ECLI:NL:HR:2021:1597

Hoge Raad

Datum uitspraak
29 oktober 2021
Publicatiedatum
28 oktober 2021
Zaaknummer
20/01658
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 RO
Verwijzingen
3 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep inzake uitleg legaat en naleving last in erfrecht

In deze zaak heeft eiser beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag dat ging over de uitleg van een legaat en de naleving van een last verbonden aan een bruikleen van een kunstcollectie onder Monegaskisch erfrecht.

De Hoge Raad verwijst naar eerdere vonnissen van de rechtbank Den Haag en het arrest van het hof. Na beoordeling van de klachten over het arrest van het hof oordeelt de Hoge Raad dat deze klachten niet leiden tot vernietiging van het arrest. De Hoge Raad acht het niet noodzakelijk om de motivering van dit oordeel te geven, omdat het niet van belang is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en veroordeelt eiser in de kosten van het geding in cassatie, begroot op een bedrag van €3.102,34, vermeerderd met wettelijke rente indien niet tijdig betaald.

Het arrest is gewezen door de raadsheren Sieburgh, Wattendorff en ter Heide en in het openbaar uitgesproken door Wattendorff op 29 oktober 2021.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer20/01658
Datum29 oktober 2021
ARREST
In de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
hierna: [eiser],
advocaat: M.E. Bruning,
tegen
GEMEENTE DEN HAAG,
zetelende te Den Haag,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: de Gemeente,
advocaat: K. Teuben.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
de vonnissen in de zaak C/09/516409 / HA ZA 16-949 van de rechtbank Den Haag van 23 december 2016 en 26 september 2018;
het arrest in de zaak 200.252.262/01 van het gerechtshof Den Haag van 25 februari 2020.
[eiser] heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
De Gemeente heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, en voor de Gemeente mede door W.I. Wisman.
De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [eiser] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van het middel

De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad:
  • verwerpt het beroep;
  • veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Gemeente begroot op € 902,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [eiser] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren C.H. Sieburgh, als voorzitter, H.M. Wattendorff en A.E.B. ter Heide, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer H.M. Wattendorff op
29 oktober 2021.