Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.In hoger beroep kan van het volgende worden uitgegaan:
De Gemeente [...] is verplicht de in bruikleen gegeven voorwerpen als één collectie ter publieke bezichtiging ten toon te stellen op de eerste etage en de galerij van het vroegere woonhuis van [Bredius] aan de Prinsegracht nummer 6 te 's-Gravenhage en deze als verzameling-Bredius tijdens den duur van het bruikleen in stand te houden.”
Dr A. Bredius, die sedert jaren onze stadsgenoot is, heeft het besluit genomen zich in het buitenland te vestigen. Hij wil echter ’s-Gravenhage niet berooven van het genot zijner kostbare en terecht bewonderde kunstverzameling, welke zich gedeeltelijk in bruikleen in het Mauritshuis, gedeeltelijk in zijn woning Prinsegracht 6 bevindt. Ofschoon besloten om mettertijd den band tusschen deze verzameling en onze stad duurzaam te maken, meent hij thans eene regeling te moeten treffen, welke, zoo zij al een minder definitief karakter draagt, toch practisch op hetzelfde neerkomt. Hij wil namelijk het kunstbezit, dat thans in zijn woonhuis gevonden wordt, als verzameling-Bredius aan de Gemeente in bruikleen afstaan, met de bedoeling, dat deze verzameling althans voorlopig in het door hem tot nu toe bewoonde perceel tentoongesteld, voor het publiek toegankelijk zal zijn.”
Bij zijn vertrek uit het Vaderland heeft Dr. Abraham Bredius met groote vrijgevigheid aan onze stad [...] de rijke kunstverzameling, welke zich in zijne woning bevond in bruikleen afgestaan, terwijl hij een der belangrijkste werken, Jan Steen's “Satyr bij den boer” daarbij aan de Gemeente heeft geschonken, toezeggende, dat de geheele verzameling later aan de stad in eigendom zal overgaan."
Dr. Bredius heeft sedert 1922 aan de verzameling verschillende stukken toegevoegd, welke hij deels zelf heeft verworven, deels van particulieren voor dit doel ten geschenke heeft ontvangen. Al deze toevoegingen [...] zijn onderworpen aan denzelfden bepalingen als het oorspronkelijke bruikleen.”
Je casse, révoque et déclare pour non valable tous les testaments ou dispositions testamentaires que j'ai pu faire avant ce jour:
Je lègue à la ville de La Haye (Pays Bas), tous les tableaux et tous les objets d’art qui sont exposés au Musée Brédiusuis, au Prinsegracht, à la Haye ils devront rester exposés exclusivement dans ledit Musée."
Je lègue à Messieurs [1] et [2] les procelaines de Chine se trouvant dans les armoires du mur dans mon ancienne chambre à coucher, et l'argenterie se trouvant dans une armoire en bois de satin, sise dans cette même chambre de mon ancienne maison à La Haye, et une vitrine avec des bijoux se trouvant dans le grand coffre-fort de ladite maison.”
(…) Na afloop der plechtigheid heb ik mij met den Heer [appellant] op diens verzoek naar notaris [de notaris 1] begeven, voor wien Dr. Bredius zijn laatste testament heeft verleden. (…) Bij dit testament vermaakt Dr. Bredius:
Hierbij doe ik U toekomen afschriften van een brief van den Nederlandschen consul te Monte Carlo met een bijlage, waaruit U zal blijken, dat wijlen Dr. A. Bredius aan de Gemeente 's-Gravenhage vermaakt heeft alle schilderijen en alle kunstvoorwerpen die in het Bredius-Museum tentoongesteld zijn onder het beding, dat zij uitsluitend in die instelling geexposeerd zullen blijven [...]”.
Weliswaar moeten wij de bepaling betreuren, in het laatste testament in tegenstelling met vroegere regelingen opgenomen, dat de geheele verzameling in het tegenwoordige pand moet blijven opgesteld; […]”
de beide bij hem in eigendom toebehorende kasten met porcelein” die in het Brediushuis aanwezig zijn, daar mocht laten staan. De Gemeente heeft bedoelde schenking bij brief van 9 juli 1946 aan [de notaris 2] aanvaard en de bereidheid uitgesproken de beide kasten met porselein tot wederopzegging in bruikleen te houden [13] .
