ECLI:NL:RBDHA:2026:20115

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
SGR 24/4127
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 110 VWEUArt. 267 VWEUArt. 47 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieArt. 20 AWRArt. 81 Wet op de Rechterlijke Organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrondverklaring beroep tegen naheffingsaanslag bpm en toekenning immateriële schadevergoeding

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen een naheffingsaanslag bpm van €7.002 opgelegd door de Belastingdienst na controle van een gebruikte geïmporteerde auto. De rechtbank beoordeelde onder meer de toepassing van Europees recht, de rechtmatigheid van de naheffing, de waardering van de auto, het hoorrecht en de proceskosten.

De rechtbank oordeelde dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd en dat de door eiseres aangevoerde schendingen van het Unierecht en het verdedigingsbeginsel niet slagen. De rechtbank volgde de jurisprudentie van de Hoge Raad en het HvJ EU en zag geen aanleiding voor prejudiciële vragen. De waardering van de auto en het afschrijvingspercentage werden als redelijk beoordeeld.

Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn voor de behandeling van bezwaar en beroep was overschreden, waardoor eiseres recht heeft op een immateriële schadevergoeding van €2.000, te verdelen tussen verweerder en de Minister van Justitie. Daarnaast werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van de helft van de proceskosten. Het beroep werd ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag bpm wordt ongegrond verklaard, met toekenning van immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: SRG 24/4127

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juli 2026 in de zaak tussen

[eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats], eiseres

(gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

21/6374

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres ter zake van de registratie van een motorvoertuig met dagtekening 2 september 2022 een naheffingsaanslag belasting van personenauto's en motorrijwielen (bpm) opgelegd ter hoogte van € 7.002. Daarbij is geen belastingrente in rekening gebracht.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 20 maart 2024 de naheffingsaanslag gehandhaafd. Verweerder heeft daarbij geen proceskosten aan eiseres vergoed.
Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Indien en voor zover partijen vóór de zitting nadere stukken hebben ingediend zijn deze stukken telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2026. Op verzoek van partijen heeft de zitting digitaal plaatsgevonden via een MS Teams-verbinding (te weten een geluidsverbinding met beeld). Namens eiseres is haar directeur [naam 1] verschenen, tot bijstand vergezeld van haar gemachtigde A.F.M.J. Verhoeven. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mrs. [medewerker belastingdienst 1], [medewerker belastingdienst 2] en [medewerker belastingdienst 3].

