranderd ten aanzien van de bekering tot het christendom, (8) eiser vervalt meermaals in herhaling en kan niet inzichtelijk maken hoe het geloof eraan heeft bijgedragen dat hij zich weer beter is gaan voelen, (9) eiser heeft tegenstijdig verklaard tussen de gehoren en heeft daarvoor geen verschonende verklaring, (10) eisers verklaringen over zijn tijd in Nederland zijn niet persoonlijk, en (11) eiser is summier over welke teksten hem aanspreken binnen het heilige boek.
In zijn zienswijze heeft eiser een aantal van deze argumenten – te weten: 1, 4, 5 en 10 – (summier) bestreden. In het bestreden besluit heeft verweerder hierop gemotiveerd gereageerd en verder toegelicht dat hij de elf argumenten uit het voornemen handhaaft.
5.2.
Uit het voorgaande volgt dat verweerder zijn standpunt dat eisers bekering tot het christendom ongeloofwaardig is uitvoerig en concreet heeft gemotiveerd. Eiser, op zijn beurt, heeft dit geloofwaardigheidsoordeel in zijn aanvullend beroepschrift slechts met summiere en algemene gronden bestreden. In zijn aanvullend beroepschrift stelt eiser enkel dat verweerder vervalt in algemeenheden zonder inhoudelijk in te gaan op de verklaringen van eiser (punt 7), dat verweerder niet heeft gemotiveerd waarom de verklaringen van eiser niet bijdragen aan de inzichtelijkheid van de geloofsgroei (punt 18) en dat verweerder in het geheel niet is ingegaan op de overgelegde doopakte en aanbevelingsbrieven van de kerkgemeenschap (punten 7 en 18).
5.3.
Deze door eiser aangevoerde gronden kunnen naar het oordeel van de rechtbank, die hierbij ter vergelijking verwijst naar de Afdelingsuitspraak van 4 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2169, r.o. 3, niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Anders dan wordt gesteld, is verweerder in zijn besluitvorming wel degelijk ingegaan op de verklaringen die eiser tijdens het nader gehoor en aanvullend gehoor heeft afgelegd en heeft verweerder ook wel degelijk gemotiveerd waarom de verklaringen van eiser onvoldoende inzichtelijk zijn. Eiser heeft in zijn aanvullend beroepschrift verder niet concreet toegelicht op welke verklaringen van hem verweerder onvoldoende zou zijn ingegaan en op welke punten de motivering van verweerder tekort zou schieten. Daarnaast heeft eiser de meeste van de elf argumenten die verweerder heeft gegeven voor zijn geloofwaardigheidsoordeel (zie 5.1.) niet betwist. Verder geldt dat verweerder, anders dan eiser stelt, wel degelijk ook de overgelegde doopakte en aanbevelingsbrieven bij zijn besluitvorming heeft betrokken. Verweerder heeft hierover in het voornemen en het bestreden besluit gesteld dat daaruit weliswaar blijkt dat eiser gedoopt is en dat hij naar de kerk gaat en dienstbaar is voor de kerkgemeenschap, maar dat dit de bekering niet geloofwaardig maakt, omdat het zwaartepunt in de geloofwaardigheidsbeoordeling ligt bij de persoonlijke beleving en de verklaringen die hierover worden gegeven, en dat de verklaringen van eiser hierover op diverse onderdelen tekortschieten. Eiser heeft dit standpunt van verweerder, dat in overeenstemming is met de toegepaste WI 2022/3, in zijn aanvullend beroepschrift niet concreet en inhoudelijk betwist.
5.4.
Gelet op het voorgaande kan hetgeen eiser in beroep heeft aangevoerd niet leiden tot het oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers bekering tot het christendom ongeloofwaardig is. De onder 5. weergegeven beroepsgrond slaagt niet.
Afvalligheid als element
6. Eiser stelt dat zijn afvalligheid van de islam ten onrechte niet als apart element is aangemerkt en beoordeeld.
6.1.
De rechtbank overweegt dat eiser deze beroepsgrond ook al in zijn tweede asielprocedure had aangevoerd. De rechtbank, zittingsplaats Utrecht, heeft daarover in de uitspraak van 25 januari 2021, r.o. 8, geoordeeld dat verweerder de afvalligheid van eiser niet als apart element heeft hoeven aanmerken, omdat uit de verklaringen van eiser niet is gebleken dat er sprake is van twee duidelijk te onderscheiden fasen, een fase van afvalligheid en vervolgens een fase van bekering, terwijl de motieven voor het een en het ander ook niet uiteenlopen.