Naar aanleiding van uw schrijven dd 9 juli j.l. [...] maakte de heer [appellant] mij erop attent, dat hijdriekasten met porcelein in bruikleen heeft aangeboden en dat hij behalve de traplooper aan Uwe Gemeente heeft geschonken het portret van Dr.A.Bredius, geschilderd door Anton van Wely ter plaatsing in het Museum Bredius.
Gaarne bevestigen wij Uw schrijven d.d. 15 augustus l.l., gericht aan de Gemeente [...] waarin genoteerd, dat de Heer [appellant] aangeeft, dat hij drie kasten met porcelein in bruikleen heeft aangeboden aan de Gemeente en dat hij behalve de traplooper aan de Gemeente heeft geschonken het portret van Dr. A. Bredius, geschilderd door Anton van Wely.
Beknopte catalogus van de schilderijen, teekeningen, porcelein etc. van Museum Bredius” [17] . Deze catalogus (hierna: de catalogus uit het derde kwartaal van 1946) bevat een (genummerd) overzicht van 232 schilderijen en tekeningen. Achter 25 schilderijen is de aanduiding “
Depôt” vermeld. Verder worden in deze catalogus vermeld de ongenummerde schilderijen: “Portret Dr. A. Bredius” van A. van Wely, “Driehoek schilderij” van S. van Hoogstraten, “Lachende man” - Spaanse School, “Verkondiging” van Adr. v.d. Velde en “Weide met koeien” van J.B. Kobell. Achter de drie laatstgenoemde schilderijen is eveneens de aanduiding “
Depôt” vermeld. Voorts bevat deze catalogus nog lijsten met porselein, zilver en kristal. Ten slotte is in deze catalogus opgenomen onder de kop “
EIGENDOM den Heer [appellant]" een omschrijving van de inhoud van drie kasten gevuld met porselein.
met groote erkentelijkheid en hooge waardeering jegens de nagedachtenis van den erflater, den heer Dr. A. Bredius, laatstelijk woonachtig te Monaco, ten behoeve van het gemeentelijk kunstbezit te aanvaarden het aan de Gemeente gemaakte legaat, bestaande uit de thans in het museum-Bredius, Prinsegracht 6, alhier, aanwezige verzameling schilderijen, teekeningen, oude meubelen, porselein, glaswerk en zilver, met inachtneming van de voorwaarde, dat deze kunstvoorwerpen in het genoemde museum opgesteld zullen blijven.”
[...] Bij de opening van zijn testament is gebleken, dat Dr. Bredius aan deze gemeente heeft nagelaten zijn gezamenlijke schilderijen en kunstvoorwerpen, welke zich in het museum-Bredius bevinden, onder de voorwaarde, dat zij daarin ook steeds opgesteld zullen blijven. Zoodoende zal de Gemeente een ideëel en materieel kostbare verzameling de hare kunnen noemen, welke bestaat uit schilderijen, teekeningen, oude meubelen, porselein, glaswerk en zilver. Daaronder zijn werken van hooge aesthetische waarde, waarvan in het bijzonder moeten worden genoemd: twee schilderijen van Rembrandt, waaronder de aangrijpende Christuskop en eenige van zijn zeer belangrijke teekeningen: eenige fraaie werken van Jan Steen, een der in Nederland zeldzame landschappen van Albert Cuyp, van diep-poëtische stemming; een treffend portret van een oude vrouw door Thomas de Keyser, een familiegroep (portretten) door Adriaan van Ostade, een landschap van Hercules Seghers, een interieur met figuren van Willem Buytewegh, een zeer fraai wintergezicht van Aert van der Neer, een der zeldzame en fraaie landschappen van den ouden Pieter Bruegel. Daarnaast bevat de collectie van 232 schilderijen en teekeningen tal van werken, die uit kunst-historisch oogpunt interessant zijn, terwijl eveneens een hooge waarde moet worden toegekend aan de tallooze kunstvoorwerpen, die in dit huis zijn opgesteld, zoowel oude meubels als vitrine-objecten, die de sfeer van het rijke en gedistingeerde Nederlandsche patriciërsinterieur typisch tot uiting doen komen.
de Gedeputeerde Staten der Provincie Zuidholland bij besluit van 21 Januari j.l. hun goedkeuring hebben gehecht aan het raadsbesluit van 16 december 1946 [...]” [20] .