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres heeft een aangifte bpm ingediend, met dagtekening 24 februari 2022, met het oog op de registratie in het kentekenregister van een gebruikte Cadillac Escalade ESV Sport uit Duitsland met een voertuigidentificatienummer eindigend op [nummer] (hierna: de auto). De registratie is op 30 maart 2022 voltooid door tenaamstelling van het Nederlandse kenteken [kenteken]. De auto is op 8 februari 2022 goedgekeurd door de Rijksdienst Wegverkeer (RDW).
2. In de aangifte bpm zijn onder meer de volgende gegevens betreffende de auto vermeld:
Datum eerste toelating
22 juli 2021
CO2-uitstoot
298 gr/km WLTP
Netto catalogusprijs inclusief accessoires en opties
€ 86.965
Bruto bpm
€ 65.870
Historische nieuwprijs cf. taxatierapport
€ 141.723
Handelsinkoopwaarde cf. taxatierapport
€ 63.285
Verschuldigde bpm
€ 29.410
3. Bij de aangifte bpm is een taxatierapport gevoegd van [bedrijfsnaam], door [naam 2] ondertekend. Daarin is vermeld dat auto fysiek is opgenomen op 24 februari 2022 tussen 12:00 en 12:30 uur te [vestigingsplaats]. Verder is daarin vermeld dat auto in onbeschadigde staat een handelsinkoopwaarde heeft van € 78.559 (waarde herleid aan de hand van de koerslijst X-Ray) en dat van die waarde een deel van de reparatiekosten is afgetrokken, die zijn bepaald op € 12.527,65 inclusief btw. Er is aankoopfactuur bij het taxatierapport gevoegd.
4. De aangifte van de auto is door verweerder geselecteerd voor een nadere controle. De auto is op 8 maart 2022 geschouwd door Domeinen Roerende Zaken (DRZ). In het verslag van DRZ naar aanleiding van de schouw zijn onder meer de volgende gegevens vermeld die afwijken van de gegevens in de aangifte:
Datum eerste toelating
22 juli 2021
CO2-uitstoot
298 gr/km NEDC
Netto catalogusprijs inclusief accessoires en opties
€ 86.965
Consumentenprijs (historische nieuwprijs)
€ 141.723
Laagste handelsinkoopwaarde zonder schade
€ 78.351 (koerslijst X-Ray )
Bruto schadecalculatie
€ 0
Vastgestelde waardevermindering door schade
€ 0
Handelsinkoopwaarde
€ 78.351
5. Verweerder stelt dat het taxatierapport niet voldoet aan de formele voorwaarden, nu geen inkoopfactuur of inkoopverklaring van de auto is bijgevoegd. Uit het onderzoek van DRZ blijkt voorts dat de schade aan de auto aan te merken is als gebruiksschade. Daarom heeft verweerder het taxatierapport van eiseres verworpen. Verweerder stelt dat kan worden gewaardeerd en nageheven op basis van de forfaitaire tabel of de koerslijst en dat de koerslijst met meest gunstig is voor eiseres.
6. Bij brief van 14 juni 2022 heeft verweerder aan eiseres zijn voornemen kenbaar gemaakt om bpm na te heffen voor de auto. Uitgaande van de verwerping van het taxatierapport en de berekeningen door verweerder heeft verweerder de verschuldigde bpm bepaald op € 36.412. Na aftrek van de bpm die op aangifte is voldaan (€ 29.410), resteert een te betalen bedrag van € 7.002. Eiseres heeft daarbij per e-mail gereageerd. Dit heeft verweerder er echter niet toe genoopt om af te wijken van zijn voornemen. Op 1 augustus 2022 heeft verweerder eiseres medegedeeld de naheffingsaanslag op te leggen. Daarop heeft verweerder de naheffingsaanslag met dagtekening 2 september 2022 conform zijn voornemen opgelegd.
Geschil7. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en tot de juiste hoogte is opgelegd.
8. Eiseres heeft in beroep de volgende grieven naar voren gebracht:
Verweerder heeft onvoldoende onderkend dat aanslagen als de onderhavige worden beheerst door het recht van de Europese Unie. Eiseres acht de opgelegde naheffingsaanslag daarmee in strijd. In dit licht heeft zij ook benadrukt dat de rechtbank met betrekking tot deze geschilpunten gehouden is prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie;
Uitlegging van de Hoge Raad over naheffen na het belastbaar feit, schending van het verdedigingsbeginsel, ex-rental, bewijslastverdeling etc. zijn niet verbindend en rechtsgeldig, omdat de rechtmatigheid van artikel 81 lid 1 RO Pro in geschil is door de ABRvS (13 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4632);
Alle nationale bepalingen inzake de bpm zijn in kennelijke strijd met het recht van de Unie;