6.2.
De rechtbank ziet geen aanleiding om hierover in deze procedure, die hoofdzakelijk gaat over de eisers gestelde geloofsgroei, anders te oordelen dan zittingsplaats Utrecht in voormelde uitspraak heeft gedaan. De rechtbank wijst in dit verband nog op de uitspraak van de Afdeling van 13 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1666, waarin is herhaald dat de gestelde afvalligheid en bekering van een vreemdeling alleen als afzonderlijke asielmotieven moeten worden beoordeeld als uit de verklaringen van de vreemdeling blijkt dat de motieven voor, en het moment van afvalligheid duidelijk te onderscheiden zijn van de bekering. Dat is bij eiser niet het geval.
6.3.
Gelet op het voorgaande heeft verweerder de afvalligheid van eiser terecht niet aangemerkt als apart element. De onder 6. weergegeven beroepsgrond slaagt niet.
Risico bij terugkeer
7. Eiser stelt dat verweerder ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat er geen sprake is van individuele omstandigheden die maken dat hij bij terugkeer naar Afghanistan een reëel risico loopt op ernstige schade. Eiser heeft er in dit verband in zijn aanvullend beroepschrift op gewezen dat hij tweemaal de gang naar het Westen heeft gemaakt en dat hij de islam niet praktiseert. In aanvulling hierop heeft eiser ter zitting nog gewezen op zijn werkzaamheden bij de Afghaanse bank, de functie van zijn vader in Afghanistan en de situatie met zijn ex-schoonfamilie.
7.1.
In de uitspraken van 20 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4647, ECLI:NL:RVS:2024:4648, en ECLI:NL:RVS:2024:4649, heeft de Afdeling het volgende geoordeeld. Uit informatie uit openbare bronnen volgt niet dat vreemdelingen die in een westers land hebben verbleven, alleen al om die reden een reëel risico op ernstige schade lopen als zij vrijwillig terugkeren naar Afghanistan. Vreemdelingen die vrijwillig terugkeren naar Afghanistan na een verblijf in het Westen, zijn daarom niet aan te merken als groep die een reëel risico op ernstige schade loopt. Verweerder hoeft geen nader onderzoek te doen naar de risico’s voor Afghaanse vreemdelingen die terugkeren uit Europa. Verweerder moet bij de beoordeling van asielaanvragen van Afghaanse vreemdelingen die na de machtsovername door de Taliban vanuit een westers land terugkeren naar Afghanistan, wel deugdelijk motiveren of met het verblijf in het Westen in onderlinge samenhang bezien met de andere individuele omstandigheden een reëel risico op ernstige schade dreigt. Gelet op artikel 31 van Pro de Vw, is het in dat licht aan een vreemdeling die terugkeert vanuit het Westen om met individuele omstandigheden aannemelijk te maken waarom hij in de negatieve aandacht van de Taliban zal komen.
7.2.
Verweerder heeft in het bestreden besluit, onder verwijzing naar voormelde Afdelingsuitspraken, gesteld dat uit eisers persoonlijke omstandigheden niet is gebleken dat hij door zijn verblijf in het Westen een reëel risico loopt op ernstige schade in Afghanistan. Daarbij heeft verweerder erop gewezen dat eiser in 2021 met hulp van de IOM al eens is teruggekeerd naar Afghanistan en dat dit destijds geen problemen heeft opgeleverd.
7.3.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich met voormelde toelichting ondeugdelijk gemotiveerd en onzorgvuldig voorbereid op het standpunt heeft gesteld dat eiser bij (vrijwillige) terugkeer naar Afghanistan geen reëel risico loopt op ernstige schade. Verweerder heeft bij deze beoordeling namelijk niet kenbaar, naast het feit dat eiser terugkeert uit het Westen, de individuele omstandigheden van eiser betrokken. Dit, terwijl er in eisers geval wel degelijk sprake is van individuele omstandigheden die, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang bezien, risicoverhogend kunnen zijn. De rechtbank gaat hierna in op die individuele omstandigheden, die verweerder dus ten onrechte niet kenbaar bij zijn risico-inschatting heeft betrokken.
7.3.1.
