Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16203

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
NL25.46737
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 15c KwalificatierichtlijnArt. 28 VwArt. 31 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag Afghaanse Tadzjiek wegens ongeloofwaardigheid problemen met Taliban

Eiser, een Afghaanse Tadzjiek, verzocht om een verblijfsvergunning asiel vanwege vermeende vervolging door de Taliban, die hem als verzetsstrijder zou zien. De minister wees de aanvraag af wegens ongeloofwaardigheid van de geboortedatum en het asielrelaas, met name de beweringen over problemen met de Taliban. De rechtbank behandelde het beroep en hoorde ook de broer van eiser als getuige.

De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt waarom de Taliban hem als tegenstander zou zien. Diverse inconsistenties en onlogische verklaringen over huiszoekingen, vluchten en de situatie van zijn vader leidden tot het oordeel dat het verhaal niet geloofwaardig is. Ook het overgelegde document over de hechtenis van zijn vader werd niet als betrouwbaar beoordeeld.

Verder werd geoordeeld dat de humanitaire situatie in Afghanistan weliswaar slecht is, maar niet leidt tot een situatie die asielrechtelijk relevant is onder artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn. Ook is onvoldoende onderbouwd dat eiser bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade loopt. Het beroep is daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.46737

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. F.W. Verbaas),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. D.A.M. Frieser).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw [1] . Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Het beroep is
gegrondongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 3 september 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 22 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Ook is een tolk verschenen. Tijdens de zitting is de broer van eiser als getuige gehoord.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] , heeft de Afghaanse nationaliteit en behoort tot de Tadzjiekse bevolkingsgroep. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij problemen heeft ondervonden met de Taliban en dat hij door hen wordt gezien als verzetsstrijder. De winkel van zijn vader, waar eiser werkzaam was, is doorzocht door leden van de Taliban. Hierbij hebben zij het wapen van eisers vader gevonden. Als gevolg hiervan hebben ze eiser beticht van verzet tegen de Taliban. Ze wilden eiser meenemen, maar hij heeft kunnen vluchten. Bij terugkeer naar Afghanistan vreest eiser te worden gedood door de Taliban, omdat de Taliban denkt dat hij zich heeft aangesloten bij het verzetsfront.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. Problemen met de Taliban.
De minister acht de naam, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig, maar acht de geboortedatum van [geboortedatum] ongeloofwaardig. Gelet op het feit dat eiser in Oostenrijk een andere geboortedatum heeft opgegeven dan in Nederland, dat de door eiser overgelegde identiteitsverklaring onvoldoende waarde kent en het feit dat dit document niet als identificerend document kan worden beschouwd, wordt de gestelde minderjarige leeftijd ten tijde van de asielaanvraag, ongeloofwaardig geacht. De problemen met de Taliban acht de minister ook ongeloofwaardig. Omdat eiser geen documenten heeft overgelegd om zijn asielrelaas te onderbouwen, heeft de minister aan de hand van de verklaringen van eiser beoordeeld of het asielmotief geloofwaardig is. De minister overweegt hiertoe dat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. De minister heeft eiser op grond van het geloofwaardig geachte eerste asielmotief niet aangemerkt als vluchteling en eiser heeft volgens de minister ook niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Afghanistan een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM [2] . De minister heeft de asielaanvraag van eiser daarom afgewezen als ongegrond.
Leeftijd
5. De rechtbank stelt vast dat eiser in beroep het oordeel van de minister over de gestelde minderjarige leeftijd van eiser ten tijde van de aanvraag niet gemotiveerd heeft betwist. De enkele verwijzing naar de zienswijze en de aanvullende zienswijze en het verzoek om die als herhaald en ingelast te beschouwen, is onvoldoende om te kunnen worden aangemerkt als een beroepsgrond waarop de rechtbank moet ingaan. De minister is in het bestreden besluit gemotiveerd ingegaan op de zienswijzen. Het is aan eiser om in beroep concreet aan te geven waarom de reactie van de minister op de zienswijzen volgens hem niet juist of niet toereikend is. De rechtbank zal zich dan ook richten op wat eiser in beroep heeft aangevoerd.
Had de minister het beleid zoals opgenomen in IB 2022/71 moeten toepassen?
6. Eiser doet een beroep op IB 2022/71 en stelt dat de minister hem op basis van dit beleid het voordeel van de twijfel had moeten geven. De minister heeft de beslistermijn overschreden en daardoor is eiser in een nadeligere positie terecht gekomen.
