ECLI:NL:RBDHA:2026:141

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 januari 2026
Publicatiedatum
7 januari 2026
Zaaknummer
NL25.23387
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vw 2000Art. 31 lid 6 Vw 2000Art. 45 lid 1 Vw 2000Art. 15 KwalificatierichtlijnArt. 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag Afghaanse Tadzjiek wegens ontbreken reëel risico bij terugkeer

Eiser, een Afghaanse Tadzjiek, verzocht om een verblijfsvergunning asiel, stellende dat hij vanwege zijn etnische achtergrond, langdurig verblijf in Europa en persoonlijke omstandigheden een verhoogd risico loopt bij terugkeer naar Afghanistan. De minister wees de aanvraag af wegens gebrek aan geloofwaardigheid en onvoldoende onderbouwing van het risico.

De rechtbank oordeelt dat de minister het toetsingskader ten onrechte deels op geloofwaardigheid baseerde, maar dat dit geen gevolgen heeft omdat de elementen ook in het kader van zwaarwegendheid zijn beoordeeld. De rechtbank stelt vast dat er geen sprake is van een binnenlands gewapend conflict in Afghanistan zoals bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn, mede op basis van het ambtsbericht van juni 2023.

Verder is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat eiser als Tadzjiek of vanwege zijn langdurige verblijf in het Westen een verhoogd risico loopt. De rechtbank benadrukt dat Tadzjieken een grote bevolkingsgroep vormen en niet collectief worden vervolgd. Ook het feit dat eiser een hulpbehoevende, alleenstaande man is, leidt niet tot een verhoogd risico. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.23387