Ten eerste. Bij eiser zal sprake zijn van een tweede terugkeer naar Afghanistan vanuit het Westen. Eiser is namelijk al eens eerder, in januari 2021, teruggekeerd naar Afghanistan, maar heeft Afghanistan korte tijd later, halverwege juni 2021, weer verlaten. Een tweede terugkeer vanuit het Westen zou door de Taliban kunnen worden gezien als een teken dat eiser banden heeft met het Westen of, in ieder geval, de westerse normen en waarden aanhangt. Bovendien geldt dat eiser Afghanistan heeft verlaten op het moment dat de Taliban bezig was aan een opmars en kort voordat de Taliban de macht daar heeft overgenomen. Uit de Afdelingsuitspraak van 20 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4647, r.o. 11, volgt dat de Taliban Afghanen die vanwege de machtsovername zijn vertrokken zien als verraders. Dit een en ander had verweerder bij zijn risico-inschatting moeten betrekken.
7.3.2.
Ten tweede. Hoewel eisers gestelde (met afvalligheid samenvallende) bekering tot het christendom niet ten onrechte ongeloofwaardig is geacht, is niet in geschil dat eiser in ieder geval een niet-praktiserend moslim is. De rechtbank wijst in dit verband op de uitspraak van zittingsplaats Utrecht van 25 januari 2021, r.o. 8, waaruit volgt dat verweerder heeft aangenomen dat eiser in Afghanistan een niet-praktiserend moslim was. Uit de door eiser in het aanvullend beroepschrift aangehaalde landeninformatie, waaronder het Algemeen Ambtsbericht Afghanistan van juni 2023 en de EUAA Country Guidance on Afghanistan van mei 2024, volgt dat de Taliban streng controleren op het belijden van de islam en streng optreden tegen Afghanen die de zedelijkheidswetten overtreden. Dit had verweerder bij zijn risico-inschatting moeten betrekken.
7.3.3.
Ten derde. Eiser heeft tijdens de gehoren verklaard dat hij na zijn terugkeer naar Afghanistan aan zijn vrouw heeft verteld dat hij bekeerd is, dat zijn vrouw dit daarna aan haar streng islamitische vader heeft verteld en dat de vader dit vervolgens heeft rondgebazuind in de omgeving, met als gevolg dat eiser niet veilig meer was en Afghanistan heeft verlaten. Verweerder heeft deze verklaringen, die eigenlijk een separaat asielmotief vormen, niet uitdrukkelijk op geloofwaardigheid beoordeeld. Weliswaar heeft verweerder in het kader van de geloofwaardigheidsbeoordeling van eisers bekering gesteld dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over de reactie van zijn vrouw op zijn mededeling dat hij bekeerd is, maar daarmee heeft verweerder geen geloofwaardigheidsbeoordeling van voormelde verhaallijn verricht. De rechtbank wijst er in dit verband op dat de omstandigheid dat verweerder niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht dat eiser oprecht bekeerd is, onverlet laat dat eiser zichzelf wel bekeerd kan vinden en dat kan vertellen aan zijn vrouw. Nu verweerder zich niet uitdrukkelijk heeft uitgelaten over de geloofwaardigheid van voormelde verklaringen van eiser, moet het ervoor worden gehouden dat verweerder van die omstandigheden is uitgegaan (vgl. de Afdelingsuitspraak van 11 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:755). Dit betekent dat verweerder deze verklaringen van eiser, waaruit volgt dat eiser in Afghanistan in ieder geval een bekering/afvalligheid wordt toegedicht, bij zijn risico-inschatting had moeten betrekken.
7.3.4.
