Uitspraak
RECHTBANK Den Haag
1.[eiser 1] ,
2.
[eiser 2],
3.
[eiser 3],
1.GEMEENTE DEN HAAG,
2.
STICHTING MUSEUM BREDIUS,
3.
STICHTING STEUNFONDS MUSEUM BREDIUS,
1.Waar gaat deze zaak over?
2.De procedure
3.De feiten
governancebinnen het museum resulteren in een grove schending van de last. De Gemeente heeft zijn brieven beantwoord, laatstelijk op 19 maart 2024. Hierbij heeft de Gemeente medegedeeld dat het hof de stellingen van [eiser 1] heeft afgewezen en dat er na het arrest van het hof geen kunstwerken meer zijn uitgeleend. Tevens heeft de Gemeente het voornemen geuit om op grond van art. 4:134 BW Pro de rechter te verzoeken om wijziging respectievelijk verduidelijking van de last om te bewerkstelligen dat beperkte uitleen mogelijk is. Dit zou meer mogelijkheden kunnen bieden voor programmering en daarmee voor verdere impulsen voor meer naamsbekendheid van het museum.
handgeschreven lijst van 11 bladzijden, geïnventariseerd (de inventarislijst 3e kwartaal 1946). De objecten zijn vervolgens in de tweede helft van 1946 door de Dienst Schone Kunsten (de voorloper van het huidige Kunstmuseum) ingeschreven in de stamboeken van de gemeentelijke collectie en voorzien van een inventarisnummer. De objecten werden onderverdeeld in de categorieën schilderijen, tekeningen, edelmetalen (zilver en goud), keramiek (porselein en aardewerk) en glas (kristal). Door de eerste inschrijving met een inventarisnummer kregen edelmetaal, keramiek en glas een officiële registratie en zijn ze als behorend tot het legaat opgenomen in de gemeentelijke collectie. De schilderijen en tekeningen waren al eerder geïnventariseerd.
deze registratiegelaten, omdat deze werden gerekend tot de inventaris, ‘gebruiksgoed’ of aankleding van het museum of omdat zij deel uitmaakten van het pand aan de Prinsegracht. Dat geldt voor diverse meubelen, vitrines, tapijten, kroonluchters en andere voorwerpen zoals bijvoorbeeld de overgordijnen, kleedjes, kachel, kist (motten), schilderijbokken en vloermatten.
’10. 6 groene sierkussens (op de raambanken)’, onder het kopje ‘
de HAL’, ‘4. 1 paraplubak (voor 24 personen)’en onder het
kopje ‘Op de zolder’ ‘1. 2 koperen kanonnen.’
‘Van de in het Museum Bredius aanwezige meubelen is er geen van byzonder museaal belang. Een deel is “neo”, een ander deel is (te) sterk gerestaureerd of verbouwd. Van wat overblijft aan wél originele meubelen is eigenlijk maar een klein gedeelte van een dergelijke gehalte, dat het, althans “ter aankleding” voor expositie in aanmerking komt.’
21 schilderijen in een professionele, geklimatiseerde depotruimte bewaard. Daarnaast bevindt zich in het souterrain van het pand aan de Lange Vijverberg een semi-open ruimte waar plek is voor werken die op aanvraag voor het publiek toegankelijk zijn.
22 maart 2020 heeft bijvoorbeeld in het museum de tentoonstelling ‘In de ban van de zee, De Gouden Eeuw van de Nederlandse marineschilderkunst’ plaatsgevonden. Hierbij is de, uit 67 schilderijen bestaande, [naam 5] Collectie tentoongesteld (hierna: de [naam 5] tentoonstelling) en één schilderij uit de Brediuscollectie. Op de begane grond, in het trappenhuis en op de eerste etage van het museum zijn deze werken toen getoond. In het souterrain is nog een aantal werken van de Brediuscollectie getoond. Het museum neemt vanaf 2018 deel aan het terugkerende evenement ‘Masterly the Hague’. Hiervoor moeten kunstwerken uit de vaste collectie in elk geval tijdelijk worden verplaatst.
4.Het geschil
primair
subsidiair
governanceen bedrijfsvoering.
