ECLI:NL:RBDHA:2026:2134

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 februari 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
NL25.27372
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 17 Gezinsherenigingsrichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing machtiging voorlopig verblijf nareis asiel wegens ontbreken beschermenswaardig gezinsleven

Eisers, bestaande uit een vader, moeder en broertje met de Syrische nationaliteit, verzochten om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor nareis asiel om bij hun zoon respectievelijk broer, de referent, in Nederland te verblijven. De minister van Asiel en Migratie wees de aanvraag af omdat niet werd voldaan aan de voorwaarden voor nareis, met name omdat de referent niet voldeed aan het jongvolwassenenbeleid en er geen bijkomende elementen van afhankelijkheid waren vastgesteld.

Eisers voerden in beroep aan dat de referent wel aan het jongvolwassenenbeleid voldoet, dat er sprake is van financiële en emotionele afhankelijkheid, en dat er hechte persoonlijke banden bestaan tussen de referent en zijn broertje. Tevens werd betoogd dat de hoorplicht was geschonden en dat een belangenafweging had moeten plaatsvinden.

De rechtbank oordeelde dat de referent niet voldoet aan het jongvolwassenenbeleid omdat hij stappen naar zelfstandigheid heeft gezet, onder meer door het onderhouden van een relatie en het genereren van eigen inkomen. Daarnaast concludeerde de rechtbank dat er geen bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn tussen de referent en zijn ouders, mede vanwege het ontbreken van medische stukken en onvoldoende onderbouwing van financiële afhankelijkheid. Ook werden de banden met het land van herkomst meegewogen.

Ten aanzien van het broertje stelde de rechtbank vast dat er geen hechte persoonlijke banden zijn die de gebruikelijke omgang overstijgen, mede omdat de zorg voor het broertje ook door de ouders kan worden gedragen. De rechtbank vond dat de minister een voldoende individuele beoordeling had gemaakt en dat het horen in bezwaar terecht was achterwege gelaten. Het beroep werd ongegrond verklaard, waardoor het bestreden besluit in stand blijft.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf voor nareis asiel wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.27372

uitspraak van de enkelvoudige kamer 9 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser 1], V-nummers: [v-nummer 1] , vader,
[eiser 2], V-nummer: [v-nummer 2] , moeder en
[eiser 3], V-nummer: [v-nummer 3] , broertje,
samen aangeduid als eisers
(gemachtigde: mr. M. van Werven),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak oordeelt de rechtbank over het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun aanvraag om de afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het doel “nareis asiel”.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 12 januari 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 22 mei 2025 op het bezwaar van eisers is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 13 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, referent, de gemachtigde van eisers en M. Fayez als tolk. Verweerder is met voorafgaand bericht niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Vader is geboren op [geboortedatum 1] 1962, moeder is geboren op [geboortedatum 2] 1970 en broertje is geboren op [geboortedatum 3] 2008 en allen hebben de Syrische nationaliteit. Zij hebben op 18 april 2022 een aanvraag voor een mvv ingediend, omdat zij in Nederland willen verblijven bij hun zoon respectievelijk broer, [referent] (referent). Referent heeft de Syrische nationaliteit en beschikt over een asielvergunning.
3. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat eisers niet voldoen aan de voorwaarden voor nareis. Verweerder heeft niet aangenomen dat er sprake is van gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM [1] , omdat referent niet voldoet aan het jongvolwassenenbeleid en er geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen hem en zijn vader en moeder. Ook heeft het broertje niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van hechte persoonlijke banden tussen hem en referent.
Wat vinden eisers in beroep?