VERZAMELING [appellant]”.
Ik dank u voor de toezending van het bruikleenbewijs, èn voor de moeite, die U zich daarvoor gaf. Het geteekende duplicaat gaat hierbij. Mag ik nu ook nog een bewijs ontvangen voor het gobelin, dat op het trapportaal hangt en de meubelen enz., die U mij toestond op zolder te bergen [...]”
Bruikleenacte no. 20” ondertekend [24] , waarin niet alleen een beschrijving van de inhoud van drie kasten (genummerd I, II en II) met porselein is opgenomen, maar ook een omschrijving van 257 stuks porselein die zich bevonden “
in kast Studeerkamer”, alsmede de tekening “Bedelaar” van W.A. van Konijnenburg die zich volgens de akte op dat moment in het Haags Gemeentemuseum bevond.
[…] genoemde schilderijen maken deel uit van het Museum depôt”. Op deze handgeschreven lijst staat ook het portret van Bredius van A. van Wely. Voorts schrijft zij in de handgeschreven bijlage bij deze brief over de schilderijen “Zelfportret” van S. van Hoogstraten, “Landschap” van A. van de Velde, “Schildersatelier" van H. Pot (alle “
Tentoongesteld in ’t Museum”), alsmede “Lachende man” (Spaanse school), “Hond ” van A. Cuyp en “Figuren in maanlandschap ” van N. Knupfer (alle “
Aanwezig op kamer 7”): “
Op deze schilderijen staat vermeld als niet behoorende bij de gelegateerde collectie aan de stad” [25] .
“ten opzichte van het centrum van de stad gunstiger gelegen is dan dat aan de Prinsegracht, zodat dit museum meer dan tot nu toe onder de aandacht van het publiek zou worden gebracht” [27] .
Bruikleen [appellant] , Blauw Chinees porselein” [28] . De omschrijvingen stemmen overeen met de omschrijvingen in de bruikleenakte van september 1947 zoals die zijn opgenomen onder “
Kast III”.
Nog steeds moet ik voldoen aan het verzoek van de heer [appellant] te Monaco om het blauw Chinees porselein, dat bij het Museum Bredius van genoemde heer [appellant] in bewaring is, aan U af te geven. De porseleinkast hebt U reeds ontvangen. Het heeft lang geduurd voor wij gevolg konden geven aan het verzoek van Uw neef om het porselein aan U te doen toekomen, omdat wij met personeelsgebrek te kampen hebben en omdat er moeilijkheden ontstonden, toen men n.a.v. de in 1947 gemaakte inventarislijsten de stukken ging identificeren.
In aansluiting op mijn schrijven d.d. 12 november 1965 [...] inzake Uw bruikleen in Museum Bredius en tevens naar aanleiding van Uw schriftelijke opmerkingen gesteld op de lijst behorende bij de eerste aanvulling op de bruikleenacte nr. 20 d.d. 8 november 1965, doe ik U hierbij een tweede aanvullende bruikleenacte toekomen, waarin als bruikleen niet alleen is opgenomen de gobelin en het tafeltje met doorgesneden vaas, maar ook de voorwerpen, die U met Uw opmerking hebt bedoeld, t.w. Chinees porselein, Loosdrechts porselein, Familie rose, Chine de Commande, Italiaans porselein en Frans porselein. Hoewel wij in onze administratie geen aantekening hadden, dat deze zaken niet hebben behoord tot het legaat van wijlen dr. Bredius, heb ik, gezien Uw positieve mededeling, nu toch deze zaken als Uw bruikleen beschouwd. Ik zal de op de lijst voorkomende zaken overeenkomstig Uw wens weer goed in kisten doen verpakken en dan Uw instructies afwachten hoe verder hiermede gehandeld moet worden. Ik zou het op prijs stellen, wanneer U bijgaande twee exemplaren van de aanvulling op de bruikleenacte wilde ondertekenen [...]”
In aansluiting op het telefoongesprek doen wij u bijgaand de bruikleenacte toekomen van de heer [C] van 27 maart 1922, waarvan ik een fotocopie heb doen vervaardigen. Inderdaad blijkt uit de bruikleenacte, dat de twee vogels u toebehoren en wij zullen het nodige doen, dat deze aan uw bruikleenacte zullen worden toegevoegd. Wij hopen nu, dat alles zodanig is geregistreerd, dat zich in de toekomst geen moeilijkheden meer zullen voordoen.”