6.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. In beginsel moet worden uitgegaan van het op het moment van het nemen van het besluit geldende recht. De enkele omstandigheid dat een belanghebbende door toepassing van nieuw recht in een ongunstiger positie komt, is onvoldoende om van dit uitgangspunt af te wijken. [3] De rechtbank ziet in het tijdsverloop tussen de aanvraag en het bestreden besluit geen bijzondere omstandigheid om van dit uitgangspunt af te wijken. Niet gebleken is dat de beslissing is uitgesteld vanwege het voornemen om de rechten van eiser te frustreren. De rechtbank ziet verder geen aanleiding om op basis van algemene beginselen van behoorlijk bestuur de minister op te dragen oud beleid toe te passen. Het ten tijde van de aanvraag geldende beleid betekende ook niet per definitie dat een vergunning zou worden verleend. [4]
Heeft de minister ten onrechte de problemen met de Taliban ongeloofwaardig geacht?
7. Eiser voert aan dat de minister de door hem gestelde problemen met de Taliban geloofwaardig had moeten achten. De minister heeft ten onrechte geconcludeerd dat het vinden van een Kalasjnikov in een winkel in de provincie Kapisa waar een jonge Tadzjiek achter de toonbank staat, onvoldoende reden is om een gegronde vrees voor vervolging aan te nemen. De minister heeft eisers asielrelaas onvoldoende afgezet tegen de bekende landeninformatie. Eiser zal worden gezien als een aanhanger van de NRF. [5] Eiser wijst op het document dat hij bij de aanvullende zienswijze van 29 augustus 2024 heeft overgelegd, waarin de hechtenis van eisers vader is bevestigd door de veiligheidscommandant van de provincie Kapisa. Inmiddels beschikt eiser over het originele document en hij wil dat de minister dit laat onderzoeken. Eisers broer kan verklaren over wat er met hun vader is gebeurd.
7.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft niet ten onrechte de gestelde problemen met de Taliban ongeloofwaardig geacht. De minister heeft zich daarbij op het standpunt kunnen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft verklaard over waarom hij verdacht zou worden van verzet jegens de Taliban. Eiser heeft verklaard dat de Taliban hem is gaan verdenken na een eerdere huiszoeking bij hem thuis, maar hij heeft niet aannemelijk gemaakt waarom hij na deze huiszoeking verdacht zou zijn geworden. Daar heeft de minister bij mogen betrekken dat eiser heeft verklaard dat de Taliban tijdens de huiszoeking niets heeft gevonden en dat hij na de huiszoeking geen problemen met de Taliban heeft gehad. De minister heeft eiser kunnen tegenwerpen dat niet valt in te zien waarom de Taliban ervan uit ging dat het wapen van eiser was, mede gezien de door eiser gestelde jonge leeftijd. De winkel was van eisers vader en de minister heeft het niet aannemelijk hoeven vinden dat eiser wel als tegenstander van het regime zou worden beschouwd en zijn vader niet. De minister heeft de verklaring van eiser dat de Taliban zijn vader niet heeft aangehouden omdat hij op leeftijd is niet hoeven volgen.
7.2.
De minister heeft eiser verder kunnen tegenwerpen dat hij niet aannemelijk heeft verklaard over het moment waarop hij staande werd gehouden bij een checkpoint van de Taliban. Tijdens het aanmeldgehoor heeft eiser verklaard dat iedereen staande werd gehouden en gefouilleerd, maar tijdens het nader gehoor heeft hij verklaard dat iemand pas staande wordt gehouden en wordt gefouilleerd als iemand verdacht wordt of argwaan wekt. Ook heeft de minister eiser kunnen tegenwerpen dat hij geen logische verklaring heeft kunnen geven voor het gegeven dat hij zijn vader niet op de hoogte heeft gebracht van het feit dat de Taliban eiser heeft gevraagd naar de locatie van de winkel. Ook heeft eiser niet weten te verklaren wanneer de Taliban de winkel is binnengevallen of wanneer de Taliban een huiszoeking bij eiser thuis deed en heeft hij tegenstrijdig verklaard over de tijd die tussen de ondervraging bij het checkpoint en de doorzoeking van de winkel zou hebben gezeten.
7.3.