4. Eisers zijn het niet eens met het bestreden besluit, dat volgens hen onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd. Ten eerste voldoet referent wel aan het jongvolwassenenbeleid. Verweerder heeft bij zijn beoordeling ten onrechte geen rekening gehouden met de vluchtsituatie van referent en de gezinsherenigingsrichtlijn. Het enkele feit dat referent zijn inkomen afstond aan zijn ouders toont aan dat hij in belangrijke mate afhankelijk was van het gezin en de feitelijke gezinsband nooit is verdwenen. Ook heeft referent tijdens zijn relatie nooit samengewoond met zijn partner en heeft hij geen eigen gezin gesticht. Dat referent enige zelfstandigheid heeft gehad in Syrië door het genereren van eigen inkomsten, komt doordat referent daar moest overleven. Ten tweede bestaan tussen zijn ouders en referent wel bijkomende elementen van afhankelijkheid. Verweerder relativeert ten onrechte de samenwoning met zijn ouders. Ook zijn de vader en moeder financieel afhankelijk van referent, zowel in Syrië als nu in Nederland. Verweerder is ten onrechte voorbijgegaan aan de medische klachten van de vader en moeder. Referent is verantwoordelijk voor zijn ouders. De banden met het land van herkomst zijn niet relevant voor de beoordeling van het bestaan van familie- en gezinsleven. Bovendien heeft verweerder niet meegewogen dat eisers momenteel in Nederland verblijven. Verweerder heeft voorgaande omstandigheden onvoldoende in zijn beoordeling betrokken. Ten derde bestaan tussen het broertje en referent wel hechte persoonlijke banden. Zo droeg referent zorg voor de medicatie van zijn broertje en begeleidde hij hem naar de dokter. Ook is referent financieel, fysiek en mentaal verantwoordelijk voor zijn broertje. Ten vierde heeft verweerder ten onrechte geen belangenafweging uitgevoerd. Tot slot is de hoorplicht in bezwaar geschonden [2] .
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hieronder motiveert de rechtbank hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Jongvolwassenenbeleid
6. Verweerder gebruikt het jongvolwassenenbeleid om vast te stellen of tussen een meerderjarig kind en zijn ouder(s) familie- of gezinsleven bestaat als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM zonder dat daarvoor bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn vereist. Het jongvolwassenenbeleid bevat vier cumulatieve vereisten: het meerderjarig kind moet jongvolwassen zijn, met zijn ouder(s) in gezinsverband samenleven, niet in zijn eigen onderhoud voorzien en geen zelfstandig gezin hebben gevormd. [3] Als een meerderjarig kind geen geslaagd beroep kan doen op het jongvolwassenenbeleid, beoordeelt verweerder of er tussen dat kind en zijn ouder(s) sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid op basis waarvan zij familie- of gezinsleven hebben. Deze elementen kunnen zijn: samenwoning, de mate van financiële afhankelijkheid, de mate van emotionele afhankelijkheid en de gezondheid van betrokkenen.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat referent onder het jongvolwassenenbeleid valt. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat referent met zijn relatie – gezien de duur en intensiteit – stappen heeft gezet naar zelfstandigheid in de vorm van het losmaken van zijn gezin, ook al is er geen sprake van een nieuw gezin, samenwonen, een verloving of een huwelijk. Ook heeft verweerder mogen betrekken dat eiser in de periode tussen 2016 en 2021 verschillende banen heeft gehad, in zijn eigen onderhoud kon voorzien en hiermee stappen naar zelfstandigheid heeft gezet. Het beroep van eiser op zitting op een uitspraak van de rechtbank [4] die ziet op geld verdienen door referent in relatie tot de gezinsband, kan niet leiden tot een ander oordeel. In die zaak was immers sprake van een situatie waarin de referent genoodzaakt was de rol van kostwinner deels te vervullen, terwijl in de onderhavige zaak verweerder er terecht op heeft gewezen dat de stelling dat referent zijn inkomen heeft afgedragen aan zijn ouders, niet nader is onderbouwd en dit ook niet af te leiden is uit zijn verklaringen. Tot slot heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat het voor de beantwoording van de vraag of referent voldoet aan het jongvolwassenenbeleid van belang is dat referent afhankelijk is van zijn ouders en niet andersom. In het geval van referent heeft verweerder erop kunnen wijzen dat referent heeft verklaard dat zijn ouders financieel afhankelijk zijn van hem. Hieruit mocht verweerder concluderen dat referent hiermee stappen naar zelfstandigheid heeft gezet, waardoor hij niet voldoet aan de cumulatieve vereisten van het jongvolwassenenbeleid.
6.2.