Voor de goede orde bevestigen wij nog even de mondelinge mededeling, dat wij bereid zijn om de werken, die op het ogenblik zijn opgeslagen in het Museum “De Lakenhal”, tijdelijk in bewaring te nemen in Museum Bredius. Wij delen u echter wel uitdrukkelijk mede, dat wij voor de bewaarneming geen aansprakelijkheid kunnen aanvaarden.”
alle mijne bezittingen, die zich in het Museum Bredius en in het Gemeente Museum te Den Haag bevinden en alle mijn bezittingen, die zich in mijn huis te [plaats 1] [...] bevinden en alle mijne roerende lichamelijke zaken, die zich heden en in de toekomst onder berusting van Dr. [Y sr.] bevinden” [37] . Bij brief van 10 augustus 1976 heeft [X] deze schenking aan de directeur van het museum Bredius en het Haags Gemeentemuseum medegedeeld.
[Y sr.]”) staat en waarin voorts is opgenomen:
Meegegeven 17.2.84 aan Hr [appellant] Portefeuille met tekeningen, 18 schilderijen, 9 lege lijsten, 29-12- '84 6 schilderijen, 2-2-85 restant schilderijen + 2 stoelen”.
bedoelde collectie voor Dr. [appellant] als eigenaar [heeft] gehouden” [42] .
de destijds aan de gemeente vermaakte verzameling Bredius” vanwege strijd met de aan het legaat aan de Gemeente verbonden last. Omstreeks april 1988 is een concept-dagvaarding met dezelfde strekking gevolgd.
Zelfportret met tulband(nr. 42 van de catalogus 1926/1945),
Landschap(nr. 221 van de catalogus 1926/1945),
Schildersatelier(nr.107 van de catalogus 1926/1945),
Lachende man,
Hond(nr.173 van de catalogus 1926/1945), en
Figuren in maanlandschap(nr.190 van de catalogus 1926/1945),
171 Coupe", zijnde een kunstvoorwerp uit de (eigen) collectie van [X] (subsidiair: dat niet tentoongesteld was), dat eigendom is van [X] en diens rechtsopvolgers, althans al hetgeen dat krachtens zaaksvervanging in de plaats is getreden van dit kunstvoorwerp, met inbegrip van het rendement daaruit, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag dat de Gemeente hieraan geen medewerking verleent;
legaatin het laatste testament van Bredius.
de eigen collectievan [X] .
qui sont exposé’ kunnen volgens [appellant] niets anders betekenen dan dat het legaat alleen omvat de op de datum van het overlijden van Bredius in het Brediushuis ‘tentoongestelde’, dus voor het publiek toegankelijke werken, en het staat de rechter niet vrij om dit legaat anders te interpreteren. Kunstvoorwerpen die op de datum van overlijden van Bredius wel aanwezig waren in het Brediushuis, maar niet waren tentoongesteld, zijn dus niet aan de Gemeente gelegateerd. Volgens de Gemeente laten de bewoordingen ‘
qui sont exposés’ echter voldoende ruimte voor onzekerheid en dient het legaat te worden uitgelegd. De Gemeente stelt zich op het standpunt dat het legaat de hele museale collectie van het Brediushuis omvat, waaronder ook de ten tijde van het overlijden in depot gestelde werken vallen.