De verplichting tot het betalen van griffierecht voorafgaande aan de behandeling van haar beroep is in strijd met het Unierecht;
Verweerder heeft onterecht een belastingcontrole uitgevoerd;
Het hoorrecht in de bezwaarfase is geschonden;
Eiseres' rechten die zij kan ontlenen aan het verdedigingsbeginsel zijn geschonden;
Het opleggen van een naheffingsaanslag nadat het belastbare feit zich heeft voorgedaan is – gegeven het bepaalde in artikel 110 het Pro Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU) – niet toegestaan;
De bewijslast met betrekking tot de hoogte van de te betalen bpm berust volledig bij verweerder;
De auto is een zogenaamde ‘ex-rental’ en op grond daarvan dient de in aanmerking te nemen handelsinkoopwaarde te worden verminderd;
Het onderzoek door DRZ kan niet aan een naheffing ten grondslag worden gelegd nu deze dienst niet onafhankelijk is;
Het forfaitaire afschrijvingspercentage waarmee verweerder rekent is te laag;
Het uitgangspunt dat slechts 72% van de schadeherstelkosten in aanmerking wordt genomen is in strijd met het Unierecht;
De CO2-uitstoot is berekend op basis van de Scandinavische rekenmethode;
Eiseres heeft recht op een werkelijke proceskostenvergoeding.
Eiseres concludeert daarom tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en herroeping van de naheffingsaanslag. Eiseres verzoekt om vergoeding van de werkelijk gemaakte proceskosten en om vergoeding van het griffierecht alsmede van wettelijke rente over de proceskosten en het betaalde griffierecht. Tevens verzoekt eiseres om vergoeding van de immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting.
9. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
10 . Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.
Beoordeling van het geschil
De toepasselijkheid van Europees recht en de gevolgen daarvan (grief a)
11. Eiseres heeft ter onderbouwing van haar grieven veelvuldig een beroep gedaan op het Europees recht, met name op artikel 110 van Pro het VWEU. Zij heeft daarbij het standpunt ingenomen dat het de nationale rechter niet vrijstaat een uitleg te geven aan het Unierecht zonder daaromtrent prejudiciële vragen voor te leggen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU). Dit geldt in de optiek van eiseres evenzeer indien sprake is van een zogenaamde ‘acte claire’. De rechtbank onderschrijft dit standpunt van eiseres niet. Een verplichting tot het stellen van prejudiciële vragen geldt ingevolge artikel 267 van Pro het VWEU slechts voor het gerecht dat in hoogste instantie rechtspreekt, zoals ook blijkt uit het door eiseres genoemde arrest Cilfit (283/81). Een dergelijke verplichting geldt in beginsel niet voor de gerechtelijke instanties op lagere niveaus. De daarop geldende uitzondering, neergelegd in het arrest Foto-Frost (314/85) ziet op de situatie waarin de verwijzende rechter van oordeel is dat een handeling van een Europese instelling nietig is. Die situatie doet zich hier niet voor.
12. Het vorenstaande betekent dat de rechtbank in het hierna volgende per grief zal beoordelen of er aanleiding bestaat prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU. De rechtbank zal daarbij ook meewegen of sprake is van een ‘acte claire’, dit wil zeggen een situatie waarin de betreffende Europeesrechtelijke bepaling dusdanig helder is geformuleerd dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over de uitleg of het toepassingsbereik van die bepaling. Voor de visie van eiseres dat ook in geval van een ‘acte claire’ het stellen van prejudiciële vragen geïndiceerd kan zijn ziet de rechtbank geen aanknopingspunten. Evenmin volgt de rechtbank eiseres in diens betoog dat reeds de vraag of sprake is van een rechtsvraag die zich leent voor het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ EU er toe dient te leiden dat deze vragen moeten worden gesteld.
De stelling dat de arresten van de Hoge Raad niet kunnen worden gevolgd (grief b)