Het beroep van eisers op zitting op de uitspraak van de rechtbank [5] waarin is geoordeeld over (de aard van een) verloving in relatie tot de gezinsband, kan evenmin tot een ander oordeel leiden. Anders dan in het geval van referent, was er in die zaak immers geen sprake van een relatie of huwelijk in de zin van de Vc, terwijl in de onderhavige zaak niet in geschil is dat er sprake is van een relatie maar verweerder heeft geoordeeld dat zelfs zonder dat er sprake is van een huwelijk, verloving of ook maar samenwoning, de relatie gelet op de duur en de aard al voldoende is om aan te nemen dat referent stappen heeft gezet in de richting van zelfstandigheid.
Bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen de vader en moeder en referent
7. Als een meerderjarig kind geen geslaagd beroep kan doen op het jongvolwassenenbeleid, beoordeelt verweerder op grond van paragraaf B7/3.8.1 van de Vc of dat kind en zijn ouder(s) familie- of gezinsleven hebben op basis van het criterium van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Verweerder moet een brede beoordeling maken van de vraag of er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan, waarin hij alle individuele omstandigheden van het geval betrekt. Elementen zoals samenwoning, de financiële en materiële afhankelijkheid, de gezondheid van de betrokkenen, de mate van emotionele afhankelijkheid en de banden met het land van herkomst moeten, voor zover zij zijn aangevoerd, in die beoordeling een rol spelen.
7.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft kunnen concluderen dat tussen referent en zijn ouders geen sprake is van beschermenswaardig familieleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM, omdat niet is gebleken dat er bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen hen bestaan. Niet in geschil is dat de ouders en referent tot aan zijn vertrek altijd hebben samengewoond, maar verweerder heeft mogen stellen dat samenwoning op zichzelf onvoldoende is om te concluderen dat er sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Verweerder heeft verder in de beoordeling betrokken dat de ouders niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij zorgafhankelijk van referent zijn. Zo is niet gebleken dat zijn ouders exclusief afhankelijk zijn van referent en zij niet in staat zijn om te voorzien in hun alledaagse behoeften en indien dit wel het geval zou zijn, dat referent de enige is die voor zijn ouders kan zorgen. Daarbij heeft verweerder kunnen betrekken dat eisers geen medische stukken hebben overgelegd waaruit dit blijkt. De stelling dat referent zijn ouders financieel onderhoudt, heeft verweerder onvoldoende kunnen vinden om te spreken van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid nu referent zijn ouders financieel kan blijven ondersteunen vanuit Nederland. Ook heeft verweerder erop mogen wijzen dat referent deze financiële ondersteuning niet met stukken heeft onderbouwd en referent over de ondersteuning tegenstrijdig heeft verklaard [6] . Verder heeft verweerder de band met het land van herkomst, Syrië, meegewogen en hierbij mogen betrekken dat eisers relatief kort in Nederland zijn en zij hiervoor hun hele leven in Syrië hebben gewoond. Tot slot heeft de rechtbank er oog voor dat het voor referent zwaar is om zijn ouders niet bij hem in de buurt te hebben, maar dat maakt niet dat er sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid.
7.2.
Op zitting hebben eisers verwezen naar een arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 10 december 2024 in de zaak Martinez Alvarado tegen Nederland. [7] De rechtbank is van oordeel dat eisers door enkel toe te lichten waar dit arrest inhoudelijk over gaat, niet hebben onderbouwd in hoeverre deze uitspraak tot een ander oordeel zouden moeten leiden. Hetzelfde geldt voor een ter zitting aangehaalde uitspraak van de rechtbank Den Haag [8] . Het arrest en de uitspraak werpen dan ook niet een ander licht op de zaak.
Hechte persoonlijke banden tussen referent en zijn broertje
8. Tussen een minderjarig kind en zijn meerderjarige broer of zus wordt volgens vaste jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) slechts familieleven aangenomen, als uit de feiten en omstandigheden volgt dat sprake is van hechte persoonlijke banden. Hechte persoonlijke banden is een begrip van feitelijke aard. Of daarvan sprake is, moet dus altijd worden afgeleid uit een zorgvuldige en gemotiveerde weging van de feitelijke situatie. Er moet daarbij sprake zijn van een band tussen referent en zijn broertje die de gebruikelijke omgang overstijgt.
8.1.