Ook heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser vaag en onlogisch over het vluchten voor de Taliban heeft verklaard. De minister heeft het onaannemelijk kunnen achten dat eiser rennend is gevlucht van vier Talibanleden met wapens en twee auto’s. Niet valt in te zien hoe eiser heeft weten te ontsnappen aan de Talibanleden die in de meerderheid waren en op eiser schoten. De verklaring van eiser dat de Taliban hem liet ontsnappen, omdat zijn vluchtroute niet bereikbaar was voor de auto en de Taliban niet achter hem aan durfde te rennen omdat zij bang was om zelf aangevallen te worden, heeft de minister niet aannemelijk hoeven achten. De Taliban had de macht in eisers woonomgeving en het is daarom niet aannemelijk dat zij eiser lieten ontsnappen als hij een doelwit zou zijn geweest.
7.4.
De minister heeft eiser eveneens kunnen tegenwerpen dat hij niet aannemelijk heeft verklaard over het feit dat zijn vader zou zijn vastgehouden door de Taliban. De minister heeft het onaannemelijk kunnen achten dat de Taliban eisers vader na een paar uur heeft laten gaan. De minister heeft hierbij mogen betrekken dat wanneer de Taliban eiser wilde ontvoeren, verwacht mocht worden dat zij eisers vader niet zomaar zouden laten gaan na een paar uur. De minister heeft daarbij terecht gewezen op het Algemeen ambtsbericht Afghanistan, waaruit blijkt dat wanneer een familielid een doelwit van de Taliban is, de hele familie risico loopt. [6] Verder heeft de minister eiser kunnen tegenwerpen dat niet valt in te zien dat eisers vader zou zijn vrijgelaten nadat heeft verklaard dat het wapen van hem was, wanneer het hebben van een wapen wordt gezien als middel of kenmerk van verzet.
7.5.
Ten aanzien van de overgelegde verklaring van de Taliban waarin de hechtenis van eisers vader zou zijn bevestigd door de veiligheidscommandant van de provincie Kapisa, volgt de rechtbank de minister dat hij geen aanleiding ziet om het document op echtheid te laten onderzoeken. Het is onaannemelijk dat eisers vader een verklaring van de Taliban heeft geregeld om zijn geld terug te krijgen, als hij vreest voor diezelfde Taliban. Verder is het document geen onderbouwing van eisers asielrelaas, nu uit het document niet volgt dat de Taliban eiser zoekt dan wel dat de Taliban vragen aan eisers vader heeft gesteld over eisers verblijfplaats. Ten aanzien van het overgelegde Whatsapp-gesprek dat zou zijn gevoerd tussen eisers broer en zijn neef, heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat dit gesprek geen feitelijke, objectieve informatie bevat die eisers asielrelaas onderbouwt.
7.6.
Ter zitting heeft de broer van eiser een verklaring afgelegd over de gestelde hechtenis van eisers vader bij de Taliban. De minister heeft aan deze verklaring niet de waarde hoeven toekennen die eiser daaraan gehecht wenst te zien. Daarbij acht de rechtbank van belang dat het een algemene verklaring is, waarbij eisers broer wisselend heeft verklaard over wanneer hij naar zijn vader is gegaan. In het begin van zijn verklaring heeft hij het over juni 2025 en later zegt hij dat ongeveer een half jaar na juni 2024 naar zijn vader is toegegaan. Verder zijn de verklaringen van eiser subjectief en verklaart hij over dingen die hij niet zelf heeft meegemaakt. Daarbij gaan de verklaringen van eisers broer over hetgeen eisers vader heeft meegemaakt en is hiermee niet aannemelijk gemaakt dat eiser problemen heeft ervaren met de Taliban.
7.7.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de minister heeft kunnen concluderen dat eiser met zijn verklaringen niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij door de Taliban werd verdacht als iemand die tot het verzet zou behoren. De minister heeft de gestelde problemen met de Taliban ongeloofwaardig kunnen achten. Dit betekent dat de minister ook niet heeft hoeven volgen dat eiser beschouwd zal worden als lid van de NRF. De minister is in het bestreden besluit voldoende ingegaan op de in de zienswijze door eiser aangehaalde landeninformatie. De rechtbank is van oordeel dat de minister alle relevante feiten en omstandigheden bij de geloofwaardigheidsbeoordeling heeft betrokken. De minister is in het besluit uitgebreid ingegaan op de afgelegde verklaringen en de overgelegde stukken waarbij is uitgelegd waarom de minister het asielmotief van eiser niet geloofwaardig acht. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een adequate integrale geloofwaardigheidsbeoordeling.
Politieke overtuiging
8. Eiser stelt dat de minister miskent dat hij te maken heeft met vervolging vanwege (al dan niet vermeende) politieke opvattingen.