13. Het betoog van eiseres dat de Hoge Raad niet bevoegd is unierechtelijke regelgeving te beoordelen en dat deze jurisprudentie daarom ‘onverbindend en rechtsongeldig’ is onderschrijft de rechtbank niet. Daarbij wijst de rechtbank er, onder verwijzing naar de conclusie van advocaat-generaal Szpunar in de zaak Minea (ECLI:EU:C:2015:74), in zijn algemeenheid opdat het Hof van Justitie in het kader van een prejudiciële procedure niet beoordeelt of concrete bepalingen van het nationale recht van de lidstaten in overeenstemming zijn met het Unierecht, maar zich beperkt tot een uitlegging van het Unierecht, op basis waarvan de nationale rechterlijke instanties zich vervolgens over die verenigbaarheid kunnen uitspreken. Dat de Hoge Raad in deze buiten zijn bevoegdheden is getreden is door eiseres niet of althans onvoldoende aannemelijk gemaakt. Voor zover eiseres in dit verband een beroep doet op de recente conclusie van de A-G Capeta in de zaak Remling, C-767/23, EU:C:2025:486 inzake onder meer de toepasselijkheid van artikel 81 van Pro de Wet op de Rechterlijke Organisatie, stelt de rechtbank vast dat voornoemd artikel geen betrekking heeft op de wijze van afdoening van rechtsgeschillen door rechtbanken en hoven, zodat ook een toekomstig oordeel van het Hof van Justitie van de Europese Unie over deze materie geen gevolgen kan hebben voor de uitkomst van het onderhavige beroep.
De gestelde onverenigbaarheid van de heffing van bpm met het Unierecht (grief c)
14. In dit kader heeft eiseres betoogd dat sprake is van een relevant verschil in heffingsmodaliteiten, nu zij de verschuldigde belasting reeds bij het doen van de aangifte bpm dient te voldoen, terwijl voor binnenlandse auto’s een eventuele restantbelasting, die nog drukt op binnenlandse gebruikte auto’s die voorheen op grond van de Wet bpm van de heffing waren vrijgesteld, eerst wordt voldaan bij de voltooiing van de registratie in het kentekenregister (de tenaamstelling). Verweerder betwist dat er een verschil in heffingsmodaliteiten bestaat.
15. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 26 maart 2021 (ECLI:NL:HR:2021:415) geoordeeld dat het systeem van de Wet bpm, namelijk dat de belasting moet worden betaald voordat het belastbare feit (de tenaamstelling) zich voordoet, niet in strijd is met artikel 110 van Pro het VWEU. De rechtbank heeft, na bestudering van de door eiseres aangehaalde jurisprudentie van het HvJ, geen aanknopingspunten kunnen vinden dat hierin anders moet worden geoordeeld dan door de Hoge Raad op 26 maart 2021 is gedaan.
16. De rechtbank acht bovenstaand oordeel in lijn met de Unierechtelijke jurisprudentie, zodat het voor het doen van uitspraak niet noodzakelijk is op dit punt het HvJ te verzoeken prejudiciële vragen te beantwoorden met betrekking tot de door eiseres opgeworpen rechtsvraag. De rechtbank ziet geen redenen om te twijfelen aan de juistheid van de toepassing door de Hoge Raad van artikel 110 van Pro het VWEU, gegeven de uitleg die het HvJ daaraan heeft gegeven in zijn jurisprudentie.
17. Anders dan eiseres betoogt doet zich bij de inschrijving in het kentekenregister van gebruikte uit een andere lidstaat afkomstige voertuigen en de daarmee verbonden heffing van bpm niet de situatie voor dat de bij de vaststelling van de grondslag van de berekende belasting waarderingsfactoren in aanmerking worden genomen die een waardeverschil ten opzichte van het overeenkomstige nationale product creëert of vergroot. Het heffingsmoment, de registratie in het kentekenregister, is immers bij dat overeenkomstige nationale product over het algemeen de datum van eerste toelating in Nederland. Op dat moment zijn er eenvoudigweg nog geen waardeverminderende factoren die tot een lagere heffing kunnen leiden. Dat in de spaarzame gevallen waarin een binnenlands product wel op een later moment aan de heffing wordt onderworpen – zoals bijvoorbeeld bij voormalige taxi’s - een waarderingsmethode wordt gehanteerd die afwijkt van de methode die wordt gebruikt bij geïmporteerde voertuigen is gesteld noch gebleken.
18. Ook het betoog van eiseres dat sprake is van een ‘exclusieve bevoegdheid van de Gemeenschap’, waardoor elk optreden van een lidstaat op hetzelfde domein a priori in strijd is met het Verdrag, snijdt geen hout. De heffing van belastingen betreft immers geen exclusieve bevoegdheid van enig Unierechtelijk orgaan.

