AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens schending hoorplicht en motiveringsgebrek
Eiseres, een Eritrese vrouw geboren in 1955, diende een aanvraag in voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met het verblijfsdoel verblijf bij familie- of gezinslid, namelijk haar dochter (referente). Verweerder wees de aanvraag af omdat er volgens hem geen sprake was van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiseres en referente, wat vereist is voor het verblijfsdoel.
Eiseres maakte bezwaar tegen deze afwijzing en stelde dat verweerder onzorgvuldig had gehandeld door haar niet te horen en niet alle relevante feiten mee te wegen, zoals de verslechterde gezondheid van eiseres en het overlijden van de broer van referente. Verweerder nam uiteindelijk een besluit dat de afwijzing bevestigde, maar dit besluit was onvoldoende gemotiveerd en gebaseerd op achterhaalde feiten.
De rechtbank oordeelde dat verweerder ten onrechte had afgezien van een hoorzitting, terwijl dit juist noodzakelijk was gezien de individuele belangenafweging en de rol van artikel 8 EVRMPro. Ook was de motivering van het besluit gebrekkig. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen was niet-ontvankelijk geworden omdat verweerder uiteindelijk wel had beslist, maar eiseres kreeg een vergoeding voor de proceskosten.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het bestreden besluit gegrond, vernietigde het besluit en beval verweerder binnen acht weken een nieuw besluit te nemen waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak. Verweerder werd tevens veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens schending van de hoorplicht en motiveringsgebrek; verweerder moet binnen acht weken een nieuw besluit nemen.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.16616
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres
(gemachtigde: mr. M. van Werven),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres. Zij heeft een aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 24 januari 2024 afgewezen. Hiertegen heeft eiseres op 16 februari 2024 bezwaar gemaakt. Op 9 april 2025 heeft eiseres in eerste instantie beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op haar bezwaar. Verweerder heeft in het bestreden besluit van 6 mei 2025 alsnog beslist op de aanvraag en is daarmee bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 4 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [referente] (referente), de gemachtigde van eiseres, A. Soloman als tolk en een belangstellende. Verweerder is met voorafgaand bericht niet verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1955 en heeft de Eritrese nationaliteit. Eiseres is de moeder van referente. Referente heeft namens eiseres een aanvraag ingediend voor een mvv met het verblijfsdoel ‘verblijf bij familie- of gezinslid’ om bij referente te kunnen verblijven.
2.1.
Verweerder heeft de aanvraag van eiseres afgewezen, omdat er tussen eiseres en referente geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Er is tussen hen dan ook geen sprake is van familie- of gezinsleven [1] . Verweerder heeft in het bestreden besluit onder meer tegengeworpen dat eiseres de aanvraag pas vier jaar na haar komst naar Nederland heeft ingediend. Ook heeft verweerder betrokken dat niet aannemelijk is gemaakt dat eiseres financieel of materieel afhankelijk is van referente, en dat eiseres niet heeft onderbouwd hoe de ziekte van referentes broer impact heeft op de financiële steun aan eiseres. Verder heeft verweerder tegengeworpen dat sprake is van een emotionele band tussen eiseres en referente maar dat dit de gebruikelijke omgang niet overstijgt, nu het hebben van een sterke band niet hetzelfde is als een emotionele afhankelijkheid en omdat niet aannemelijk is gemaakt of nader geconcretiseerd is waaruit het overstijgende blijkt. Zo heeft referente haar stelling dat de band tussen eiseres en referente beter is dan de band tussen eiseres en haar andere kinderen niet onderbouwd of geconcretiseerd en heeft referente niet geconcretiseerd waarom uit het telefonisch contact tussen eiseres en referente blijkt dat er sprake is van een element van afhankelijkheid. Ook heeft referente de problemen met haar schoonfamilie niet onderbouwd of aannemelijk gemaakt en niet geconcretiseerd waarom deze problemen maken dat er sprake is van een emotionele afhankelijkheid tussen referente en eiseres. Daarnaast heeft verweerder betrokken dat in het kader van hulpbehoevendheid van eiseres geen sprake is van een bijkomend element van afhankelijkheid, onder meer omdat referente niet nader heeft gespecificeerd in welke behoeftes eiseres ondersteuning nodig heeft.
Wat vindt eiseres in beroep?
3. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en bestrijdt het bestreden besluit – kort samengevat – op twee onderdelen. Ten eerste is het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand gekomen. Zo heeft verweerder eiseres ten onrechte niet gehoord. [2] Verweerder heeft ook nagelaten om alle feiten en omstandigheden – met name de recente verslechtering van de situatie van eiseres – bij het bestreden besluit te betrekken. Ten tweede heeft verweerder, mede gelet op het voorgaande, onvoldoende gemotiveerd waarom geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiseres en referente. Verweerder heeft namelijk ten onrechte op basis van referentes verklaringen in haar asielprocedure geconcludeerd dat het samenwonen van eiseres en referente in Eritrea gebruikelijk was. Ook heeft verweerder in het kader van de samenwoning geen of onvoldoende rekening gehouden met de vluchtsituatie. Ten slotte heeft verweerder geen of onvoldoende rekening gehouden met het feit dat referentes broer ziek was en tijdens de bezwaarprocedure is overleden. Dit - alsmede de gang van zaken rondom de begrafenis van haar broer - hebben de emotionele band nog verder versterkt. Bovendien is de medische situatie van eiseres hierdoor verslechterd en is eiseres (financieel) nog afhankelijker geworden van referente en referentes zus.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank overweegt dat een beroep dat is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit ook betrekking heeft op het alsnog genomen besluit, tenzij dit besluit geheel aan het beroep tegemoet komt. [3] Eiseres kan zich niet verenigen met het alsnog genomen besluit, omdat verweerder niet volledig aan het beroep van eiseres is tegemoetgekomen. Het beroep van eiseres tegen het niet tijdig nemen van een besluit is daarom van rechtswege ook gericht tegen het bestreden besluit.