Ten vierde. Eiser heeft reeds in zijn eerste asielprocedure verklaard, onder overlegging van een flink aantal bewijsdocumenten, dat hij in Afghanistan als afdelingsmanager heeft gewerkt bij de Afghaanse centrale bank. Dit is in de eerste asielprocedure ook uitdrukkelijk geloofd (zie p. 2 van het voornemen van 21 februari 2017). Ook in de tweede asielprocedure wordt hiervan uitgegaan, maar wordt niet geloofd dat eiser door die werkzaamheden problemen heeft ondervonden in Afghanistan (zie p. 8 van het voornemen van 25 maart 2020 en p. 8 van het besluit van 7 mei 2020). In de huidige procedure heeft verweerder in het voornemen echter vermeld dat in de voorgaande procedure al uitvoerig is ingegaan op eisers werkzaamheden bij de bank en waarom dit niet geloofwaardig is geacht. Hiervoor is nu juist uitgelegd dat eisers werkzaamheden bij de Afghaanse bank in de voorgaande procedures wél geloofwaardig zijn geacht, maar zijn problemen als gevolg van die werkzaamheden niet. De rechtbank gaat er dan ook vanuit, mede gelet op de formulering van het ‘kopje’ op p. 10 van het voornemen: “
3. Uw problemen vanwege werkzaamheden bij de bank”, dat verweerder ook in onderhavige procedure aanneemt dat eiser in Afghanistan bij de bank heeft gewerkt. Ook deze omstandigheid had verweerder bij zijn risico-inschatting moeten betrekken. De omstandigheid dat eiser jarenlang onder de voormalige Afghaanse regering een hoge(re) functie heeft gehad bij de Afghaanse centrale bank (zijnde een staatsbank), zou tot negatieve aandacht van de Taliban voor hem kunnen leiden (vgl. de Afdelingsuitspraak 20 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4647, r.o. 12.3.).
Overigens overweegt de rechtbank nog als volgt. Voor zover verweerder, anders dan waarvan de rechtbank hiervoor is uitgegaan, wel heeft bedoeld het standpunt in te nemen dat ongeloofwaardig is dat eiser voor de Afghaanse centrale bank heeft gewerkt, dan betekent dit dat verweerder hiermee terugkomt op zijn uitdrukkelijke geloofwaardigheidsoordeel in de eerste asielprocedure. Dat mag op zichzelf, maar daarvoor geldt dan wel een verzwaarde motiveringsplicht (vgl. de 17 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2333, r.o. 9.5). Daaraan heeft verweerder volstrekt niet voldaan, aangezien elke motivering hieromtrent ontbreekt.
7.3.5.
Ten vijfde. Eiser heeft reeds in zijn eerste asielprocedure verklaard dat zijn vader, die inmiddels in Nederland asiel heeft gekregen, ongeveer 40 jaar lang officier van justitie in Afghanistan is geweest en in die hoedanigheid onder meer verantwoordelijk is geweest voor de opsluiting van Taliban-strijders. Dit is door verweerder ook aangenomen (zie de uitspraak van zittingsplaats Zwolle van 16 november 2017, r.o. 3 en 7) en niet gebleken is dat verweerder hierop op een later moment is teruggekomen. Hoewel deze omstandigheid niet direct op eiser zelf ziet, maar op zijn vader, diende verweerder deze omstandigheid toch bij zijn risico-inschatting te betrekken, omdat eiser, als zoon van zijn vader, hierdoor bij terugkeer naar Afghanistan mogelijk een afgeleid risico loopt om in de negatieve belangstelling van de Taliban terecht te komen.
7.4.
Nu verweerder voormelde individuele omstandigheden niet kenbaar, in samenhang met elkaar en met het feit dat eiser terugkeert vanuit het Westen, heeft betrokken bij zijn risico-inschatting, heeft verweerder zich dus onzorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser bij terugkeer naar Afghanistan geen reëel risico loopt op ernstige schade door de Taliban (of derden). Verweerders stelling dat eiser in januari 2021 zonder problemen is teruggekeerd naar Afghanistan, leidt niet tot een ander oordeel, reeds omdat op dat moment de Taliban nog niet aan de macht was in Afghanistan. De onder 7. weergegeven beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is gezien het voorgaande gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. Gelet hierop en op wat er hierna over de wijze van geschilbeslechting is overwogen, laat de rechtbank hetgeen overigens door eiser is aangevoerd onbesproken.
9. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, omdat verweerder de hiervoor geconstateerde gebreken in het bestreden besluit niet in de beroepsfase heeft hersteld. De rechtbank zal ook niet zelf in de zaak voorzien, omdat het (vooralsnog) aan verweerder is en blijft om een risico-inschatting te maken omtrent eisers terugkeer naar Afghanistan vanuit het Westen. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding voor het toepassen van een bestuurlijke lus, omdat dit, gelet op de aard van de gebreken en de wijze waarop die moeten worden hersteld, naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zal inhouden. De rechtbank zal verweerder dan ook opdragen, met inachtneming van deze uitspraak (meer specifiek de overwegingen 7.3. tot en met 7.4.), een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiser. De rechtbank geeft verweerder hiervoor een termijn van tien weken.
10. Omdat het beroep gegrond is, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen tien weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiser met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van
mr. S. Feijtel, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.