Je lègue à la ville La Haye (Pays Bas) tous les tableaux et tous les objects d’art qui sont exposés au Musée Brediusuis, au Prinsegracht, à La Haye ils devront rester exposés exclusivement dans ledit Musée’. Van belang bij de lezing van het legaat is de omstandigheid dat het Brediushuis als ‘huismuseum’ dient te worden gekwalificeerd: in het Brediushuis werd – ook na het vertrek van Bredius naar Monaco en na zijn overlijden door personeel – gewoond. Niet alle ruimtes in het Brediushuis waren zodoende voor het publiek toegankelijk. Dat zich ook in het woongedeelte kunstvoorwerpen bevonden, blijkt onder meer uit een stelling van [appellant] [53] waarbij hij verwijst naar een polis op naam van Bredius die ‘
een stel of vijf stuks AR (August Rex) (…) enige meubelen en schilderyen’ betreft ‘
alles aanwezig op de bovenverdieping van het herenhuis aan de Prinsengracht no. 6 te ’s-Gravenhage [54] ’. De vraag rijst dan ook of met de zinsnede ‘
tous les tableaux et tous les objects d’art qui sont exposés au Musée Brediusuis’is bedoeld de schilderijen en kunstvoorwerpen (hierna tezamen: de kunstvoorwerpen) uit het museumgedeelte, ter onderscheiding van de kunstvoorwerpen in het huisgedeelte, of de kunstvoorwerpen uit het museumgedeelte die ook nog eens zijn tentoongesteld, ter onderscheiding van de voorwerpen uit het museumgedeelte die niet zijn tentoongesteld. De voorwerpen die zijn tentoongesteld (‘qui sont exposés’) bevinden zich zonder meer in het museumgedeelte (‘au Musée Bredius’), maar bij eerste lezing niet duidelijk of in de gebruikte formulering sprake is van een ‘dubbeling’ zonder verdere betekenis, of dat dit toch anders is bedoeld. Zoals gezegd, de bewoordingen ‘qui sont exposés au Musée Bredius’ kunnen ook gebruikt zijn om een onderscheid te maken tussen de voorwerpen die zich in het woongedeelte bevonden en die tot het museumgedeelte behoorden en niet zozeer, zoals door [appellant] wordt betoogd, als onderscheid tussen de kunstvoorwerpen die op het moment van overlijden daadwerkelijk getoond en niet getoond werden aan het publiek.
les objects d’art qui sont exposés au Musée Brediusuis’als een globale aanduiding worden gezien waarvan de betekenis nog nader moest worden vastgesteld. Gelet op de lage drempel die in het Monegaskisch recht is neergelegd voor het aannemen van onduidelijkheid van een testamentaire bepaling (‘enige mate van onzekerheid’) waarbij zelfs toegekomen kan worden aan uitleg indien de bepaling qua bewoordingen duidelijk lijkt te zijn, maar dubbelzinnig kan blijken gelet op de context ervan of de omstandigheden van het geval, komt het hof toe aan de uitleg van de bewoordingen van het legaat in het testament.
de in bruikleen gegeven voorwerpen als één collectie ter publieke bezichtiging ten toon te stellen op de eerste etage en de galerij van het vroegere woonhuis’ (randnummer 1.5). Op 6 juli 1924 verschijnt in de Telegraaf een artikel waarin staat vermeld ‘
De liefste wensch van dr. Bredius, dat zijn collectie eenmaal in een daarvoor bestemd gebouw voorgoed bij elkander zal blijven, is dus thans vervuld’. Bredius schrijft in een brief van 2 juni 1925 onder meer ‘
Ik vind het aardig als alles bij één blijft.’
Bij zijn vertrek uit ’s-Gravenhage heeft Dr. A. Bredius de kunstverzameling, welke zich in zijn woning bevond, aan de Gemeente in bruikleen gegeven en bij testament vermaakt’. Ook is in de Gemeenteverslagen van 1922 opgemerkt dat ‘
in de toekomst het bruikleen in een legaat zal overgaan’. Uit die laatste zinsnede kan worden afgeleid dat het de bedoeling was om niet een gedeelte, maar de gehele kunstcollectie die in bruikleen was, te legateren aan de Gemeente. Deze lezing wordt ondersteund door andere geschriften, zoals Bredius’ eerdere testamenten, maar ook door de Mededeelingen van de Dienst Kunsten en Wetenschappen van september 1922: ‘
Hij heeft namelijk aan de Gemeente in bruikleen afgestaan gedurende zijn leven en bij testament vermaakt, de geheele, rijke kunstverzameling, welke thans in zijn woning Prinsegracht 6 is tentoongesteld’. Ook staat in de catalogi van 1926, 1928 en 1933 vermeld dat ‘
de geheele verzameling later aan de stad in eigendom zal overgaan’(randnummer 1.9). Andere geschriften, waaruit zou blijken dat Bredius slechts een gedeelte van de kunstcollectie in het Brediushuis aan de Gemeente wilde legateren, zoals slechts de niet in depot gestelde kunstvoorwerpen die in het Brediushuis ten toon waren gesteld, zijn niet in het geding gebracht. Ook zijn er geen geschriften overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat Bredius tijdens zijn leven ten aanzien van de omvang van het legaat aan de Gemeente van mening is veranderd.