8.1.
De rechtbank stelt vast dat uit het bestreden besluit blijkt dat de minister niet betwist dat eiser een politieke overtuiging in de zin van IB 2024/10 heeft, nu hij heeft verklaard het niet eens te zijn met de opvattingen van de Taliban. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister terecht dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij hierdoor een gegronde vrees voor vervolging heeft, dan wel een risico loopt op ernstige schade. Eiser heeft namelijk niet onderbouwd waarom hij in de negatieve belangstelling staat van de Taliban. Een enkele verwijzing naar arresten en landeninformatie is niet voldoende om de vrees aannemelijk te achten.
Veiligheidssituatie en humanitaire omstandigheden
9. Voor zover eiser heeft gesteld dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld en dat de humanitaire situatie in Afghanistan ten onrechte niet (kenbaar) is betrokken bij de beoordeling van artikel 15(c) Kwalificatierichtlijn, overweegt de rechtbank als volgt.
9.1.
De minister heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de humanitaire situatie slecht en zeer zorgelijk is in Afghanistan, maar dat de humanitaire omstandigheden in beginsel niet onder de reikwijdte van het asielbeleid vallen. Voor Afghanistan moet in het kader van het internationaal asielrecht worden geconcludeerd dat deze situatie niet opzettelijk is gecreëerd (bijvoorbeeld als oorlogstactiek) of het gevolg is van willekeurig geweld en deze leidt derhalve niet tot een situatie als bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn. De minister verwijst naar de een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 7 januari 2026. [7] Tijdens de zitting heeft de minister toegelicht dat ook op basis van het ambtsbericht van december 2025 geen relatief lager niveau van willekeurig geweld wordt aangenomen. Als dat wel zo zou zijn, moet er sprake zijn van individuele omstandigheden en dat is in het geval van eiser niet aan de orde.
9.2.
De rechtbank overweegt dat volgens het landenbeleid zoals dat gold ten tijde van het bestreden besluit en ook het nu geldende landenbeleid [8] in Kapisa geen sprake is van een gewapend conflict als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. [9] De enkele stelling van eiser, onder verwijzing naar informatie van de EUAA [10] , dat wel degelijk sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld maakt dat niet anders. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat in Kapisa geen sprake is van een gewapend conflict als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn.
9.3.
Uit de uitspraken [11] van de Afdeling van 16 juli 2025 volgt dat bij de beoordeling op grond van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn ook humanitaire omstandigheden moeten worden betrokken die verband houden met willekeurig geweld en die direct of indirect het gevolg zijn van het handelen of nalaten van strijdende partijen. De minister heeft zich daarbij, in lijn met de bovengenoemde uitspraak van de Afdeling, terecht op het standpunt gesteld dat humanitaire omstandigheden slechts relevant zijn voor de beoordeling van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn wanneer deze direct of indirect voortkomen uit handelen of nalaten van een van de strijdende partijen. Uit het ambtsbericht 2025 blijkt dat de humanitaire situatie zeer slecht is. Het land heeft te maken met de gevolgen van vier decennia oorlog, ingesleten armoede en klimaatcrises. De humanitaire situatie is verergerd door de grootschalige gedwongen terugkeer naar Afghanistan van Afghanen uit met name Iran en Pakistan, de sterk teruggelopen buitenlandse hulpgelden en de gevolgen van klimaatverandering (droogte, overstromingen) en aardbevingen. Er zijn ernstige voedsel- en watertekorten, naast gebrek aan werk en huisvesting en het gezondheidssysteem kan de vraag naar zorg bij lange na niet aan. [12]
Hoewel humanitaire omstandigheden in zijn algemeenheid een rol kunnen spelen bij de beoordeling heeft de minister in lijn met de uitspraak van de Afdeling gesteld dat de omstandigheden veroorzaakt door een niet-actieve actor in beginsel geen rol spelen bij het bepalen van de gradatie van willekeurig geweld in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Gezien de uitspraak van de Afdeling volgt de rechtbank de motivering van de minister en acht deze voldoende deugdelijk.
Humanitaire situatie en artikel 3 van Pro het EVRM?
10. Eiser betoogt dat terugkeer in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM, omdat hij in Afghanistan terecht zal komen in erbarmelijke humanitaire omstandigheden. Hij beroept zich op het arrest Sufi en Elmi [13] .
10.1.