5. De rechtbank geeft eiseres in deze zaak gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe en waarom zij tot deze conclusie is gekomen.
Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar
6. Eiseres heeft verweerder bij brief van 20 september 2024 medegedeeld dat verweerder in gebreke is tijdig een besluit te nemen. Hierna zijn meer dan twee weken verstreken voordat eiseres op 9 april 2025 beroep heeft ingesteld. Tussen partijen is niet in geschil dat op dat moment nog niet op het bezwaar was beslist terwijl de beslistermijn was verstreken en de ingebrekestelling geldig was.
6.1.
Nu verweerder inmiddels wel op het bezwaar van eiseres heeft beslist, is het belang van eiseres bij een beoordeling van het beroep tegen het niet-tijdig beslissen op haar bezwaar komen te vervallen. Het beroep voor zover het gericht is tegen het niet-tijdig beslissen, is om deze reden niet-ontvankelijk.
6.2.
Aangezien de wettelijke beslistermijn was overschreden en verweerder pas na het verstrijken van deze termijn een besluit heeft genomen, veroordeelt de rechtbank verweerder in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.
Het beroep tegen het bestreden besluit
7. De rechtbank is met eiseres eens dat verweerder in dit geval niet heeft kunnen afzien van een hoorzitting in de bezwaarfase. Zoals de hoogste bestuursrechter heeft geoordeeld is het uitgangspunt dat een vreemdeling in bezwaar moet worden gehoord en dat dit uitgangspunt te meer geldt in zaken waarin er beslissingsruimte is, de beslissing sterk afhankelijk is van de omstandigheden van het geval en waarbij een individuele belangenafweging moet worden gemaakt. De hoogste bestuursrechter wijst daarbij expliciet op zaken waarin artikel 8 vanPro het EVRM een rol speelt. Verweerder mag slechts van het horen afzien als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een ander besluit kunnen leiden. [4]
7.1.
Gelet op de motivering van het bestreden besluit heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte op het standpunt gesteld dat er redelijkerwijs geen twijfel bestond dat het bezwaar ongegrond was. De rechtbank acht daarbij van belang dat het hier gaat om een zaak waarin artikel 8 vanPro het EVRM een rol speelt. Verweerder heeft in de motivering veelal aangegeven dat de gestelde bijkomende elementen van afhankelijkheid onvoldoende zijn geconcretiseerd. Deze gestelde bijkomende elementen van afhankelijkheid hadden eiseres en referente tijdens een hoorzitting kunnen toelichten en concretiseren, zoals zij tijdens de zitting bij de rechtbank hebben gedaan. Daar komt bij dat verweerder in het bestreden besluit is uitgegaan van feiten die ten tijde van het bestreden besluit al waren achterhaald. De broer van referente is namelijk al begin 2024 overleden en de gezondheid van eiseres is sindsdien achteruit gegaan. Hierbij acht de rechtbank van belang dat eiseres al in bezwaar heeft aangevoerd dat de broer van referente gediagnosticeerd was met leverkanker, wat het financiële onderhoud voor eiseres bemoeilijkte. Ook hierom had verweerder niet mogen afzien van horen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het bestreden besluit wegens schending van de hoorplicht onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd.
Conclusie en gevolgen
Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar
8. Het beroep voor zover gericht tegen het niet-tijdig beslissen is niet-ontvankelijk. Eiseres krijgt hiervoor wel een vergoeding van haar proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 453,50. [5] De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat het alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden.
Het beroep tegen het bestreden besluit
9. Verweerder heeft de aanvraag ten onrechte zonder hoorzitting afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep voor zover gericht tegen het alsnog genomen besluit is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
10. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor een termijn van acht weken.
11. De rechtbank veroordeelt verweerder tot slot in de door eiseres gemaakte proceskosten in de procedure tegen het bestreden besluit. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814. [6] Het totale bedrag aan proceskosten komt daarmee op € 2.267,50.
12. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep voor zover gericht tegen het niet-tijdig beslissen op het bezwaarschrift niet-ontvankelijk;
verklaart het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit gegrond;
vernietigt het bestreden besluit van 6 mei 2025;
draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten tot een bedrag van
€ 2.267,50;
- bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 194,- moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, rechter, in aanwezigheid van mr. J.F. Elzenaar, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
1.In de zin van artikel 8 vanPro het Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
2.Eiseres verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918, r.o. 5.2, en de uitspraak van het Europese Hof voor Rechten van de Mens van 10 december 2024 (Martinez Alvarado t. Nederland), ECLI:CE:ECHR:2024:1210.
3.Artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
5.1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor ½.
6.1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1.