5.De beoordeling
onder A, een erfrechtelijke verhouding) van toepassing zijn, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe op grond van het bepaalde in art. 3 sub a Rv Pro., aangezien [eisers] in Nederland woonachtig zijn. [eiser 1] had deze kwestie in principe bij verzoekschrift aan de rechtbank moeten voorleggen, vgl. hierna r.o. 5.38.
onder B, C, E, Fgeldt dat deze zozeer met de vordering tot vervallenverklaring samenhangen dat ook daaromtrent de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft. Voor wat betreft de vordering
onder D, een vordering tot schadevergoeding, geldt dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft op grond van het bepaalde in art. 4 lid 1 EEX Pro-Vo II. Immers, de Gemeente c.s. zijn in Nederland gevestigd.
onder B, C, E, Fwordt dus huidig geldend Nederlands recht toegepast. Voor toepassing van oud BW is (ook al gaat het om een testament uit 1944) geen plaats. Uit de aard der zaak kan een op dit moment niet geldende Nederlandse regeling geen
voorrang claimenboven toepasselijk [land] recht.
onder E) juist voor recht te verklaren dat aan de beslissingen in de [naam procedure] over de uitleg van de last geen gezag van gewijsde toekomt voor partijen in de onderhavige procedure
onder Egevorderde wordt dus afgewezen.
‘ils devront rester exposés exclusivement dans ledit Musée’ geen absolute tentoonstellingsplicht en ook geen depotverbod inhoudt. Dat wil dus zeggen dat niet ieder voorwerp steeds tentoongesteld behoeft te worden en dat kunstvoorwerpen ook opgeslagen kunnen worden in een depot. Ook zijn op gezette tijden tentoonstellingen met ten dele extern werk toegestaan.
governanceen bedrijfsvoering kent. Hij heeft in dat verband verwezen naar de Governance Code Cultuur 2019 en de ICOM Code of Ethics for Museums. De Gemeente heeft dit gemotiveerd betwist. Hieromtrent geldt dat gebrekkige
governanceen bedrijfsvoering, zo al aanwezig, niet
zelfstandigeen schending van de last kunnen opleveren; hooguit kan dit in de hand werken dat schending van de last plaatsvindt. In dezelfde lijn heeft het hof al in de [naam procedure] overwogen dat de vraag aan welke norm van administratie de Gemeente is gebonden niet relevant is voor de beoordeling van de voorliggende vorderingen (r.o. 49-50 van het arrest van het hof). Daaronder viel ook de gevorderde verklaring voor recht dat de Gemeente de last steeds had geschonden en nog steeds schond. Aan deze gestelde schending gaat de rechtbank dus voorbij.
onder A en C)worden daarom afgewezen. Gelet op deze oordelen komt de rechtbank niet toe aan het verweer van de Gemeente dat [eiser 1] niet in zijn vordering tot afgifte kan worden ontvangen omdat sprake is van een ondeelbare rechtsverhouding met (de rechtsopvolger(s)) van [naam 4] .
onder F) moet, nu geen schending van de last is geconstateerd en gegeven de omstandigheid dat [eiser 1] niet de wettelijke mogelijkheid heeft om nakoming van de last te vorderen, als ongegrond worden afgewezen.
onder D) wordt eveneens afgewezen. Nu de Gemeente eigenaar is (en blijft) van de Brediuscollectie valt immers niet in te zien welke schade [eiser 1] heeft geleden doordat een aantal tot het legaat behorende voorwerpen verloren is gegaan dan wel vermist is geraakt.
onder Bom de Gemeente te veroordelen schriftelijk en volledig opgave te doen van alle kunstvoorwerpen, inclusief beschrijvingen, alle locaties vanaf het openvallen van het testament tot en met heden, en alle relevante documentatie met betrekking tot het legaat, op straffe van verbeurte van een dwangsom. De Gemeente voert hiertegen gemotiveerd verweer.
onder Bwordt daarom afgewezen.
fishing expedition. [eiser 1] heeft bovendien bij de gevorderde stukken geen rechtmatig belang, omdat hij zijn vordering heeft gebaseerd op door het hof al onjuist bevonden uitgangspunten omtrent de betekenis en de uitleg van de testamentaire last (zoals de gestelde absolute tentoonstellingsplicht, het gestelde verplaatsingsverbod en het gestelde depotverbod).