Uit het arrest Sufi en Elmi volgt dat als een slechte humanitaire situatie zich niet afspeelt in de context van willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict, artikel 3 van Pro het EVRM slechts wordt geschonden in ‘very exceptional cases where the humanitarian grounds against removal are compelling’.
10.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser onvoldoende onderbouwing heeft gegeven van deze zeer uitzonderlijke humanitaire omstandigheden. De rechtbank stelt vast dat eiser heeft verwezen naar algemene landeninformatie, zonder deze toe te spitsen op de situatie in Kapisa. Hoewel sprake is van een zeer slechte en complexe humanitaire situatie, is de rechtbank niet gebleken dat in Afghanistan, en Kapisa in het bijzonder, zeer uitzonderlijke omstandigheden, als bedoeld in Sufi en Elmi, bestaan.
Risico’s bij terugkeer
11. Eiser betoogt verder dat hij bij een terugkeer naar Afghanistan uit Europa mogelijk risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM. Ter onderbouwing wijst hij op een uitspraak van de Afdeling [14] van 20 november 2024 [15] , waaruit volgt dat de minister bij de beoordeling van terugkeer uit het westen de individuele factoren in samenhang moeten beoordelen, waaronder het verblijf in het westen. Eiser wijst in dit verband verder op het feit dat hij een Tadzjiek is uit de provincie Kapisa en dat hij een matig praktiserend moslim is.
11.1.
De rechtbank overweegt dat de Afdeling in de uitspraken van 20 november 2024 [16] heeft geoordeeld dat uit de informatie uit de openbare bronnen niet volgt dat vreemdelingen die in een westers land hebben verbleven, alleen al om die reden een reëel risico op ernstige schade lopen als zij vrijwillig terugkeren naar Afghanistan. Vreemdelingen die vrijwillig terugkeren na een verblijf in het Westen, zijn daarom volgens de Afdeling niet aan te merken als een groep die een reëel risico op ernstige schade loopt wegens dat verblijf in het Westen. Het is, gelet op artikel 31 van Pro de Vw 2000, aan de vreemdeling die terugkeert vanuit het Westen om met individuele omstandigheden aannemelijk te maken waarom hij in de aandacht van de Taliban staat en dat die aandacht kan leiden tot een behandeling in strijd met artikel 15, onderdeel b, van de Kwalificatierichtlijn en artikel 4 van Pro het EU Handvest. Dit oordeel heeft de Afdeling sindsdien in verschillende uitspraken herhaald. [17]
11.2.
Zoals hiervoor is overwogen, heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat eisers problemen met de Taliban ongeloofwaardig zijn. De minister heeft verder voldoende gemotiveerd dat het niet aannemelijk wordt geacht dat de Taliban eiser beschouwt als iemand die lid zou zijn van het verzet. De Tadzjieken zijn binnen het landgebonden beleid voor Afghanistan niet als apart risicoprofiel aangemerkt. Eiser heeft in het nader gehoor verklaard dat hij persoonlijk geen problemen heeft ondervonden omdat hij Tadzjiek is. [18] Ook het feit dat eiser afkomstig is uit Kapisa en dat hij een matig praktiserend moslim is, maken dit niet anders. Ook ten aanzien van deze punten geldt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er voor hem als individu een specifiek en persoonlijk risico bestaat.
11.3.
De beroepsgrond van eiser dat hij bij terugkeer naar Afghanistan een reëel risico op ernstige schade loopt, slaagt daarom niet.

Conclusie en gevolgen

12. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Hersteluitspraak

13. Deze hersteluitspraak is gedaan omdat in de tweede zin in rechtsoverweging 1.1. ten onrechte staat dat het beroep gegrond is. Deze hersteluitspraak treedt in de plaats van de oorspronkelijke uitspraak die op 15 juni 2026 is gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. van Wijk, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000
2.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
3.Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 27 februari 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:BZ2518) en 25 maart 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:1739).
4.Zie de uitspraken van de Afdeling van 25 maart 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:1739) en de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 4 februari 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:1393).
5.National Resistance Front.
6.Algemeen ambtsbericht Afghanistan, juni 2023, p. 68.
8.Besluit van de Minister van Asiel en Migratie van 4 juni 2026, nummer WBV 2026/12, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000, Stc. 2026/19746.
9.Vreemdelingencirculaire, C7/2.
10.European Union Agency for Asylum.
12.AAB Afghanistan 2025, p. 8 en 24.
13.EHRM 28 juni 2011, Sufi en Elmi tegen het Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907.
14.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
17.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 29 april 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:2366).
18.NG, p. 14.