Ten aanzien van het heffen van griffierecht (grief d)

19. Eiseres stelt onder verwijzing naar het arrest Kantarev dat het griffierecht in ieder geval niet meer mag bedragen dan 4% van het in geschil zijnde bedrag. Ook het vooraf heffen van griffierecht is in strijd met het Unierecht, aldus eiseres.
20. Uit het arrest Kantarev kan niet de algemene regel worden afgeleid dat de toegang tot de nationale rechter alleen dan wordt gewaarborgd indien niet meer dan 4% van de in geding zijnde vordering aan griffierechten wordt geheven. Verder geldt dat de Nederlandse regeling inzake griffierecht in het bestuursrecht niet van dien aard is dat rechtzoekenden daarmee de toegang tot de rechter wordt ontnomen. De rechtbank betrekt in het oordeel dat ter zake van het griffierecht een beroep op betalingsonmacht gedaan kan worden indien de heffing van het ingevolge de wet verschuldigde bedrag aan griffierecht het onmogelijk, althans uiterst moeilijk maakt om gebruik te maken van een door de wet opengestelde bestuursrechtelijke rechtsgang. De klachten van eiseres over het griffierecht, mede omvattend het vooraf betalen daarvan, treffen daarom geen doel.
De belastingcontrole door verweerder (grief e)
21. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder een belastingcontrole heeft uitgevoerd, waarvan binnenlandse voertuigen a priori zijn uitgezonderd. Dat is in flagrante strijd met het recht van de Unie, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie in zijn arrest van 10 oktober 1978, Hansen en Balle, EU:C:1978:173, r.o. 17 en 18. De aanslag moet vernietigd worden. De rechtbank is, aldus eiseres, kennelijk niet bevoegd uitlegging te geven over de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie en dus van de uitlegging in het arrest Hansen en Balle.
22. De stelling van eiseres dat te weinig geheven bpm niet kan worden nageheven nadat voor een gebruikt, vanuit een andere lidstaat naar Nederland overgebracht, motorvoertuig het belastbare feit (registratie in het Nederlandse kentekenregister, na 1 januari 2022 goedkeuring door de RDW) zich heeft voorgedaan, faalt op de gronden vermeld in overweging 2.2 van het arrest van de Hoge Raad van 22 maart 2019 (ECLI:NL:HR:2019:393). Voor zover het standpunt van eiseres aldus moet worden verstaan dat bij voldoening op aangifte er voor in Nederland reeds aanwezig voertuigen geen controles plaatsvinden overweegt de rechtbank aanvullend als volgt. Indien belasting die op aangifte moet worden voldaan geheel of gedeeltelijk niet is betaald, kan de inspecteur op grond van artikel 20 van Pro de AWR de te weinig geheven belasting naheffen. Daartoe mag de inspecteur een concrete aangifte aan een controle onderwerpen. Dat geldt zowel voor de registratie van zogenoemde binnenlandse voertuigen als voor de registratie van voertuigen afkomstig uit een andere lidstaat. Van schending van artikel 110 VWEU Pro is dan ook geen sprake. Het is niet in strijd met het Unierecht om belastingplichtigen te verplichten het juiste bedrag aan registratiebelasting te voldoen voordat de registratie plaatsvindt. De rechtbank merkt in dit verband ook op dat de vergaande interpretatie van eiseres van artikel 110 VWEU Pro ook tot gevolg zou hebben dat een belastingheffend orgaan dat een onjuiste aangifte ontvangt geen gebruik zou kunnen maken van de wettelijke mogelijkheid dat door middel van een corrigerende (naheffings)aanslag recht te trekken. Het heffingssysteem van aangifte en voldoening dat ook bij bijvoorbeeld de – veelvuldig aan het Unierecht getoetste - omzetbelasting wordt gebruikt, brengt immers met zich dat het belastbare feit, gevolgd door het in de aangifte neer te leggen standpunt van de belastingplichtige daaromtrent, het startpunt van de heffing is.
23. Het hierboven weergegeven antwoord op deze rechtsvraag ziet de rechtbank als een zogenaamde ‘acte claire’, zodat er geen aanleiding bestaat prejudiciële vragen te stellen met betrekking tot dit onderdeel van het beroep. Het beroep dat eiseres in dit verband heeft gedaan op het arrest Hansen en Balle gaat naar het oordeel van de rechtbank over een juridisch en feitelijk andere situatie. Voor de algemene conclusie van eiseres dat de controle na het doen van aangifte in strijd is met het Unierecht kan in dat arrest geen steun worden gevonden.
De verplichting eiseres te horen naar aanleiding van haar bezwaarschift (grief f)
24. Verweerder heeft eiseres tweemaal uitgenodigd voor een hoorgesprek. In de bijlage bij die uitnodigingen zit telkens een lijst met de zaken waarop dat hoorgesprek betrekking heeft. Op 1 november 2022 heeft er een (online) hoorgesprek plaatsgevonden. Verweerder was ingelogd en eiseres is daarbij niet verschenen. Vervolgens is verweerder overgegaan is het doen van uitspraak op bezwaar. De rechtbank acht het hoorrecht in bezwaar derhalve niet geschonden.
De gestelde schendingen van het verdedigingsbeginsel (grief g)
25. Eiseres stelt dat verweerder de naheffingsaanslagen in strijd met artikel 47 Handvest Pro van de grondrechten van de Europese Unie (HGEU) heeft opgelegd, nu zij daaraan voorafgaand niet in de gelegenheid is gesteld zich daarover mondeling uit te laten.