De rechtbank toetst of verweerder alle relevante individuele elementen heeft meegewogen in de beoordeling of sprake is van hechte persoonlijke banden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder kunnen concluderen dat tussen referent en zijn broertje geen sprake is van hechte persoonlijke banden. Ten aanzien van de medische problematiek van het broertje heeft verweerder – anders dan eisers op zitting hebben betoogd – in de beoordeling meegewogen dat referent weliswaar de medicatie voor zijn broertje regelde en hem begeleidde naar de dokter, maar is verweerder niet ten onrechte tot de conclusie gekomen dat de zorg die referent heeft geleverd niet door een ander geleverd zou kunnen worden. Verweerder heeft er in dit kader op kunnen wijzen dat het broertje na het vertrek van referent verzorgd is door zijn ouders. Ook heeft verweerder in zijn beoordeling mogen betrekken dat referent niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn ouders de zorg van het broertje niet kunnen dragen. De beroepsgronden kunnen daarom niet leiden tot het oordeel dat sprake is van hechte persoonlijke banden tussen referent en zijn broertje.
Belangenafweging in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM
9. Gelet op het voorgaande heeft verweerder kunnen concluderen dat er geen sprake is van beschermenswaardig familieleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM en heeft verweerder geen belangenafweging hoeven maken. [9]
Gezinsherenigingsrichtlijn
10. Het beroep van eisers op de Gezinsherenigingsrichtlijn maakt het vorenstaande niet anders. Uit een uitspraak van de hoogste bestuursrechter [10] volgt dat als verweerder alle relevante individuele omstandigheden heeft betrokken in zijn beoordeling of familie- of gezinsleven bestaat in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM, die beoordeling alleen al daarmee voldoet aan de verplichting van een individuele beoordeling die voortvloeit uit artikel 17 van Pro de Gezinsherenigingsrichtlijn in zaken waarin die richtlijn van toepassing is. Uit het bovenstaande blijkt dat verweerder in dit geval een voldoende individuele beoordeling heeft verricht, waarbij hij alle relevante individuele omstandigheden heeft betrokken.
Hoorplicht
11. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eisers niet had hoeven horen. De hoogste bestuursrechter heeft overwogen dat het horen in bezwaar een essentieel onderdeel is van de bezwaarschriftenprocedure en dat de vreemdeling in beginsel wordt gehoord. Verweerder mag slechts van horen afzien als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een ander besluit kunnen leiden. [11] Gelet op de motivering van het besluit en op hetgeen door eisers is aangevoerd in de bezwaarfase, heeft verweerder kunnen vaststellen dat er redelijkerwijs geen twijfel bestond dat het bezwaar ongegrond was. Eisers hebben op zitting nog gewezen op twee uitspraken [12] , maar deze uitspraken kunnen niet leiden tot een ander oordeel nu zij niet hebben verduidelijkt welke informatie verweerder niet heeft kunnen betrekken in de besluitvorming door eisers niet te horen. Ook heeft verweerder in onderhavige zaak, in tegenstelling tot de andere zaak van de rechtbank [13] , de gestelde bijkomende elementen van afhankelijkheid voldoende geconcretiseerd. Verweerder heeft daarom van het horen in de bezwaarfase mogen afzien.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, rechter, in aanwezigheid van mr. P.P. Schaap, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
2.Eisers verwijzen naar uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:878, van 6 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:973 en van 6 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2573.
3.Zie paragraaf B7/3.8.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
4.Uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem van 21 september 2018, ECLI:NL:RBGEL:2018:4071.
5.Uitspraak van de rechtbank Den Haag van 21 september 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:11376.
6.Tijdens zijn aanmeldgehoor in de asielprocedure heeft referent op 14 augustus 2021 verklaard (p. 17) dat hij zorgt voor de financiën en (p. 22) dat zijn gezinsleden rekenen op zijn inkomen, terwijl op het voorblad van de mvv-aanvraag is verklaard dat referent, voordat hij vluchtte, zijn ouders enkel af en toe financieel steunde.
7.Zaaknummer 4470/21.
8.Uitspraak van de rechtbank Den Haag van 24 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:14070.
9.Uitspraken van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188 en ECLI:NL:RVS:2024:1187.
10.Uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2145.
11.Uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.
12.Eisers wijzen op een uitspraak van de Afdeling van 14 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:599 en een uitspraak van de rechtbank Den Haag van 2 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:23152.