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. D. van Elp),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. L.J.M. Rog).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij risico loopt bij terugkeer naar Afghanistan. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in dit geding. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eiser, geboren op [geboortedatum] 1958 en van Afghaanse nationaliteit, heeft eerder
asielaanvragen ingediend in Nederland, namelijk op 4 november 2011, op
26 september 2014, op 21 januari 2015 en op 19 februari 2015. Al deze aanvragen zijn door
de minister afgewezen en deze afwijzingen staan ook in rechte vast. Eiser heeft op 29 november 2022 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Het door eiser ingediende beroep tegen de afwijzing van deze asielaanvraag is door deze rechtbank, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch gegrond verklaard op 11 juli 2024. [1] De minister heeft met het bestreden besluit van 20 mei 2025 opnieuw beslist op deze aanvraag en de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 10 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser kan niet terugkeren naar Afghanistan omdat de situatie aldaar is verslechterd sinds de Taliban aan de macht zijn. Hierbij is het van belang dat eiser behoort tot de Tadzjieken, waardoor hij bij terugkeer naar Afghanistan een verhoogd risico loopt. Ook wordt eiser door de Taliban als afvallige beschouwd vanwege zijn langdurige verblijf in Europa. Dit weegt zwaarder omdat eiser een hulpbehoevende, alleenstaande man is.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
1. de verslechterde situatie nu de Taliban aan de macht zijn;
2. de Taliban hebben geen genade voor de bevolkingsgroep van eiser;
3. eiser is een hulpbehoevende alleenstaande man;
4. de Taliban zien eiser als afvallige vanwege zijn langdurige verblijf in Europa.
4.1.
De minister heeft de relevante elementen 1, 2, en 4 ongeloofwaardig geacht. Hierbij overweegt de minister dat eiser zijn verklaringen niet heeft onderbouwd met objectieve elementen die zijn asielmotief volledig onderbouwen en dat eisers verklaringen hierover ook niet samenhangend en aannemelijk zijn bevonden en in strijd zijn met beschikbare algemene en specifieke informatie. [2] Om die reden beoordeelt de minister deze relevante elementen niet verder. Ten aanzien van het derde relevante element stelt de minister zich op het standpunt dat dit niet te herleiden is tot één van de gronden van het Vluchtelingenverdrag. Dat eiser uit Afghanistan komt is op zichzelf niet genoeg om een reëel risico op ernstige schade aan te nemen. In het bestreden besluit is de minister nader ingegaan op de veiligheidssituatie in Afghanistan, de positie van Tadzjieken en eisers verblijf in Europa.
Heeft de minister het juiste toetsingskader gehanteerd?
5. Zoals op de zitting besproken heeft de minister het verkeerde toetsingskader gehanteerd. De vraag of sprake is van een verslechterde situatie in Afghanistan, of Tadzjieken worden vervolgd door de Taliban en of Afghanen die na een langdurig verblijf in het Westen terugkeren als afvallig worden gezien, heeft de minister ten onrechte in het kader van de geloofwaardigheid van het asielrelaas beoordeeld. Dat zijn aspecten die in het kader van de zwaarwegendheid moeten worden behandeld. Dit heeft de minister op zitting erkend. Hij heeft er echter ook op gewezen dat in de bestreden beschikking wel op deze aspecten is ingegaan, op dezelfde wijze als zou zijn gebeurd bij een zwaarwegendheidsbeoordeling. Eiser heeft op de zitting desgevraagd verklaard dat hij deze overwegingen ook in het kader van de zwaarwegendheid heeft gelezen. Eiser had op dit punt ook geen gronden aangevoerd. Nu partijen het erover eens zijn dat bedoeld is deze elementen in het kader van de zwaarwegendheid te beoordelen zal de rechtbank dat ook doen en aan het voorgaande geen gevolgen verbinden.
Heeft de minister voldoende gemotiveerd dat in Afghanistan geen sprake is van een situatie in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn?
6. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat geen sprake is van een situatie in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, al dan niet in het in kader van de glijdende schaal. In Afghanistan is nog altijd sprake van een conflict tussen de Taliban enerzijds, en extremistische groeperingen anderzijds. Eiser verwijst hierbij naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, [3] waaruit volgt dat een enkele verwijzing naar het ambtsbericht Afghanistan van maart 2022 niet voldoende is om te stellen dat geen sprake is van een 15c-situatie in Afghanistan. [4]
6.1.
Dit betoog slaagt niet. Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn ziet op de “ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.” De minister stelt zich terecht op het standpunt dat er geen sprake is van een gewapend conflict als bedoeld in dit artikel. Uit het algemeen ambtsbericht Afghanistan van juni 2023 blijkt dat er, sinds de machtsovername door de Taliban, geen grootschalig gewapend conflict meer is in Afghanistan. Hierbij is het van belang dat het aantal burgerdoden sinds september 2022 is afgenomen. De burgerdoden die sindsdien zijn gevallen zijn met name te wijten aan terreuraanslagen. [5] Dit maakt echter niet dat sprake is van een binnenlands gewapend conflict. Het enkele feit dat er groeperingen zijn die geweld gebruiken is onvoldoende om vast te stellen dat sprake is van een binnenlands gewapend conflict. Uit het ambtsbericht volgt weliswaar dat er in Afghanistan sprake is van een humanitaire crisis met een tekort aan voedsel als gevolg, maar dat deze situatie niet opzettelijk is gecreëerd (bijvoorbeeld als oorlogstactiek) door de Taliban of het gevolg is van willekeurig geweld. Volgens het ambtsbericht ligt de oorzaak van de humanitaire crisis in andere omstandigheden zoals het stopzetten van economische hulp, droogte en overstromingen. Nu geen sprake is van een binnenlands gewapend conflict, kan het beroep op artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn niet slagen, ongeacht of het zou gaan om de meest ernstige vorm van willekeurig geweld, of een lagere gradatie op de glijdende schaal.
Loopt eiser bij terugkeer naar Afghanistan een reëel risico op ernstige problemen vanwege zijn persoonlijke omstandigheden?
7. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waaruit blijkt dat hij bij terugkeer naar Afghanistan geen verhoogd risico loopt om het slachtoffer te worden van individueel geweld. Hij wijst erop dat hij om meerdere redenen een verhoogd risico loopt. Ten eerste heeft de minister het feit dat eiser Tadzjiek is onvoldoende betrokken in de beoordeling. Hierbij verwijst eiser naar een brief van Vluchtelingenwerk, waaruit volgt dat Tadzjieken onderdeel uitmaken van de elite in Afghanistan. Dit vloeit voort uit het feit dat Tadzjieken vaak rijker zijn en beter zijn opgeleid dan andere groepen, waardoor ze doorgaans politieke invloed hadden in Afghanistan. Tadzjieken kregen in de nasleep van de machtsovername van de Taliban het meest te maken met schendingen, zo blijkt uit de brief van Vluchtelingenwerk. Daarnaast voert eiser aan dat hij, vanwege zijn lange verblijf in het Westen, zodanig is verwesterd dat hij bij terugkeer naar Afghanistan een verhoogd risico loopt. Hierbij is het van belang dat eiser, mede door zijn lange verblijf in het Westen en zijn daar opgedane levensstijl, beschouwd zal worden als afvallige. Eiser betoogt dat in zijn geval sprake is van bepaalde risicoverhogende factoren die door de Afdeling worden genoemd in de uitspraak van 20 november 2024, [6] met name de lengte van het verblijf van eiser in het Westen. Eiser verblijft al veertien jaar in het Westen. De zoon van eiser is geen moslim meer en dat vormt des te meer een risico voor eiser. Ook keert eiser terug zonder zijn zoon, die een verblijfsvergunning in Nederland heeft gekregen, wat extra opvalt. In dit kader is het relevant dat eiser te kennen heeft gegeven dat hij niet zal kunnen leven volgens de regels die de Taliban hebben opgesteld. Eiser merkt daarbij ook op dat de uitspraak van de Afdeling ziet op de risico’s bij vrijwillige terugkeer naar Afghanistan, maar eiser is niet bereid om vrijwillig terug te keren. Het risico voor eiser is hoger, omdat eiser een hulpbehoevende, alleenstaande man is. Om bovengenoemde redenen loopt eiser een verhoogd risico om bij terugkeer naar Afghanistan onderworpen te worden aan een situatie die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM.
Ten aanzien van het betoog van eiser dat hij risico loopt omdat hij Tadzjiek is
7.1.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat de Tadzjiekse afkomst van eiser niet maakt dat hij bij terugkeer naar Afghanistan een verhoogd risico loopt. Hierbij is het van belang dat 27% van de bevolking in Afghanistan Tadzjiek is en uit het ambtsbericht niet blijkt dat Tadzjieken een verhoogd risico lopen. [7] Het enkele betoog van eiser dat Tadzjieken tot de elite behoren maakt dit niet anders. De elite die na de machtsovername door de Taliban zijn gestraft, zijn de belangrijke Tadzjieken uit het vorige regime. Niet is gebleken dat bevolkingsgroep in zijn geheel in de negatieve aandacht staat van de Taliban. Daarbij merkt de rechtbank op dat eiser, anders dan de vreemdeling in de procedure waarop de uitspraak van de zittingsplaats Zwolle zag, soenniet is en dus niet behoort tot een religieuze minderheid. Reeds daarom gaat het beroep op die uitspraak mank.
Loopt eiser risico vanwege zijn langdurige verblijf in het Westen?
7.2.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich ook terecht op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Afghanistan risico loopt vanwege zijn langdurige verblijf in het Westen. Uit de aangehaalde uitspraak van de Afdeling volgt dat Afghanen in beginsel zonder reëel risico op een situatie zoals bedoeld in artikel 3 van Pro het EVRM vanuit Europa kunnen vertrekken naar Afghanistan. De omstandigheid dat eiser al 14 jaar illegaal in Nederland verblijft maakt niet dat hij een dergelijk risico wel zal lopen. De rechtbank stelt daarbij voorop dat het uitgangspunt is dat eiser zelfstandig en vrijwillig naar Afghanistan vertrekt bij afwijzing van zijn aanvraag. [8] Dat eiser geen gevolg wil geven aan zijn verplichting tot vertrek doet daar niet aan af. Daarin kan geen grond worden gevonden voor verlening van een verblijfsvergunning asiel. Dat eiser op dit moment niet gedwongen zal worden uitgezet naar Afghanistan omdat de Nederlandse staat geen banden onderhoudt met de Taliban, maakt dat niet anders. [9]
Ten aanzien van het betoog van eiser dat hij risico loopt omdat hij een alleenstaande hulpbehoevende man is
7.3.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat het enkele feit dat hij een alleenstaande, hulpbehoevende man is, wel maakt dat hij risico loopt bij terugkeer naar Afghanistan. Eiser is in 2011 gevlucht uit Afghanistan. Eiser heeft daarvoor dus al lange tijd in Afghanistan gewoond. Niet is gebleken dat eiser zich niet kan voegen in de samenleving in Afghanistan of dat eiser geen sociaal netwerk meer heeft. Uit de verklaringen van eiser kan niet worden afgeleid dat van hem niet kan worden verwacht dat hij zich bij terugkeer naar Afghanistan gedraagt op een voor de Taliban acceptabele manier. Eiser heeft voldoende gelegenheid gehad om dat in het gehoor bij zijn opvolgende aanvraag toe te lichten. Tot slot heeft eiser op de zitting nog verwezen naar problemen met een belangrijke meneer van de Taliban, wat voor eiser reden was om te vluchten. Zoals eerder in rechte vast is komen te staan hoefde de minister deze verklaringen van eiser niet te geloven en is dit geen aanleiding geweest om aan eiser een verblijfsvergunning te verstrekken.
7.4.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de door eiser aangevoerde omstandigheden voldoende in onderlinge samenhang beoordeeld. De door eiser aangevoerde omstandigheden vormen geen reden om aan te nemen dat eiser bij terugkeer naar Afghanistan een risico loopt op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

8. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E. Brokke, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Rb Den Haag, zp Den Bosch 11 juli 2024, ECLI:NL:RBOBR:2024:3266 (niet gepubliceerd).
2.Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000.
3.Rb Den Haag, zp Zwolle 24 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2024:4506.
4.Algemeen Ambtsbericht Afghanistan, juni 2023.
5.Algemeen Ambtsbericht Afghanistan, juni 2023, p. 32.
7.Algemeen Ambtsbericht Afghanistan 2020, p. 86.
8.Dit volgt ook uit artikel 45, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000
9.Vergelijk ABRvS 29 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:313.