Het door eiseres bedoelde recht om te worden ‘gehoord’ voordat een voor haar nadelig besluit wordt genomen houdt in dat de betrokkene de gelegenheid wordt geboden haar standpunt over een voorgenomen bezwarend besluit naar behoren kenbaar te maken. Uit het Unierecht vloeit niet voort dat het bij een bestuursorgaan naar voren brengen van een zienswijze over een voorgenomen bezwarend besluit, alleen naar behoren kan plaatsvinden indien dit mondeling geschiedt. Het Unierecht schrijft immers niet voor in welke vorm (mondeling of schriftelijk) de belanghebbende deze zienswijze aan het bestuursorgaan kenbaar moet kunnen maken mits de vorm waarvoor het bestuursorgaan kiest geen hindernis vormt van zijn recht gebruik te maken. Dit betekent dat indien eiseres is uitgenodigd om schriftelijk haar standpunt kenbaar te maken en zij in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van die mogelijkheid aan de eisen van het Unierecht is voldaan.
26. In het onderhavige geval heeft eiseres met dagtekening 14 juni 2022 respectievelijk 1 augustus 2022 een zogenaamde ‘Kennisgeving naheffingsaanslag bpm’ en een ‘Mededeling naheffingsaanslag bpm’ gekregen en is zij in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren. Eiseres heeft daarbij van de gelegenheid gebruik gemaakt om te reageren. Zij wierp daarin op dat de controle door DRZ niet volgens de regels is verlopen. De reactie bracht verweerder niet op andere gedachten. De conclusie dat sprake is van een schending van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel (artikel 47 HGEU Pro) kan hier niet aan worden ontleend. De verwijzing van eiseres naar artikel 47 HGEU Pro maakt vorenstaande niet anders. Deze bepaling waarborgt het recht op een eerlijk proces en een onpartijdig gerecht en niet het recht op een mondelinge toelichting voorafgaand aan het opleggen van een naheffingsaanslag. Voor het stellen van prejudiciële vragen op dit punt bestaat, gegeven de hierboven weergegeven gang van zaken, geen aanleiding.
De bevoegdheid van verweerder een naheffingsaanslag op te leggen (grief h)
27 De stelling van eiseres dat te weinig geheven bpm niet kan worden nageheven nadat voor een gebruikt, vanuit een andere lidstaat naar Nederland overgebracht motorvoertuig het belastbare feit (registratie in het Nederlandse kentekenregister) zich heeft voorgedaan, faalt op de gronden vermeld in overweging 2.2 van het arrest van de Hoge Raad van 22 maart 2019 (ECLI:NL:HR:2019:393. Het is evenmin in strijd met het Unierecht om belastingplichtigen te verplichten het juiste bedrag aan registratiebelasting te voldoen voordat de registratie plaatsvindt. Het hierboven weergegeven antwoord op deze rechtsvraag ziet de rechtbank als een zogenaamde ‘acte claire’, zodat er geen aanleiding bestaat prejudiciële vragen te stellen met betrekking tot dit onderdeel van het beroep. De rechtbank merkt in dit verband ook op dat de vergaande interpretatie van eiseres van artikel 110 VWEU Pro ook tot gevolg zou hebben dat een belastingheffend orgaan dat een onjuiste aangifte ontvangt geen gebruik zou kunnen maken van de wettelijke mogelijkheid dat middels een corrigerende (naheffings-)aanslag recht te trekken. Het heffingssysteem van aangifte en voldoening dat ook bij bijvoorbeeld de – veelvuldig aan het Unierecht getoetste - omzetbelasting wordt gebruikt brengt immers met zich dat het belastbare feit, gevolgd door het in de aangifte neer te leggen standpunt van de belastingplichtige daaromtrent, het startpunt van de heffing is.
De verdeling van de bewijslast en de gestelde ‘ex-rental-status’ (grieven i en j)28. De rechtbank stelt voorop dat de kwalificatie als ‘ex-rental’ uitsluitend van betekenis kan zijn bij een waardering van de auto aan de hand van een koerslijst. Indien bij de aangifte wordt gekozen voor een op de specifieke auto toegespitst taxatierapport moeten de negatieve effecten van het verhuurverleden geacht wordt bij die taxatie te zijn betrokken. Verder, en omdat DRZ de door verweerder verdedigde waarde mede heeft gebaseerd op een koerslijstwaarde, overweegt de rechtbank het volgende. Eiseres heeft gesteld dat recht bestaat op een ex-rental waardering van de auto en voorts dat de bewijslast, om aannemelijk te maken dat geen recht bestaat op de ex-rental waardering, bij verweerder ligt. De rechtbank onderschrijft dit standpunt niet. Uit de arresten van de Hoge Raad van 12 mei 2017 (ECLI:NL:HR:2017:847) en 17 januari 2020 (ECLI:NL:HR:2020:296) volgt dat op de belastingplichtige die zich beroept op een vermindering van de op aangifte voldane bpm, de plicht rust om feiten te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken, die kunnen leiden tot een vermindering van de verschuldigde belasting. Indien de belastingplichtige er in is geslaagd dergelijke feiten aannemelijk te maken is het vervolgens aan verweerder om aan te tonen dat – die feiten in aanmerking genomen - de geheven belasting niet in strijd is met de in artikel 110 VWEU Pro. De heffing op geïmporteerde gebruikte auto’s mag, al dan niet rechtstreeks, niet tot een hogere binnenlandse belasting leiden dan welke van gelijksoortige nationale producten wordt geheven en de import van dergelijke auto’s mag niet onderworpen zijn aan een zodanige binnenlandse belasting, dat daardoor andere producties zijdelings worden beschermd. De rechtbank wijst in dit verband op het arrest van de Hoge Raad van 15 november 2019; ECLI:NL:HR:2019:1783.
29. Eiseres heeft in de aangifte niet aangegeven dat sprake is van een ex-rental terwijl zulks ook niet blijkt uit het door eiseres overgelegde taxatierapport. Eiseres heeft ook daarna geen aanvullende stukken overgelegd op grond waarvan het aannemelijk kan worden geacht dat wel sprake is van een ex-rental. De aangedragen grief kan dan ook niet slagen.