un petit livre d’esquisses de Van Goyen, se trouvant dans une grande armoire de mon bureau dans la maison Bredius à La Haye’. Indien de uitleg van [appellant] gevolgd zou worden, namelijk dat alleen voor publiek tentoongestelde kunstvoorwerpen onder het legaat vielen, dan zou dit legaat overbodig zijn geweest aangezien dit notitieboekje toch aan [appellant] als enig erfgenaam zou zijn toegevallen. Ook het legaat aan andere familieleden van Bredius van onder meer Chinees porselein dat zich bevond in Bredius’ voormalige slaapkamer in het Brediushuis, sterkt het hof in de gedachte dat Bredius heeft bedoeld om de collectie die museumwaardig was en als zodanig – al dan niet met tussenpozen – aan het publiek is getoond of daartoe bestemd was aan de Gemeente te legateren. Het waren ook die kunstvoorwerpen die door Bredius aan de Gemeente in bruikleen waren gegeven.
zijne gezamenlijke schilderijen en kunstvoorwerpen, welke zich in het Brediushuis bevinden’. [de notaris 2] is namens [X] betrokken geweest bij de afwikkeling van de nalatenschap. Bij brief van 15 augustus 1946 bericht deze notaris aan de Gemeente onder meer: ‘
Bovendien wenscht hij[hof: [X] ]
te constateeren, dat ook de niet ten toon gestelde schilderijen aan Uwe Gemeente zijn afgestaan.’. Het hof begrijpt uit deze passage dat ook de executeur-testamentair [X] en diens notaris het legaat bij de afwikkeling van de nalatenschap van Bredius zo begrepen hebben dat ook de schilderijen die ten tijde van het overlijden van Bredius niet ten toon waren gesteld aan de Gemeente toekwamen en niet aan [X] zelf. [X] moet als geen ander op de hoogte zijn geweest van de bedoelingen van Bredius. De uitleg die [appellant] aan deze passage heeft gegeven, te weten dat het woord ‘afstaan’ betekent dat [X] deze schilderijen in bruikleen aan de Gemeente wilde geven, overtuigt het hof niet. Als er sprake zou zijn geweest van een nieuwe bruikleen, dan zou dit moeten blijken uit de daaropvolgende berichten van de Gemeente. Daarvan is geen sprake. Uit de toelichting bij het raadsbesluit van 16 december 1946 valt onder meer te lezen dat de raad uitgaat van een gelegateerde collectie van ‘
232 schilderijen en teekeningen tal van werken’. Dit aantal komt exact overeen met de beschrijving in de catalogus Knuttel van de totale kunstcollectie die Bredius tijdens zijn leven in bruikleen aan de Gemeente heeft gegeven. Daarnaast ontbreekt een lijst of beschrijving van de voorwerpen waarop deze nieuwe bruikleen door [X] zou zien. Tot slot past de lezing van [appellant] niet bij de rest van de brief van 15 augustus 1946: een paar regels daarvoor is vermeld dat [X] drie kasten porselein in bruikleen heeft
aangeboden. Vermeldenswaardig in dit verband is eveneens de brief van de Gemeente aan [de notaris 2] in 1947 [55] . Daarin schrijft de Gemeente [X] erkentelijk te zijn dat hij in zijn rol van executeur-testamentair ‘
in zoo ruime mate begrip toonde voor de bedoeling van den erflater’. Alles overziende, lijkt de conclusie gerechtvaardigd dat de nalatenschap van Bredius met inachtneming van vorenstaande uitleg van het legaat naar ieders tevredenheid in 1946/1947 is afgewikkeld. Van enig stuk dat dateert van ná het openvallen van de nalatenschap op 13 maart 1946 en vóór 20 maart 2013 – de datum waarop [appellant] voor het eerst aanspraak op de niet tentoongestelde kunstvoorwerpen maakte – waaruit blijkt dat [X] of diens rechtsopvolgers van mening waren dat het legaat te ruim was uitgelegd waardoor zij nog aanspraak konden maken op een gedeelte van de kunstcollectie van Bredius, is niet gebleken. In aansluiting op het vorenstaande, overweegt het hof dat grief 5 faalt nu gesteld noch gebleken is dat de afgifte van het legaat en de daaruit af te leiden betekenis die de destijds betrokkenen (die deels in contact hadden gestaan met Bredius zelf) eensgezind aan het legaat in het verleden hebben gegeven, geen onderdeel mag uitmaken van het onderzoek naar de betekenis van het legaat.
