10.4De minister heeft in de stukken die hij heeft ontvangen van de Griekse autoriteiten over het asielverzoek dat eiser in Griekenland heeft ingediend geen aanleiding hoeven zien tot een ander standpunt te komen over de geloofwaardigheid van dit element. De minister heeft er in het verweerschrift van 24 april 2025 terecht op gewezen dat uit deze stukken volgt dat eiser in Griekenland twee asielmotieven naar voren heeft gebracht, naast de gedwongen rekrutering ook de vrees voor zijn vader, maar in Nederland die vrees voor zijn vader niet heeft benoemd. De minister stelt ook terecht dat de Griekse autoriteiten de gedwongen rekrutering niet geloofwaardig hebben gevonden. Uit de Griekse stukken volgt verder dat eiser wisselend heeft verklaard over wie uiteindelijk heeft besloten tot eisers vertrek uit Afghanistan. Dat, zoals eiser stelt, de beslissing tot vertrek een proces was waarin alle gezinsleden beurtelings een rol hebben gespeeld, neemt die wisseling in verklaringen niet weg.
Over element 3
10. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser zijn relaas op dit punt niet volledig heeft onderbouwd met objectieve documenten en daarom beoordeeld of wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, van de Vw. Dat is volgens de minister niet het geval omdat niet is voldaan aan voorwaarde c: de verklaringen zijn samenhangend en aannemelijk bevonden en niet in strijd met beschikbare en algemene en specifieke informatie die relevant is voor het verzoek. De minister heeft daartoe aan de hand van Werkinstructie (WI) 2022/3 de afvalligheid beoordeeld en deze ongeloofwaardig gevonden omdat eiser niet is bekeerd tot het christendom, hij vaag en ongerijmd heeft verklaard over het achter zich laten van de islam, vaag heeft verklaard over wanneer hij inzag dat er meer religies en andere normen zijn dan de islam, geen inzicht heeft gegeven in het proces, ongerijmd heeft verklaard over het niet durven uiten van zijn mening over de islam, de redenen om zich af te wenden van de islam niet getuigen van diepgang en hij wisselend heeft verklaard over het praktiseren van de islam na aankomst in Nederland.
11. Eiser heeft aangevoerd dat hij zich van de islam heeft afgekeerd en dus een afvallige is. Hij heeft ook verklaard, en met een akte ondersteund, dat hij is gedoopt, maar dat betekent volgens eiser niet dat hij is bekeerd tot het christendom. Hij beroept zich dan ook niet op bekering, eiser heeft vanwege de taalbarrière nog onvoldoende kennis van het christelijk geloof. Het doopbewijs is dan ook geen bewijs van bekering maar wel bewijs van afvalligheid, waarbij wordt verwezen naar een notitie van dr. [naam 1] van de Stichting Gave. De minister heeft verder de brief van [naam 2] van 14 oktober 2025 onjuist geduid door die te bespreken in het kader van de bekering. Ten onrechte acht de minister de afvalligheid niet geloofwaardig. Die afvalligheid komt voort uit negatieve ervaringen, waarover hij heeft verklaard. De minister verwijt eiser ten onrechte dat hij niet eerder over zijn afvalligheid heeft verklaard, waarbij eiser erop wijst dat hij afkomstig is uit een islamitisch land waar een andere religie niet wordt geaccepteerd en op het feit dat hij getraumatiseerd is, waarvoor hij wordt behandeld, waardoor het voor hem moeilijk is over dit onderwerp te verklaren.
12. Eiser heeft ter onderbouwing van dit element de volgende documenten overgelegd:
1. Een brief van [naam 3] en [naam 4] , van de Stadskerk [plaats 2], van 18 maart 2025;
2. Een e-mail van [naam 2] van 22 juni 2025;
3. De notitie ‘De doop: bewijs van afvalligheid’ van Stichting Gave;
4. Een gedicht van eiser gedateerd april 2025;
5. Een certificaat van de doop die op 24 oktober 2024 heeft plaatsgevonden;
6. Een brief van [naam 2] van 14 oktober 2025.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat deze documenten geen objectieve documenten zijn die het relaas volledig onderbouwen. De stukken 1, 2 en 6 alleen al niet omdat daarin niets wordt gezegd over de afvalligheid van eiser. Stuk 3 niet omdat dit een algemeen stuk is dat niet over eiser gaat. Eisers gedicht geeft gedachten en stemmingen weer en is daarom niet objectief. Het doopcertificaat bevestigt enkel dat eiser is gedoopt maar geeft geen inzicht in hoe en waarom eiser zich van de islam heeft afgekeerd, wat voor de beoordeling van de afvalligheid door de minister wel van belang is.De minister heeft de geloofwaardigheid van dit element daarom kunnen beoordelen aan de hand van artikel 31, zesde lid, van de Vw.
13. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de afvalligheid ongeloofwaardig is omdat zijn verklaringen over dit element niet samenhangend en aannemelijk bevonden en in strijd zijn met beschikbare en algemene en specifieke informatie die relevant is voor het verzoek. Hoe de rechtbank tot dit oordeel is gekomen licht zij hieronder toe.
14. Volgens WI 2022/3, die gold ten tijde van de totstandkoming van het aanvullende besluit van 23 oktober 2025, beoordeelt de minister de afvalligheid aan de hand van drie elementen:
1. de motieven voor en het proces van afvalligheid;
2. de kennis van het oude geloof;
3. de activiteiten.
De werkinstructie schrijft verder voor dat een weging wordt gemaakt van de verklaringen van de vreemdeling over de drie elementen (en eventuele bewijsstukken indien beschikbaar). Het zal hierbij afhankelijk zijn van het individuele relaas wat wel en niet van de vreemdeling verwacht kan worden. Uitgangspunt is dat van een vreemdeling wel verwacht mag worden dat hij aannemelijk maakt hoe en om welke redenen hij zich heeft afgewend van het oude geloof en wat dit voor hem betekende. Mogelijk zijn echter de elementen van kennis en activiteiten in mindere mate van belang bij afvalligheid dan bij een bekering het geval is.
Onder de nieuwe werkinstructieis deze toetsingswijze nagenoeg ongewijzigd gebleven.