De onafhankelijkheid van de DRZ (grief j)

30. De rechtbank stelt voorop dat het verweerder vrij staat om voor de door hem noodzakelijk geachte controle een door hem te kiezen deskundige in te schakelen. In hetgeen eiseres heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen reden te twijfelen aan de deskundigheid van de gekozen taxateur, terwijl er evenmin aanleiding kan worden gevonden om vanwege de werkwijze van de DRZ geen of minder waarde aan het rapport van DRZ te hechten. De rechtbank volgt eiseres daarom niet in diens betoog dat de rapportage van DRZ niet aan de bestreden naheffingsaanslag ten grondslag kan worden gelegd. De rechtbank verwijst in dit verband ook naar de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 23 februari 2021 (ECLI:NL:GHARL:2021:1676).

Het door verweerder gehanteerde afschrijvingspercentage (grief k)

31. Eiseres heeft betoogd dat het forfaitaire afschrijvingspercentage waarmee verweerder rekent te laag is.
32. Verweerder heeft het afschrijvingspercentage van 44,72% in het onderhavige geval ontleend aan de nacontrole door DRZ. Eiseres verdedigt een afschrijvingspercentage van 54,21% en baseert zich daartoe op de aanname dat verweerder de onjuiste historische nieuwprijs heeft gehanteerd in zijn berekeningen. Verweerder past in zijn berekeningen een historische nieuwprijs van € 141.723 toe. Dit had het bedrag van € 171.097 moeten zijn. Het afschrijvingspercentage zou dus hoger moeten komen te liggen, aldus eiseres.
33. De rechtbank overweegt als volgt. Volgens eiseres bedraagt de verschuldigde belasting, met een historische nieuwprijs van € 171.097 en een handelsinkoopwaarde van
€ 78.351, in totaal € 30.164 (en niet de door verweerder voorgestane € 36.412). Er is
€ 29.410 betaald op aangifte en dus zou het na te heffen bedrag € 754 moeten bedragen. Eiseres stelt dat de naheffingsaanslag verminderd moet worden met € 6.248.
34. In zijn nadere stuk van 15 januari 2026 beroept verweerder zich op interne compensatie. De rechtbank komt tot het oordeel dat verweerder een terecht beroep kan doen op interne compensatie. Na interne compensatie heeft eiseres geen recht meer op een teruggave bpm. In zoverre is het beroep dus ongegrond.
Ten aanzien van hoogte van de in aanmerking te nemen schade (grief l)
35. Het door eiseres bestreden en door verweerder gehanteerde percentage berust op de (Bijlage bij de) Uitvoeringsregeling bpm (tekst 2020, nadien gewijzigd per 1 januari 2022). Deze regeling is volgens vaste jurisprudentie aanvaardbaar. Verwezen is naar bijvoorbeeld de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 14 juli 2016 (ECLI:NL:GHSHE:2016:2998). Van doorslaggevende betekenis is daarbij geacht dat de regeling een tegenbewijsregeling kent, zodat onder omstandigheden, ook de volledige schade in aanmerking kan worden genomen. In verband met deze tegenbewijsmogelijkheid is volgens deze jurisprudentie ook geen sprake van strijd met artikel 110 VWEU Pro. De rechtbank sluit zich bij dit oordeel aan. In het onderhavige geval is van de mogelijkheid van tegenbewijs geen gebruik gemaakt. Daarnaast ontbreken de aankoopnota, de nota van herstel en de reparatienota’s, waardoor de rechtbank geen ruimte ziet om het taxatierapport van eiseres te volgen. Ook zijn de gestelde schadeposten niet inzichtelijk en aannemelijk gemaakt. Ook de beperkte tijdsduur waarin de controle heeft plaatsgevonden komt de rechtbank onaannemelijk voor
.Bijgevolg sluit de rechtbank aan bij het standpunt van verweerder.
De CO2-uitstoot (grief m)
36. Eiseres voert aan dat de bruto bpm is berekend met behulp van de Scandinavische rekenmethode. Volgens verweerder is de Scandinavische rekenmethode echter niet gebruikt en zou de berekende CO2-uitstoot zelfs hoger komen te liggen. De rechtbank komt tot het oordeel dat verweerder terecht is uitgegaan van een uitstoot van 298 gr/km, de uitstoot die de RDW heeft vastgesteld in het kentekenregister.
Ten aanzien van het recht van werkelijke proceskostenvergoeding (grief n)
37. Eiseres heeft betoogd dat verweerder in gevallen als deze, wanneer een aangevochten aanslag niet volledig in stand blijft omdat deze niet in overeenstemming met het Unierecht is opgelegd, gehouden is de ‘werkelijke’ proceskosten van de bezwaarmaker te vergoeden. Daargelaten de vraag of die situatie zich hier voordoet, hetgeen verweerder betwist, brengt de omstandigheid dat de gemachtigde van eiseres voor haar optreedt op basis van een zogenaamde ‘no-cure-no-pay-overeenkomst’ met zich dat dergelijke ‘werkelijke’ proceskosten bij gebrek aan facturen en/of betaalbewijzen niet kunnen worden vastgesteld. De grief slaagt dan ook niet.
Conclusie38. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Beoordeling van het verzoek om immateriële schadevergoeding
39. Eiseres heeft verzocht om toekenning van een immateriële schadevergoeding in verband met de lange afhandelingsduur van de bezwaar- en beroepsprocedure tegen de opgelegde naheffingsaanslag.
40. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden moet worden aangesloten bij de uitgangspunten als neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006. Voor een uitspraak in eerste aanleg heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De termijn vangt als regel aan op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt. Indien de redelijke termijn is overschreden, dient als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief te worden gehanteerd van € 500 per half jaar dat die termijn is overschreden, waarbij ter bepaling van de totale vergoeding de geconstateerde overschrijding naar boven wordt afgerond.
41. Het bezwaarschrift is binnengekomen op 16 september 2022, de uitspraak op bezwaar is gedaan op 20 maart 2024 en de rechtbank doet uitspraak op 14 juli 2026, zodat in deze zaak de redelijke termijn is overschreden met afgerond 22 maanden waarvan 13 maanden zijn toe te rekenen aan de bezwaarfase en negen maanden aan de beroepsfase.
42. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de redelijke termijn verlengd moet worden dan wel dat de termijn op een later moment dan het indienen van het bezwaar aanvangt.
43. Gelet hierop bedraagt de immateriële schadevergoeding in deze zaak € 2.000 waarvan € 1.182 door verweerder en € 818 door de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) vergoed dient te worden.
44. Bij de beoordeling van het verzoek om immateriële schadevergoeding en de proceskostenvergoeding gaat de rechtbank uit van samenhang met het beroep van eiseres geregistreerd onder nummers SGR 24/4127, SGR 23/6588, SGR 23/6796 en SGR 23/6797 die een vrijwel identieke geschillen betreffen en die op dezelfde zitting zijn behandeld. De vastgestelde samenhang brengt met zich dat eiseres slechts in dit beroep in aanmerking komt voor een dergelijke vergoeding.
Proceskosten en griffierecht
45. In het arrest van 31 mei 2024 (ECLI:NL:HR:2024:567) heeft de Hoge Raad – voor zover hier van belang – het volgende overwogen:

