Eiser, een Afghaanse Tadzjiek, verzocht om een verblijfsvergunning asiel vanwege vermeende vervolging door de Taliban, die hem als verzetsstrijder zou zien. De minister wees de aanvraag af wegens ongeloofwaardigheid van de geboortedatum en het asielrelaas, met name de beweringen over problemen met de Taliban. De rechtbank behandelde het beroep en hoorde ook de broer van eiser als getuige.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt waarom de Taliban hem als tegenstander zou zien. Diverse inconsistenties en onlogische verklaringen over huiszoekingen, vluchten en de situatie van zijn vader leidden tot het oordeel dat het verhaal niet geloofwaardig is. Ook het overgelegde document over de hechtenis van zijn vader werd niet als betrouwbaar beoordeeld.
Verder werd geoordeeld dat de humanitaire situatie in Afghanistan weliswaar slecht is, maar niet leidt tot een situatie die asielrechtelijk relevant is onder artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn. Ook is onvoldoende onderbouwd dat eiser bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade loopt. Het beroep is daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.