devront rester exposés exclusivement dans ledit Musée’.Het hof zal dienen te beoordelen of het, gelet op deze last, voor de Gemeente verboden is om de onder A, B, C en D weergegeven handelingen te verrichten of toestemming daarvoor te geven (E). Het hof stelt voorop dat niet alleen voor het legaat, maar ook de daaraan verbonden last geldt dat de betekenis daarvan moet worden vastgesteld met inachtneming van het Monegaskisch recht. In zoverre slaagt grief 6A. Dit betekent dat het hiervoor bij rechtsoverweging 9 weergegeven advies van [de professor] ook hier betrekking op heeft.
De vergadering is nu unaniem van mening dat er geen principiële gronden meer bestaan tegen het ter beschikking stellen van bruiklenen voor daartoe in aanmerking komende tentoonstellingen.’. Na het overlijden van zijn vader, was [appellant] vanaf 1 juli 1998 bestuurslid van de stichting tot aan zijn aftreden in 2014. In die hoedanigheid is [appellant] zelf betrokken geweest bij alle besluitvorming over bruikleenaanvragen die het museum Bredius ontving en heeft gehonoreerd. Hij heeft zich nooit verzet tegen uitgaande (of inkomende) bruiklenen. De stelling van [appellant] [58] dat hij en [Y sr.] . feitelijk wel degelijk hebben geklaagd over het niet naleven van de last, kan [appellant] niet baten omdat daarmee niet is aangegeven wanneer en tegenover wie is geklaagd en wat de klacht precies inhield. Die stelling is dus te vaag en te weinig onderbouwd om in aanmerking te kunnen worden genomen. Onder de zojuist genoemde omstandigheden heeft de Gemeente, gezien de lange periode van niet-verzet, het gerechtvaardigd vertrouwen kunnen verkrijgen dat [appellant] zich er niet meer op zou beroepen dat de last was geschonden. Door zich nu hier alsnog tegen te verzetten, brengt [appellant] onredelijk nadeel aan de Gemeente toe. Het beroep van de Gemeente op rechtsverwerking treft dus doel. Voor zover [appellant] in de vordering sub 2.2 heeft gesteld dat er nog steeds sprake is van een schending, is de in de voorgaande alinea besproken brief waarin de toestemming wordt ingetrokken eveneens relevant: van een voortdurende schending is geen sprake meer nu de kunstwerken niet meer worden uitgeleend en dus in het museum blijven. Opgemerkt wordt nog dat de hier aangenomen rechtsverwerking tevens misbruik van recht oplevert naar Frans/Monegaskisch recht.
broertje dood’ heeft aan ‘
al dat heen en weer gestuur van schilderijen’, dat er bij Bredius een zekere angst was voor de beschadiging van zijn kunstvoorwerpen. Dat blijkt ook uit het schrijven van de landsadvocaat in 1931 waarin staat dat Bredius ‘
wenscht o.a. heen en weerzending der schilderijen te voorkomen wegens het daaraan verbonden risico’. [appellant] heeft aangeboden te bewijzen dat Bredius een fel tegenstander was van het heen en weer slepen van kunstvoorwerpen, maar dit behoeft, nu het niet is weersproken door de Gemeente, niet (meer) te worden bewezen. Inmiddels kunnen kunstvoorwerpen op verantwoorde wijze worden vervoerd en is daardoor de kans op beschadiging aanzienlijk minder reëel te achten. Dit rechtvaardigt de conclusie dat de last vandaag de dag minder strikt uitgelegd mag worden. Daar komt bij dat bruikleenverkeer naar huidige inzichten bijdraagt aan de zichtbaarheid van de collecties en tegenwoordig behoort tot de normale museale bedrijfsvoering. Bruikleenvergoedingen maken een belangrijk deel uit van de inkomsten van musea met een bijzondere eigen collectie. Onder die omstandigheden kan [appellant] niet met succes een verklaring voor recht vorderen dat de Gemeente de last heeft geschonden door werken uit te lenen.