“6Proceskosten

6.1
In de omstandigheid dat aan belanghebbende een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure wordt toegekend, vindt de Hoge Raad aanleiding om de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) te veroordelen in de kosten van het geding in cassatie.
6.2
Bij de berekening van de vergoeding voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand neemt de Hoge Raad tot uitgangspunt dat (i) een verzoek om schadevergoeding een proceshandeling is waaraan 1 punt wordt toegekend, en (ii) op een dergelijk verzoek wegingsfactor 0,25 (zeer licht) van toepassing is, zoals voorzien in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht.
7 Vergoeding van griffierecht
7.1.1
Voor gevallen waarin de rechter het beroep, het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie op zichzelf beschouwd ongegrond acht, maar wel een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn toekent, handhaaft de Hoge Raad niet langer zijn rechtspraak op grond waarvan het griffierecht op de voet van artikel 8:74, lid 2, Awb aan de belanghebbende moet worden vergoed. De heffing van griffierecht vindt plaats vanwege het instellen van beroep, hoger beroep of beroep in cassatie, en voor vergoeding daarvan door het bestuursorgaan bestaat alleen aanleiding indien dat beroep gegrond is en dus terecht is ingesteld, of indien het weliswaar ongegrond is maar is ingesteld als gevolg van een andere tekortkoming van dat bestuursorgaan. De Hoge Raad is thans van oordeel dat de aanleiding tot het vergoeden van griffierecht daarom niet kan zijn gelegen in de omstandigheid dat de behandeling van het beroep, na het instellen daarvan, onredelijk lang heeft geduurd. Dit geldt zowel bij verzoeken om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn waarop de met ingang van 1 juli 2013 ingevoerde titel 8.4 Awb van toepassing is, als bij verzoeken om schadevergoeding waarop met overeenkomstige toepassing van het tot 1 juli 2013 geldende artikel 8:73 Awb Pro wordt beslist.
7.1.2
De hiervoor in 7.1.1 weergegeven wijziging geldt niet voor zaken waarin (i) de belanghebbende voorafgaand aan de datum van dit arrest om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor berechting heeft verzocht, en (ii) de redelijke termijn voor de desbetreffende fase van de procedure (bezwaar en beroep, hoger beroep, cassatieberoep) op de datum van dit arrest is overschreden. Aldus wordt een aanspraak op vergoeding van griffierecht geëerbiedigd die voortvloeit uit een daartoe vóór de datum van dit arrest gedaan verzoek op basis van de toenmalige rechtspraak van de Hoge Raad.”
46. Toepassing van het hierboven aangehaalde oordeel leidt in het onderhavige geval tot een proceskostenvergoeding van € 233,50 (1 punten voor het indienen van het verzoek en een wegingsfactor van ¼ bij een bedrag per punt van € 934)
.Nu de overschrijding van de redelijke termijn zowel aan verweerder als aan de rechter is toe te rekenen zal de vergoeding van deze bedragen op grond van het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.14.2 deels moeten plaatsvinden door verweerder en deels door de Staat (Minister van Justitie en Veiligheid), waarbij om redenen van eenvoud en uitvoerbaarheid dient te worden uitgegaan van een verdeling waarbij ieder van hen telkens de helft betaalt.
47. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024 (ECLI:NL:HR:2024:567) bestaat in dit geval geen recht op vergoeding van het griffierecht.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • veroordeelt verweerder tot vergoeding van de immateriële schade van eiseres tot een bedrag van € 1.182, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf vier weken na openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening;
  • veroordeelt de Minister van Justitie en Veiligheid tot betaling van een immateriële schadevergoeding aan eiseres tot een bedrag van € 818, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf vier weken na openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening;
  • veroordeelt verweerder in de helft van de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 116,75, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf vier weken na openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening;
  • veroordeelt de Minister van Justitie en Veiligheid in de helft van de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 116,75, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf vier weken na openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening;
  • neemt voor wat betreft de immateriële schadevergoeding en de proceskostenvergoeding samenhang aan in de zaken met zaaknummers
SGR 24/4127, SGR 23/6588, SGR 23/6796 en SGR 23/6797.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Walderveen, rechter, in aanwezigheid van
T.T. Langeveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. Bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. Het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
a. De naam en het adres van de indiener;
b. De datum van verzending;
c. Een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. De redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).